Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2503

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
25/342
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:41 AwbArt. 3:42 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling intrekkingsbesluit gemeentelijk monument en bezwaartermijn

Eisers maakten bezwaar tegen een intrekkingsbesluit van de monumentale status van een pand, genomen op 8 januari 2013. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het buiten de bezwaartermijn was ingediend. Eisers stelden dat het besluit niet op de juiste wijze bekend was gemaakt, waardoor de termijn niet kon lopen.

De rechtbank oordeelde dat het besluit terecht bekend is gemaakt via artikel 3:41 van Pro de Awb, door toezending aan de zakelijk gerechtigde, en niet via artikel 3:42 Awb Pro (oud). De latere uitlating van een bewindspersoon over de reikwijdte van artikel 3:42 Awb Pro is niet relevant voor de uitleg ten tijde van het besluit.

Verder stelde de rechtbank vast dat eisers op 17 mei 2024 kennis namen van het besluit en dat zij binnen zes weken bezwaar hadden moeten maken. De vertraging was het gevolg van een rechtsdwaling van eisers over de juiste bekendmaking, waardoor de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar is daarom ongegrond verklaard.

De rechtbank wees ook op de mogelijkheid van hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wordt ongegrond verklaard omdat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/342

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2026 in de zaak tussen

[eiser 1],

[eiser 2],

[eiser 3],

[eiser 4],

[eiser 5],

[eiser 6],

[eiser 7]

[eiser 8],

[eiser 9],

[eiser 10]

[eiser 11]

[eiser 12],

[eiser 13]

[eiser 14]

allen uit [woonplaats] , hierna samen: eisers,
(gemachtigde: mr. J.T.F. van Berkel),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven,het college,
(gemachtigden: mr. J.P.H. de Bruin en [naam] ).

Procesverloop

1. Deze uitspraak gaat over een op 8 januari 2013 genomen besluit tot intrekking van de monumentale status van een pand. Eisers zijn het niet eens met dit intrekkingsbesluit en zij hebben daartegen op 15 november 2024 bezwaar gemaakt. Op 19 december 2024 heeft het college dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het buiten de bezwaartermijn was ingesteld en hiervoor geen goede redenen waren aangevoerd.
1.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers 7 en 8, de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
2. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [2]
2.1.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, dan kan het bestuursorgaan dit bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaren. Een niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaarschrift blijft echter achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dat staat in artikel 6:11 van Pro de Awb. In dat geval is de termijnoverschrijding verschoonbaar. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van een verschoonbare termijnoverschrijding, kan de bestuursrechter – kort gezegd – alle omstandigheden van het geval betrekken. [3]
Is het besluit op de juiste wijze bekendgemaakt?
2.2.
Eisers voeren aan dat het besluit nooit op de juiste wijze bekend is gemaakt. Volgens eisers moest het besluit bekend worden gemaakt met toepassing van artikel 3:42, tweede lid, van de Awb zoals dat in 2013 luidde. Het college had volgens eisers een kennisgeving van het besluit of de zakelijke inhoud ervan moeten publiceren in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad. Het college kon niet, zoals het heeft gedaan, volstaan met het verzenden van een kennisgeving aan de zakelijk gerechtigde tot het pand (te weten: de gemeente Eindhoven). Aangezien het besluit nooit op de juiste wijze bekend is gemaakt, kan het ook niet in werking zijn getreden en is het besluit strikt genomen voortijdig ingediend.
2.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank legt hierna uit waarom dat zo is.
2.4.
Een besluit waarbij een gebouw een monumentale status toegekend krijgt, is een besluit dat bekend wordt gemaakt met toepassing van artikel 3:41 van Pro de Awb. Het besluit is namelijk gericht tot een of meer belanghebbenden, namelijk de zakelijk gerechtigden tot die zaak. Zij worden door de aanwijzing direct in hun belangen geraakt. De wetgever heeft bewust voor deze bekendmakingssystematiek gekozen door de destijds voor de Monumentenwet 1988 geldende bekendmakingsregeling te laten vervallen ten gunste van de nieuwe regeling van artikel 3:41 van Pro de Awb. [4] Die wetsgeschiedenis heeft weliswaar betrekking op de bekendmaking van een aanwijzingsbesluit ten aanzien van een rijksmonument, maar de rechtbank ziet geen aanleiding om uit te gaan van een andere bekendmakingsregeling voor de aanwijzing – of intrekking daarvan – van gemeentelijke monumenten zoals in deze zaak. De rechtsgevolgen van een gemeentelijke aanwijzingen komen naar aard en strekking namelijk overeen met aanwijzingen van rijkswege.
2.5.
Eisers hebben gewezen op een opmerking van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in de Memorie van Toelichting van de Wet elektronische publicaties. [5] In dit Kamerstuk wordt ter gelegenheid van de wijziging van artikel 3:42 van Pro de Awb het geldend recht door de Staatssecretaris beschreven. De Staatssecretaris stelt daarbij dat beschikkingen die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, maar die betrekking hebben op een concrete zaak en die verband houden met de eigenschappen van die zaak, bekend moeten worden gemaakt met toepassing van artikel 3:42 van Pro de Awb. Daarbij noemt de Staatssecretaris concreet het voorbeeld van de aanwijzing van een monument.
2.6.
De rechtbank laat in het midden welke betekenis naar geldend recht moet worden toegekend aan deze uitlating van de Staatssecretaris. De uitlating maakt namelijk geen onderdeel uit van de totstandkomingsgeschiedenis van de artikelen 3:41 en 3:42 van de Awb zoals deze golden ten tijde van het intrekkingsbesluit. Daarom komt deze uitlating in deze zaak in ieder geval geen bijzondere betekenis toe. [6] De rechtbank ziet in deze enkele uitlating van de Staatssecretaris geen aanleiding om de artikelen 3:41 en 3:42 van de Awb zoals deze golden ten tijde van het intrekkingsbesluit uit te leggen op de door eisers voorgestane manier.
2.7.
De conclusie is als volgt. Het intrekkingsbesluit diende niet bekend te worden gemaakt met toepassing van artikel 3:42 van Pro de Awb. Bekendmaking moest plaatsvinden met toepassing van artikel 3:41 van Pro de Awb door toezending van het intrekkingsbesluit. Dat is gebeurd en daarmee is het intrekkingsbesluit op de juiste wijze bekend gemaakt.
Is de termijnoverschrijding verschoonbaar?
3. Eisers hebben op 17 mei 2024 kennis genomen van het feit dat het college een intrekkingsbesluit hadden genomen. Dat is als zodanig ook niet in geschil. Volgens eisers hebben zij vervolgens niet binnen zes weken bezwaar gemaakt omdat zij onvoldoende zekerheid hadden dat het besluit op de juiste wijze bekend was gemaakt. Eisers hadden namelijk al eerder hun bedenkingen geuit over de wijze van bekendmaking en het college heeft toen niet kunnen aantonen dat het besluit op de juiste wijze bekend is gemaakt. Bovendien leek het er in alles op dat het pand nog een monumentale status had, aangezien er ook na 2013 nog monumentale subsidies voor zijn verleend ten behoeve van dit pand. Eisers hadden daarom geen aanleiding om te veronderstellen dat het intrekkingsbesluit daadwerkelijk bekend was gemaakt en was geëffectueerd. Volgens eisers had het college hierin aanleiding moeten zien om het bezwaar toch ontvankelijk te verklaren.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3.2.
Als een belanghebbende pas kennis neemt van een op correcte wijze bekendgemaakt besluit als de bezwaartermijn al is verstreken en de belanghebbende ook niet eerder kennis kón nemen van het besluit, zoals in dit geval, geldt dat de belanghebbende zo spoedig mogelijk bezwaar moet indienen als redelijkerwijs kan worden verlangd. Daarvoor geldt in principe een termijn van zes weken. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan ook een later gemaakt bezwaar of ingesteld beroep als niet verwijtbaar te laat worden aangemerkt. [7]
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat eisers in dit geval niet later dan na zes weken na zij bekend raakten met het besluit, bezwaar konden maken. Een termijn van zes weken is het uitgangspunt. Dat kan anders zijn als eisers, zoals zij aanvoeren, mochten aannemen dat het besluit nog niet bekend was gemaakt. Van eisers kan namelijk niet worden verlangd dat zij bezwaar maken tegen een besluit waarvan zij redelijkerwijs mogen aannemen dat daartegen op dat moment nog geen bezwaar kan worden gemaakt.
3.4.
In deze zaak hebben eisers op 17 mei 2024 kennis genomen van het collegestandpunt dat het besluit met toepassing van artikel 3:41 van Pro de Awb bekend was gemaakt. Het college heeft eisers dus niet op het verkeerde spoor gezet. Eisers hebben weliswaar gesteld dat de bekendmaking had moeten plaatsvinden met toepassing van artikel 3:42 van Pro de Awb, maar zij hebben de bekendmaking als zodanig niet betwist. Eisers hebben ook geen navraag gedaan naar de juiste bekendmaking op grond van artikel 3:41 van Pro de Awb en hebben volstaan met een onderzoek naar een bekendmaking met toepassing van artikel 3:42 van Pro de Awb. De veronderstelling dat artikel 3:42 van Pro de Awb het juiste bekendmakingsregime geeft, berust echter op een verkeerde rechtsopvatting. Dat eisers niet direct na bekendraking met het intrekkingsbesluit in bezwaar zijn gegaan, is dus het gevolg van een aan eisers zelf toe te rekenen rechtsdwaling.
3.5.
De late indiening van het bezwaar is dus enkel te herleiden tot de rechtsdwaling aan de zijde van eisers. Alleen al hierom slaat de rechtbank bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding geen acht op het feit dat het college pas op 25 februari 2025 de bekendmakingsstukken naar de rechtbank heeft gestuurd. Het uitblijven van deze bekendmakingsstukken was immers niet de oorzaak van de termijnoverschrijding. Ook de omstandigheid dat voor het pand nog monumentensubsidies werden verstrekt en dat er ook anderszins door gemeentelijke publiekscommunicatie de indruk was gewekt bij eisers dat het pand nog monumentaal was, maakt niet dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Deze omstandigheden maken namelijk niet dat eisers nader onderzoek naar een bekendmaking op grond van artikel 3:41 van Pro de Awb achterwege konden laten.
3.6.
De conclusie is dat de termijnoverschrijding van eisers niet verschoonbaar is. Dat betekent dat het college het bezwaar niet-ontvankelijk kon verklaren. Het beroep tegen deze niet-ontvankelijkverklaring gerichte is ongegrond.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eisers in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O.Y. Ifzaren, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. van der Meiden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026.
de griffier is verhinderd om
deze uitspraak te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
3.Zie uitgebreider en met voorbeelden: CBb 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
4.Zie met verwijzingen: ABRvS 1 september 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ8734.
6.Zie voor een vergelijkbaar geval waarin een in een later wetgevingsproces gegeven uitleg aan een wetsbepaling niet doorslaggevend werd geacht: HR 16 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:335 rov. 3.9.2.
7.Zie (weer) voor dit toetsingskader: CBb 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.