Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2270

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
24/2684
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 WooArt. 5.2 WooArt. 8:29 AwbArt. 6:13 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister moet nieuw besluit nemen over Woo-verzoek inzake varkensbedrijf Melderslo

Eiser verzocht de minister om openbaarmaking van documenten over een NVWA-onderzoek naar een incident bij een varkensbedrijf in Melderslo in augustus 2021. De minister gaf gedeeltelijk gehoor aan het verzoek, maar weigerde bepaalde informatie op grond van uitzonderingsgronden uit de Wet open overheid (Woo).

De rechtbank beoordeelde het beroep van eiser tegen het besluit van de minister. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom bepaalde concurrentiegevoelige gegevens niet openbaar gemaakt konden worden en dat de inventarislijst onvolledig was doordat documenten die onder de Wet politiegegevens en Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens vielen niet waren vermeld.

De rechtbank verwierp bezwaren over de toepassing van uitzonderingsgronden voor opsporing en vervolging en persoonlijke beleidsopvattingen, maar stelde vast dat de minister het zorgvuldigheidsbeginsel had geschonden door de inventarislijst niet volledig te maken. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en gaf de minister zes weken om een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van de overwegingen.

Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser. De uitspraak werd gedaan door rechter H.M.H. de Koning op 10 april 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd; de minister moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen met een volledige inventarislijst en betere motivering.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/2684

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [naam] ),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit(nu: de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), de minister
(gemachtigde: mr. C. Vooijs).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
de minister van Justitie en Veiligheid, het College van procureurs-generaal en het Openbaar Ministerie, het OM.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit dat de minister heeft genomen naar aanleiding van eisers verzoek om openbaarmaking op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het besluit deels onvoldoende heeft gemotiveerd en een incomplete inventarislijst heeft overgelegd. Eiser krijgt in zoverre gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft met een e-mail van 29 augustus 2023 onder verwijzing naar de Woo de minister verzocht om informatie. De derde-partij heeft op 16 november 2023 een zienswijze gegeven. Met het besluit van 8 december 2023 heeft de minister een deel van de gevraagde informatie openbaar gemaakt. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt en heeft afgezien van een hoorzitting.
2.1.
De minister heeft met het bestreden besluit van 30 mei 2024 eisers bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, in de zin dat openbaarmaking van informatie in een aantal documenten niet langer wordt geweigerd. Voor het overige heeft de minister het bij het besluit van 8 december 2023 ingenomen standpunt gehandhaafd.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Met de brief van 3 oktober 2024 heeft de minister stukken aan de rechtbank verzonden en daarbij mededeling gedaan van beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de B-stukken (stukken 17 en 18).
2.3.1.
De rechtbank heeft partijen medegedeeld dat alleen de bestuursrechter kennisneemt van de stukken onder 18, omdat dit de documenten zijn waarover de minister op grond van de Woo een beslissing heeft genomen. De toestemming om dit te doen is op grond van artikel 8:29, zesde lid, van de Awb van rechtswege verleend.
2.4.
In een beslissing van 25 september 2025 heeft de rechtbank het verzoek om beperkte kennisneming voor wat betreft stuk 17 en de brieven van 15 januari 2025 en 12 februari 2025 van de minister toegewezen.
2.4.1.
Aan eiser en de derde-partij heeft de rechtbank gevraagd of zij toestemming geven om de stukken – waar beperkte kennisneming voor geldt – te gebruiken bij de beoordeling van het beroep.
2.5.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
Eiser en de derde-partij hebben desgevraagd aan de rechtbank toestemming verleend om de stukken, waarvoor de beperkte kennisneming geldt, te gebruiken bij de beoordeling van het beroep.
2.7.
De derde-partij heeft op het beroep gereageerd.
2.8.
Eiser heeft op het verweerschrift van de minister en op de reactie van de derde-partij gereageerd.
2.9.
De rechtbank heeft het beroep op 2 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Met voorafgaande kennisgeving is de derde-partij niet op de zitting verschenen..

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser heeft op 29 augustus 2023 een Woo-verzoek ingediend bij de minister, waarbij hij heeft verzocht om alle documenten die betrekking hebben op het door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) uitgevoerde onderzoek op een varkensbedrijf in Melderslo op of nabij 24 augustus 2021 openbaar te maken. Eiser verwijst daarbij naar een nieuwsbericht van 24 augustus 2021 van de NOS, met als titel: ‘Honderden varkens gestikt in Melderslo door uitgevallen luchtwasser’. [1] Verder heeft eiser opgemerkt:
“Dit betreft onder meer, maar zeker niet uitsluitend, correspondentie tussen betrokkenen, verslagleggingen, inspectierapporten, rapporten van bevindingen, veterinaire verklaringen, verklaringen van derden (bijvoorbeeld de omgevingsdienst, verzekeringsmaatschappij, een elektricien), waarschuwingen, sanctiebesluiten, proces-verbaal, beeldmateriaal, waarschuwingen en (boete)beschikkingen.”
3.1.
In het besluit van 8 december 2023 heeft de minister besloten om de gevraagde informatie (26 documenten) gedeeltelijk openbaar te maken.
3.2.
In het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 8 december 2023 herroepen in de zin dat openbaarmaking van de informatie in document 26 niet langer integraal wordt geweigerd op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f van de Woo en in documenten 18 en 19 niet langer op grond van artikel 5.2, eerste lid van de Woo. Het besluit van 8 december 2023 blijft voor het overige gehandhaafd.

Beoordeling door de rechtbank

De opsporing en vervolging van strafbare feiten
4. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder c van de Woo blijft het openbaar maken van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Deze uitzonderingsgrond beoogt te voorkomen dat de opsporing en vervolging van strafbare feiten zou kunnen worden gefrustreerd door openbaarmaking van gegevens die opsporingsambtenaren of het OM inmiddels hebben vergaard. Het enkele feit dat een document inzicht geeft in werkwijzen van de politie is onvoldoende om openbaarmaking te weigeren wegens het belang van opsporing en vervolging van strafbare feiten. [2]
4.1.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 28 februari 2018 [3] voert eiser aan dat de minister in het bestreden besluit niet heeft gemotiveerd waarom de niet openbaar gemaakte strategieën noemenswaardige schade aan het opsporingsbelang oplevert en aan de openbaarheid moet worden onttrokken. Eiser wijst in dit verband ook op het tijdsverloop, omdat de relevante informatie al van augustus 2021 dateert.
4.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft kennisgenomen van de ongelakte versie van de documenten 1, 2, 4, 5, 7, 9, 15, 18 en 19 en oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat openbaarmaking daarvan inzicht geeft in de specifieke onderzoeksstrategieën die de politie, de NVWA en het OM gebruikt in het in het Woo-verzoek genoemde onderzoek. Het betreft geen algemeen bekende werkwijzen, die de minister weigert om openbaar te maken.
4.3.
Aan het tijdsverloop kan niet de door eiser gewenste betekenis worden toegekend. Daarbij betrekt de rechtbank dat het OM de specifieke strategieën als het onderhavige ondanks het tijdsverloop niet wil prijsgeven, omdat de aanleiding voor een dergelijk onderzoek zich nog steeds voordoet. Dit betekent dat er nog steeds een actueel belang is bij het niet openbaren van gegevens, zoals relevant is bij deze uitzonderingsgrond.
De bescherming van andere dan in het eerste lid, onderdeel c, genoemde concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens
5. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f van de Woo blijft het openbaar maken van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang om andere concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens dan die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld, te beschermen. Deze weigeringsgrond is als gevolg van een amendement in de Woo opgenomen en kwam niet in de Wet openbaarheid van bestuur voor. [4] Met dit amendement is in de Woo een onderscheid opgenomen tussen enerzijds vertrouwelijk verstrekte bedrijfs- en fabricagegegevens en anderzijds andere concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens.
5.1.
Eiser voert aan dat bedrijven prijzen voor producten en diensten doorgaans vermelden in hun communicatie, zodat het niet openbaren van het orderbedrag aan de openbaarheid zonder nadere toelichting niet gerechtvaardigd is. Overige gegevens, zoals een factuurdatum, zijn volgens eiser hoe dan ook geen bedrijfs- en fabricagegegevens. Een totaalprijs geeft geen inzicht in kostprijsbouw, marges of bedrijfsprocessen en openbaarmaking daarvan leidt niet tot concreet concurrentienadeel. Ter onderbouwing wijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2020. [5]
5.2.
De beroepsgrond slaagt. De rechtbank stelt vast dat de offerte- of orderdatum in document 26 niet is weggelakt, zoals eiser stelt. Na kennisneming van de ongelakte versie van dat document oordeelt de rechtbank echter met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 6 september 2017 [6] dat de minister niet voldoende heeft gemotiveerd dat met het openbaar maken van de totaalprijs wetenswaardigheden kunnen worden afgeleid met betrekking tot de financiële bedrijfsvoering van de betreffende onderneming. Zoals eiser terecht heeft gesteld, geeft een totaalprijs immers geen inzicht in de kostprijsopbouw, marges of bedrijfsprocessen. Derden of concurrenten kunnen bij openbaarmaking daarvan geen informatie afleiden over of inzicht krijgen in de financiële bedrijfsvoering van de onderneming.
Persoonlijke beleidsopvattingen
6. Op grond van artikel 5.2, eerste lid, van de Woo wordt, in geval van een verzoek om informatie uit documenten opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Onder persoonlijke beleidsopvattingen worden verstaan ambtelijke adviezen, visies, standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad, niet zijnde feiten, prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen van een bepaald beleidsalternatief of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter.
Op grond van artikel 5.2, tweede lid van de Woo kan over persoonlijke beleidsopvattingen met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. De beslissing om over persoonlijke beleidsopvattingen al dan niet informatie te verstrekken in niet tot personen herleidbare vorm, is een bevoegdheid waarbij het bestuursorgaan beslisruimte heeft en vergt een afweging van belangen.
Uit artikel 5.2, derde lid, van de Woo volgt dat uit documenten die zijn opgesteld ten behoeve van formele bestuurlijke besluitvorming door een minister, een commissaris van de Koning, Gedeputeerde Staten, een gedeputeerde, het college van burgemeester en wethouders, een burgemeester en een wethouder, informatie wordt verstrekt over persoonlijke beleidsopvattingen in niet tot personen herleidbare vorm, tenzij het kunnen voeren van intern beraad onevenredig wordt geschaad.
6.1.
Eiser voert aan dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen toepassing is gegeven aan artikel 5.2, tweede lid van de Woo. Daarbij verwijst eiser naar de uitspraken van de Afdeling van 13 februari 2019 [7] en 13 juli 2022 [8] .
6.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft kennisgenomen van de ongelakte versie van document 19 en stelt vast dat de weigeringsgrond is toegepast op één zin in dat document. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat openbaarmaking van deze zin inzicht geeft in de ambtelijke waardering over hoe om te gaan met toekomstige situaties met lokale partners en het daarbij een persoonlijke beleidsopvatting betreft.
6.2.1.
De stelling van eiser dat de zin in document 19 openbaar moet worden gemaakt op grond van artikel 5.2, tweede lid van de Woo, volgt de rechtbank niet omdat de informatie in deze zin niet kan worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm.
Buiten de reikwijdte van het verzoek
7. Eiser voert aan dat de minister, meer in het bijzonder in document 18, ten onrechte gegevens heeft weggelakt met als reden dat deze
‘buiten de reikwijdte’van het verzoek vallen, maar dat dit niet een uitzonderingsgrond is die in de Woo is opgenomen. Eiser stelt dat door het weglakken de context van de wel openbaar gemaakte onderdelen van informatie onduidelijk wordt.
7.1.
De minister heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat eiser deze grond niet in bezwaarfase heeft aangevoerd en dat deze daarom op grond van artikel 6:13 van Pro de Awb niet in beroep kan worden beoordeeld.
7.1.1.
De rechtbank volgt het standpunt van de minister niet en ziet geen aanleiding om eisers beroepsgrond buiten beschouwing te laten omdat, zoals de Afdeling heeft geoordeeld in de uitspraak van 17 juli 2024 [9] , tussen de bestuurlijke fase en beroep geen grondentrechter geldt. Dat betekent dat in beroep gronden tegen een besluit kunnen worden aangedragen die niet in de bestuurlijke fase naar voren zijn gebracht.
7.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Met inachtneming van de bewoordingen van het Woo-verzoek en de context waarin dit is gedaan, heeft de rechtbank kennisgenomen van de ongelakte versie van document 18. De rechtbank oordeelt dat inzichtelijk is geworden dat de informatie ziet op andere bedrijven dan het bedrijf waar eiser op doelt in het Woo-verzoek en dat de weggelakte passages niet van invloed zijn op de context van de wel openbaar gemaakte informatie.
Incomplete inventarislijst
8. Eiser wijst er op dat de minister een aantal documenten niet op de inventarislijst heeft opgenomen, omdat die in het geheel zouden bestaan uit politiegegevens of strafvorderlijke gegevens. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2022 [10] stelt eiser dat op een inventarislijst alle documenten moeten worden vermeld, ook als de inhoud ervan aan de openbaarheid wordt onttrokken.
8.1.
Ook met betrekking tot deze beroepsgrond heeft de minister zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat deze grond niet in de bezwaarfase is aangevoerd en daarom op grond van artikel 6:13 van Pro de Awb niet in beroep kan worden beoordeeld.
Zoals de rechtbank hiervoor in rechtsoverweging 7.1.1 heeft geoordeeld, wordt de minister niet gevolgd in dit standpunt omdat tussen de bestuurlijke fase en beroep geen grondentrechter geldt.
8.2.
De beroepsgrond slaagt. Naar aanleiding van de beroepsgrond overweegt de rechtbank dat de Woo geen verplichting kent tot het vervaardigen van documenten zoals een inventarislijst, maar dat het zorgvuldigheidsbeginsel kan vereisen dat het bestuursorgaan toch een inventarislijst opstelt. [11] De rechtbank stelt vast dat voor eiser niet inzichtelijk is van welke documenten de minister openbaarmaking geheel heeft geweigerd en dat de minister in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld om documenten die vallen onder de Wet politiegegevens (Wpg) en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) in zijn geheel niet op de inventarislijst te vermelden. Met de enkele vermelding van een documentnaam en de mededeling of dit valt onder Wpg of Wjsg wordt geen informatie uit dat document prijsgegeven. Zonodig kan de minister voor de documentnaam een algemene bewoording gebruiken.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit gelet op de overwegingen 5.2 en 8.2 onvoldoende is gemotiveerd en daarom voor vernietiging in aanmerking komt.
9.1.
De rechtbank ziet gelet op de aard van de zaak geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, zelf in de zaak te voorzien of een bestuurlijke lus toe te passen. Een tussenuitspraak zou niet bijdragen aan een doelmatige en efficiënte afdoeningswijze. De minister moet daarom een nieuw besluit op bezwaar nemen, met inachtneming van wat in deze uitspraak onder 5.2 en 8.2 is overwogen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
9.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Die kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,– (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 934,– en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat de minister het betaalde griffierecht van € 187,– aan eiser vergoedt;
  • bepaalt dat de minister de proceskosten van in totaal € 1.868,– aan eiser moet betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning, rechter, in aanwezigheid van mr. F.M. van den Assem, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.https://nos.nl/artikel/2394954-honderden-varkens-gestikt-in-melderslo-door-uitgevallen-luchtwasser
2.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:715.
4.Kamerstukken II 2020/21, 35112, nr. 26.
8.ECLI:NL:RVS:2022:1995, r.o. 5.1-5.2.
10.ECLI:NL:RVS:2022:2739, r.o. 10.3 en 17.
11.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3571.