ECLI:NL:RBOBR:2026:251

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
24/1627 en 24/1651
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanwijzing gemeentelijk monument van het pand de Blauwe Scholk in Den Dungen

In deze uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant, gedateerd 16 januari 2026, wordt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Sint-Michielsgestel om het pand de Blauwe Scholk gedeeltelijk aan te wijzen als gemeentelijk monument, vernietigd. Het college had op 5 december 2023 besloten om alleen bepaalde bouwfases van het pand als monument aan te wijzen, maar de rechtbank oordeelt dat een onroerende zaak niet gedeeltelijk kan worden aangewezen als monument volgens de geldende wet- en regelgeving. De eisers, twee belangenorganisaties, stelden beroep in tegen dit besluit omdat zij van mening zijn dat het gehele pand of een groter deel als monument moet worden aangewezen. De rechtbank concludeert dat de systematiek van de Erfgoedverordening geen ruimte biedt voor een gedeeltelijke aanwijzing en dat het college een nieuw besluit moet nemen waarin het de mogelijkheid van een volledige aanwijzing als monument moet overwegen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt het college veroordeeld tot betaling van proceskosten aan de eisers.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 24/1627 en 24/1651
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2026 in de zaken tussen
[eiser 1], uit [vestigingsplaats] ,
eiser 1,
(gemachtigde: mr. R. Hörchner),
en
[eiser 2], uit [vestigingsplaats] ,
eiser 2,
(gemachtigde: mr. R. Hörchner),
eiser 1 en eiser 2 worden hierna gezamenlijk aangeduid als eisers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Sint-Michielsgestel,
het college,
(gemachtigden: mr. C. van Mierlo en mevr. [naam] ).

1.Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de aanwijzing van een deel van het pand ( de Blauwe Scholk ) gelegen aan de Bosscheweg 7-9 te Den Dungen (hierna: het pand) als gemeentelijk monument. Eisers zijn het niet eens met de omvang van de aanwijzing. Zij vinden dat het pand als geheel of in ieder geval voor een groter gedeelte als gemeentelijk monument moet worden aangewezen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het pand niet gedeeltelijk kan aanwijzen als gemeentelijk monument. De systematiek van de Erfgoedverordening laat geen ruimte voor het gedeeltelijk aanwijzen van een onroerend zaak als gemeentelijk monument. Het college kan het pand dus alleen in zijn geheel ofwel helemaal niet aanwijzen als gemeentelijk monument. Eisers krijgen dus gelijk en de beroepen zijn dus gegrond. Maar dat betekent nog niet dat het pand als geheel wordt aangewezen als monument. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

2.Procesverloop

2.1.
Het college heeft op 15 maart 2022 een ‘voornemen tot aanwijzing’ genomen om het pand gedeeltelijk aan te wijzen als gemeentelijke monument. Het voornemen is als ontwerpbesluit op 31 maart 2022 gepubliceerd en heeft ter inzage gelegen van 1 april 2022 tot en met 13 mei 2022.
2.2.
Bij besluit van 5 december 2023 (het bestreden besluit) heeft het college besloten om het pand aan te wijzen als gemeentelijke monument voor wat betreft de bouwfasen 1 en 2 en een gedeelte van bouwfase 3. Het bestreden besluit is op 29 januari 2024 gepubliceerd.
2.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiser 1 [namen] , namens eiser 2 dhr. [naam] , de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van het college.

3.Beoordeling door de rechtbank

Vooraf
3.1.
Het pand is gebouwd in 4 fasen. Omstreeks 1902 is één bouwlaag en een zadeldak gebouwd (fase 1). Omstreeks 1919 is het pand met een bouwlaag verhoogd met behoud van het zadeldak en aan de achtergevel uitgebreid (fase 2). Rond 1925 is het pand uitgebreid met een kopgevel aan de noordzijde en dwars geplaatste parochiezaal die ook als gymzaal fungeerde (fase 3). Bij de wijziging van de functie van het pand naar een buurthuis omstreeks 1982 is er aan de achterzijde van het pand in de oksel van beide vleugels een uitbreiding gebouwd van één bouwlaag (fase 4).
3.2.
Het pand, dat al geruime tijd leeg staat, zou aanvankelijk worden gesloopt met behoud van enkele gevels om een ontsluiting mogelijk te maken voor een woonwijk van 43 woningen in het kader van het project Wonen op de Donk. Vanwege de weerstand die de sloop opriep en verzoeken tot aanwijzing tot gemeentelijk monument door Stichting Erfgoed Sint-Michielsgestel en Stichting Cuypersgenootschap, heeft het college Rothuizen Erfgoed verzocht om door een bouwhistorische QuickScan en een bouwhistorische verkenning de bouwtechnische en bouwhistorische waarde van het gebouw in beeld te brengen. Dit resulteerde in een besluit van het college van 13 april 2021 om het gebouw niet te slopen en een onderzoek te starten naar de aanwijzing van het pand als gemeentelijk monument. Dat heeft uiteindelijk geresulteerd in het bestreden besluit waarbij fase 1 en 2 en een gedeelte van fase 3 als gemeentelijk monument zijn aangewezen.
Beroepsgronden
3.3.
Eiser 1 voert aan dat het besluit om fase 3 niet geheel als monument aan te wijzen onzorgvuldig is genomen. Eiser 1 voert daartoe aan dat in de redengevende omschrijving herhaaldelijk en in verschillende bewoordingen de zeldzaamheid en de gaafheid van het gebouw als Brabantse dorpsschool wordt benadrukt. Dit gaat volgens eiser 1 onherroepelijk verloren als fase 3 niet geheel een monumentenstatus krijgt omdat sloop van dat gedeelte dan voor de hand ligt. Het pand heeft samen met de kerk, het voormalige raadhuis, de pastorie en andere historische gebouwen een ensemblewaarde als historische dorpskern. De ensemblewaarde van het pand op zichzelf met het schoolplein en de gymzaal moet volgens eiser 1 ook in beschouwing worden genomen. Daarbij moet worden betrokken dat het pand vanuit cultuurhistorisch oogpunt van belang is omdat het pand een van de laatste restanten is van de aanwezigheid van de Congregatie Zuster van Liefde en een hoge herinneringswaarde heeft vanuit de functie als lagere school. Het feit dat fase 3 niet geheel als monument is aangewezen doet geen recht aan het cultuurhistorische belang van het pand. Het pand is ook van belang omdat het een relatief goed bewaard voorbeeld is van een lagere schoolgebouw in de directe regio. Het pand bezit architectonische kwaliteiten die de regionale kenmerken van de typologisch van rooms-katholieke scholen vertegenwoordigen. Fase 2 en 3 zijn volgens eiser 1 zowel qua stijl als typologie een voortzetting van de oorspronkelijke bouwstijl. Daarom moet niet alleen fase 2 maar ook fase 3 in zijn geheel als monument worden aangemerkt. Dat wordt onderschreven door Erfgoedvereniging Heemschut in de brief aan het college van 12 februari 2024. Fase 3 wordt vanwege potentiële herbestemmingsmogelijkheden niet in zijn geheel als monument aangemerkt terwijl financiële belangen van derden geen reden kunnen zijn om een deel van een gebouw wel of niet als monument aan te merken.
3.4.
Eiser 2 voert aan dat de redengevende omschrijving een opsomming van punten bevat waarom het gehele pand de bescherming van gemeentelijk monument verdient en dat het tegenstrijdig is dat in de slotalinea daarvan met een beperkte motivering fase 4 en fase 3, voor zover het gymzaal betreft, van wordt teruggekomen. Fase 4 is volgens eiser 2 beschermenswaardig omdat daarmee een functiewijziging van schoolgebouw naar buurthuis werd ingezet waardoor sloop werd voorkomen. Het niet beschermde deel van fase 3 verdient volgens eisers wel monumentale bescherming omdat, afgezien van het cultuurhistorische aspect, de toevoeging van de gymzaal aan de beschermde status bijdraagt aan de compleetheid van het schoolcomplex en noodzakelijk is voor het behoud daarvan. Eiser 2 vindt dat daarom het gehele gebouw monumentale bescherming verdient. Het beperken van de gemeentelijke monumentenstatus tot fase 1 en 2 en deel van fase 3 is gebeurd vanwege potentiële herbestemmingsmogelijkheden en dat zou volgens eiser 2 geen criterium moeten zijn bij de aanwijzing van status van gemeentelijk monument. Tot slot stelt eiser 2 dat fase 4 niet wordt beschermd omdat het een afwijkende bouwstijl heeft terwijl bij herbestemming er waarschijnlijk ook sprake zal zijn van een afwijkende bouwstijl.
3.5.
Eisers voeren gezamenlijk aan dat het dossier drie redengevende omschrijvingen bevat namelijk een document van 14 februari 2022 met als kenmerk “def versie v1.1 – voor beoordeling Mcie”, een document van 18 februari 2022 met kenmerk “vastgestelde versie v2” en een ander document van 18 februari 2022 met kenmerk “vastgestelde versie v2”. In de eerste twee documenten wordt alleen fase 4 uitgesloten van monumentale bescherming terwijl in het derde document fase 3 alleen wordt beschermd voorzover het deel van het gebouw betreft dat in het verlengde ligt van fase 1 en 2. Het heeft er volgens eisers alle schijn van dat in het derde document onregelmatige wijzigingen zijn aangebracht omdat in de notulen van vergadering van het college van 9 maart 2022 staat dat men fases 1, 2 en 3 integraal als monument ging aanwijzen. Het college heeft niet gemotiveerd waarom hij voorbij is gegaan aan het advies van Monumentencommissie fase 1 tot en met 3 integraal aan te wijzen als monument. Ook heeft het college niet gemotiveerd waarom het schoolplein en de gymzaal niet zijn beschermd terwijl verschillende deskundigen de cultuurhistorische waarden daarvan benoemen.
3.6.
Het college stelt zich op het standpunt dat het pand reeds geruime tijd leegstaat en dat daardoor de staat van onderhoud waarin het pand verkeert achteruitgaat. Door het pand te herbestemmen en daarbij niet alle onderdelen van het pand aan te wijzen als gemeentelijk monument wordt het pand aantrekkelijker voor ontwikkelaars om een alternatieve bestemming aan het pand te geven. Daardoor zal het pand beter worden onderhouden en krijgt het dus een toekomst. Monumentenzorg vraagt om het maken van keuzes, omdat niet alle panden kunnen worden bewaard.
Het besluit om het pand gedeeltelijk tot gemeentelijk monument aan te wijzen is zorgvuldig genomen waarbij het college een evenwichtige keuze heeft gemaakt tussen enerzijds zoveel mogelijk behoud van het pand en anderzijds mogelijkheden bieden voor ontwikkeling. Beide wensen leven onder de bevolking. Door het belangrijkste onderdeel van het schoolcomplex aan te wijzen als gemeentelijk monument tracht het college zoveel mogelijk tegemoet te komen aan beide wensen.
Het college heeft niet alleen gekeken naar de waarde van het pand maar stond ook open voor alle andere aspecten die van invloed kunnen zijn op het toekomstig monument. Zo zijn zienswijzen die andere aspecten aankaartten serieus meegewogen. Het pand is inderdaad belangrijk voor de ensemblewaarde van de dorpskern en daarom is het
belangrijkste onderdeel (met hoge monumentale waarden) als monument aangewezen. De aanwijzing als gemeentelijk monument betekent niet dat alle onderdelen beschermd dienen te worden als gemeentelijk monument. In de redengevende omschrijving staat
aangeven dat het achtergelegen gedeelte van fase 3 bij gebrek aan architectonische/ bouwhistorische meerwaarde en omwille van potentiële herbestemmingsmogelijkheden niet wordt aangewezen als monument. Er zitten zeker waarden in fase 3 van het pand, maar omdat deze waarden grotendeels aanwezig zijn in het hoofdpand ziet het college geen meerwaarde in het volledig beschermen van fase 3. Het college erkent dat het achterste deel van fase 3 een belangrijk onderdeel was voor de culturele en sociaaleconomische activiteiten in de gemeenschap en dat de typologie gymzaal niet elders in het pand voorkomt. Dat een deel van het pand niet als gemeentelijk monument is aangewezen hoeft, zo stelt het college, niet te betekenen dat dit deel noodzakelijkerwijs zal worden gesloopt.
Beoordeling
3.7.
Een onroerende zaak kan niet gedeeltelijk worden aangewezen als monument
3.7.1.
Ingevolge artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt onder ‘monument’ verstaan: “onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed”.
3.7.2.
Ingevolge artikel 3.16, eerste lid van Erfgoedwet kan de gemeenteraad een erfgoedverordening vaststellen.
3.7.3.
Ingevolge artikel 1. van de Erfgoedverordening Sint-Michielsgestel (Erfgoedverordening) wordt onder ‘gemeentelijk monument’ verstaan: “monument of archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister”.
3.7.4.
Ingevolge artikel 3 van de Erfgoedverordening kan het college besluiten een monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument.
3.7.5.
In zijn uitspraak van 15 mei 2013 heeft de Afdeling onder meer overwogen dat in de systematiek van (in die betreffende procedure) de Monumentenverordening van de gemeente ‘s-Hertogenbosch een onroerend monument, overeenkomstig hetgeen gebruikelijk is, als geheel als beschermd gemeentelijk monument wordt aangewezen, waarbij uit de redengevende omschrijving blijkt welke onderdelen ervan om welke reden monumentwaardig worden geacht. [1] In deze zaak geldt de Erfgoedverordening, maar die heeft dezelfde systematiek. De Erfgoedverordening spreekt over ‘onroerende zaken’. In het Burgerlijk Wetboek is bepaald wat onroerende zaken zijn en wat zij omvatten. Zaken die ingevolge artikel 3:4 van het Burgerlijk Wetboek naar verkeersopvatting onderdeel uitmaken van de hoofdzaak of daarmee zodanig zijn verbonden dat zij daarvan niet kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een der zaken, genieten dezelfde bescherming als het monument waartoe zij behoren. Het voorgaande geldt, gelet op de systematiek van de Erfgoedverordening, onverkort in het onderhavige geval.
Uit het bestreden besluit en de onderliggende rapporten en overige documenten valt af te leiden dat het achterste deel van bouwfase 3 en bouwfase 4 onlosmakelijk zijn verbonden en aldus deel uitmaken van het overige deel van het pand. Het moet er dus voor gehouden worden dat sprake is van één onroerende zaak, zodat het pand dus ook slechts als geheel, inclusief bouwfases 3 en 4
kánworden aangewezen als gemeentelijk monument. Bij een dergelijke aanwijzing van een onroerende zaak als gemeentelijk monument blijkt vervolgens – zoals hiervoor al is overwogen – uit de redengevende omschrijving welke onderdelen om welke reden monumentwaardig worden geacht. Bij de beoordeling van een eventuele aanvraag voor een vergunning tot het wijzigen van een monument speelt die redengevende omschrijving een rol. [2]
3.7.6.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Het is aan het college om te bepalen of hij al dan niet tot aanwijzing van het gehele pand als gemeentelijk monument wil overgaan of niet. Het college zal een nieuw besluit moeten nemen waarin zij besluit of zij al dan niet wil overgaan tot aanwijzing van het gehele pand. Daarbij is tevens het navolgende van belang.
3.8.
Beleidsvrijheid college bij aanwijzing
3.8.1.
Anders dan eisers verlangen, zijn er echter geen omstandigheden die maken dat het gehele pand móét worden aangewezen als gemeentelijk monument.
3.8.2.
De rechtbank stelt in dat kader voorop dat het college, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), beleidsvrijheid heeft bij de aanwijzing van een zaak als beschermd gemeentelijk monument. Die vrijheid vindt haar begrenzing in de Erfgoedverordening en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
3.9.
Het college kan zich baseren op de rapporten
3.9.1.
In beginsel mag verweerder zich baseren op het advies van deskundigen, tenzij dit naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat verweerder dit advies niet – of niet zonder meer – aan de besluitvorming ten grondslag mocht leggen zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2013. [3]
3.9.2.
In voorbereiding op het aanwijzingsbesluit heeft het college een bouwhistorische quickscan en een bouwhistorische verkenning laten maken door Rothuizen Erfgoed. Rothuizen Erfgoed heeft ook de redengevende omschrijving opgesteld behoudens, zo begrijpt de rechtbank, de laatste alinea die meermaals is gewijzigd. Tijdens de zitting is namens het college aangegeven dat een jurist (van de gemeente) deze laatste alinea heeft toegevoegd en aangepast.
3.9.3.
Eisers hebben ter onderbouwing van hun standpunten over de mate van monumentwaardigheid geen rapport van een deskundige overgelegd. Zij hebben enkel aangevoerd dat in de redengevende omschrijving belangrijke informatie is genegeerd en dat daarin onrechtmatig wijzigingen zijn aangebracht. Dat ziet echter op de laatste alinea van de redengevende omschrijving. De rechtbank is niet gebleken dat de redengevende omschrijving (behoudens voornoemde laatste alinea) en de (bouwhistorische) rapporten waarop de redengevende omschrijving is gebaseerd, naar de inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertonen, dat verweerder deze niet, of niet zonder meer, aan haar besluitvorming ten grondslag mag leggen. Voor de laatste alinea van de redengevende omschrijving geldt dat dus niet. Die is onjuist. Voor het overige geldt dat eisers niet voldoende hebben onderbouwd dat de (bouwhistorische) rapporten en de redengevende omschrijving onjuist zijn. Het college kan dus ook bij een nieuw te nemen besluit de betreffende rapporten (voor wat betreft de redengevende omschrijving dus uitgezonderd de laatste alinea) aan haar besluitvorming ten grondslag leggen.
3.9.4.
Voor wat betreft het schoolplein, waarvan eiser 2 stelt dat dit ook moet worden aangewezen als monument, geldt dat dit niet ook behoort tot dezelfde eenheid (onroerende zaak) als hiervoor bedoeld. Uit de jurisprudentie volgt dat niet het kadastrale perceel grondslag is voor de bescherming van wat zich daarop bevindt, maar dat slechts beschermd is datgene wat als bouwkundige en functionele onlosmakelijke zelfstandige eenheid is genoemd in de redengevende omschrijving. [4] Uit de redengevende omschrijving is af te leiden dat het pand met de vier bouwfases als zelfstandige eenheid moet worden beschouwd. Het schoolplein valt daar niet onder. Het valt ook niet in te zien dat het schoolplein een onlosmakelijk geheel vormt met het pand en dat het schoolplein niet zonder schade aan het pand kan worden verwijderd. Ook voor wat betreft het schoolplein geldt verder dat eisers geen rapport hebben overgelegd waaruit volgt dat dit monumentale waarde heeft en had moeten worden meegenomen in de aanwijzing van het pand als monument.
3.10.
Nieuw advies Monumentencommissie nodig
3.10.1.
Het college zal bij het nieuw te nemen besluit een nieuw advies van de Monumentencommissie moeten vragen. Het advies van de Monumentencommissie gaat namelijk over de (voorgenomen) gedeeltelijke aanwijzing van het pand als gemeentelijk monument en dat kan niet, zoals in deze uitspraak is geoordeeld.
3.11.
Belangenafweging
3.11.1.
In het nieuw te nemen besluit zal het college tevens de belangen moeten afwegen. In de memorie van toelichting bij artikel 3 van de Erfgoedverordening is ten aanzien van die belangenafweging als leidraad opgenomen (onder meer en voor zover hier relevant):
“Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een monument (…) De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument (…)
Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument (…) als beschermd gemeentelijk monument (…) Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve in concreto worden onderzocht. (…)”
3.11.2.
Dit betekent, anders dan eisers stellen, dat de door het college naar voren gebrachte planologische/economische belangen een rol mogen spelen bij de belangenafweging. Het college zal in een nieuw te nemen besluit een nieuwe, gemotiveerde belangenafweging moeten maken.
3.12.
Geen aanleiding voorlopige voorziening
3.12.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, welke suggestie eiser 2 wel doet, in afwachting van een nieuw besluit van het college. Voor zover eiser 2 vreest dat het pand wordt gesloopt, geldt dat juist is besloten het pand niet te slopen en van concrete, acute (her)-ontwikkelingsactiviteiten is de rechtbank ook niet gebleken.

4.Conclusie en gevolgen

4.1.
De beroepen zijn gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat dit genomen is in strijd met artikel 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. De reden daarvoor is dat het college nader onderzoek zal moeten doen en de zaak daarna opnieuw zal moeten beoordelen. Er zijn daarom verschillende uitkomsten van de zaak mogelijk. Gelet op de vrijheid die voor het college bestaat acht de rechtbank zich niet in staat om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal het college opdragen om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen over het al dan niet aanwijzen van het gehele pand als gemeentelijk monument.
4.2.
De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het beroepschrift dat namens Het Groene Hart is ingediend is opgesteld door de gemachtigde van eisers. En eisers hebben de gemachtigde hen laten vertegenwoordigen tijdens de zitting in de samenhangende beroepen. Daarom wordt € 1.868,00 aan proceskosten toegewezen (2 punten van het tarief € 934,00). Van andere vergoedbare proceskosten is de rechtbank niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank
-verklaart de beroepen gegrond;
-vernietigt het bestreden besluit van 5 december 2023;
-draagt het college op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
-bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,00 aan eiser 1 en € 385,00 aan eiser 2 moet vergoeden;
-veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,00 aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.A. Maarschalkerweerd, rechter, in aanwezigheid van R.G. Van der Korput, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.