Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2718

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
23/948
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a:1 WajongArt. 2.4 WajongArt. 1a Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswettenArt. 3:29 WajongArt. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen laattijdige Wajong-uitkering en schadevergoeding

Eisers, als bewindvoerders van hun zoon met ernstige beperkingen door zuurstoftekort bij geboorte, vroegen een Wajong-uitkering aan. Het UWV wees de aanvraag aanvankelijk af omdat niet vaststond dat het arbeidsvermogen duurzaam ontbrak op de aanvraagdatum. Na beroep kende het UWV alsnog een uitkering toe per 22 juli 2024.

De rechtbank oordeelt dat eisers onvoldoende bewijs leverden dat het arbeidsvermogen van hun zoon al op eerdere data duurzaam ontbrak. De hardheidsclausule kan niet worden toegepast omdat de zoon op die momenten niet aan de wettelijke voorwaarden voldeed. Het verzoek om een eerdere ingangsdatum wordt daarom afgewezen.

Daarnaast is er geen procesbelang bij beoordeling van het latere besluit van het UWV om alsnog een uitkering toe te kennen. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat het bestreden besluit niet onrechtmatig is en eisers geen nadere onderbouwing van schade hebben gegeven.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Eisers krijgen geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van het UWV wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 23/948

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 in de zaak tussen

[eiser 1]en
[eiser 2], uit [woonplaats] , in hun hoedanigheid van bewindvoerders van hun zoon [naam] , eisers
(gemachtigde: mr. C. Steijgerwalt),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de besluitvorming van het UWV om aan de zoon van eisers [naam] niet eerder dan per 22 juli 2024 een uitkering toe te kennen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
1.1.
De zoon van eisers lijdt aan diverse forse beperkingen als gevolg van zuurstoftekort bij zijn geboorte. Het is de rechtbank duidelijk dat dit voor zowel de zoon van eisers als eisers zelf levensbepalend is geweest en altijd zal blijven. Het verdriet hierover en de zorgen over wat hen in het verdere leven nog staat te wachten, zijn waarschijnlijk op geen enkele manier weg te nemen. Het is de rechtbank ook duidelijk dat eisers uit liefde voor hun zoon proberen om alles te doen wat in hun mogelijkheden ligt zodat zij hun zoon de best mogelijke (blijvende) ondersteuning kunnen bieden. Deze heel invoelbare wens staat in een complex contrast met wat de rechtbank in deze zaak moet doen. De rechtbank kan niet het verdriet en de zorgen over het verleden en de toekomst wegnemen. Zij moet ‘slechts’ beoordelen of het UWV terecht en op goede gronden heeft geconcludeerd dat de zoon van eisers niet eerder dan per 22 juli 2024 recht heeft op een Wajong-uitkering.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de zoon van eisers niet eerder dan per 22 juli 2024 recht heeft op een Wajong-uitkering. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dat heeft.
1.3.
Onder overweging 2. tot en met 2.12. staat het procesverloop in deze zaak. De feiten staan in overweging 3. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf overweging 4. tot en met 9. Daar gaat de rechtbank in op de beroepsgronden die eisers in deze procedure naar voren brengen. In overweging 10. beoordeelt de rechtbank het verzoek van eiseres om schadevergoeding. In overweging 11. staan de beslissingen van de rechtbank samengevat en wat de gevolgen daarvan zijn.

Procesverloop

2. Deze zaak is begonnen met een aanvraag van eiseres om aan hun zoon een Wajong-uitkering toe te kennen.
2.1.
Met het besluit van 2 februari 2022 heeft het UWV deze aanvraag afgewezen.
2.2.
Met het besluit van 23 februari 2023 is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.3.
Eisers hebben tegen het besluit van 23 februari 2023 beroep ingesteld.
2.4.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
2.6.
Met het besluit van 29 juli 2025 heeft het UWV aan de zoon van eisers per 22 juli 2024 een Wajong-uitkering toegekend.
2.7.
Eisers hebben op het besluit van 29 juli 2025 gereageerd en vervolgens diverse nadere stukken ingediend.
2.8.
De rechtbank heeft op 29 september 2025 een comparitiezitting gehouden. Hieraan hebben de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het UWV deelgenomen. Van de comparitiezitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is verzonden.
2.9.
Eisers hebben naar aanleiding van de comparitiezitting met een nader stuk hun standpunten verder onderbouwd.
2.10.
Het UWV heeft schriftelijk op het nader stuk van eisers gereageerd.
2.11.
Eisers hebben schriftelijk op de reactie van het UWV gereageerd.
2.12.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een (nadere) zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat beide partijen daarmee hebben ingestemd, heeft de rechtbank het onderzoek op 18 maart 2026 gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

De feiten

3. [naam] is de zoon van eisers. Hij is geboren op [geboortedatum] 2001 en heeft dus op [geboortedatum] 2019 de leeftijd van 18 jaar bereikt. Eisers hebben op 3 augustus 2021 bij het UWV een ‘Aanvraag beoordeling arbeidsvermogen’ ingediend. In de aanvraag hebben zij vermeld dat hun zoon in aanmerking wil komen voor een Wajong-uitkering. Vervolgens heeft het UWV een medisch onderzoek en een arbeidskundig onderzoek verricht. Dit heeft geleid tot de besluitvorming zoals opgenomen onder het kopje ‘Procesverloop’.

Beoordeling door de rechtbank

Vooraf
4. Tot aan de comparitiezitting is deze procedure gevoerd namens [naam] . Na de comparitiezitting is gebleken dat [naam] (nog altijd) onder bewind van zijn ouders staat (die dus door de rechtbank zijn aangewezen als zijn bewindvoerders). Dit betekent dat de procedure van meet af aan door de bewindvoerders had moeten worden gevoerd. Vanwege de nauwe familiaire band tussen eisers en hun zoon, de omstandigheden die tot het bewind hebben geleid en doordat het UWV hierdoor niet in zijn belangen wordt geschaad zal de rechtbank het ervoor houden dat de procedure van meet af aan door eisers is gevoerd.
Het beoordelingskader
5. Om een Wajong-uitkering te kunnen krijgen moet degene voor wie de uitkering wordt aangevraagd geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) hebben. Ook moet dat arbeidsvermogen duurzaam ontbreken. [1] Duurzaam betekent dat er geen mogelijkheden zijn om arbeidsvermogen te ontwikkelen. [2]
5.1.
Degene voor wie de uitkering wordt aangevraagd heeft geen arbeidsvermogen als hij: [3]
  • a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;
  • b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;
  • c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of;
  • d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is (tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur).
Het UWV moet dus beoordelen of degene voor wie de uitkering wordt aangevraagd voldoet aan (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. Is dat het geval, dan heeft degene geen arbeidsvermogen. De beoordeling van het arbeidsvermogen is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
5.2.
Eisers hebben de aanvraag ingediend ruim nadat hun zoon de leeftijd van 18 jaar bereikte. Dat wordt een laattijdige aanvraag genoemd. Bij een laattijdige aanvraag moet ook beoordeeld worden of de zoon van eisers op enig moment binnen vijf jaar na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar alsnog jonggehandicapte is geworden. [4] In het geval van de zoon van eisers loopt deze periode dus vanaf [geboortedatum] 2019 tot en met [datum] 2024. Verder liggen de bewijslast en het bewijsrisico bij een laattijdige aanvraag bij eisers, omdat een medisch beeld met het verstrijken van de jaren steeds moeilijker is vast te stellen.
5.3.
Eisers vinden dat hun zoon recht heeft op een Wajong-uitkering met ingang van drie verschillende data in de hiervoor in overweging 5.2. genoemde periode. Allereerst is dat [geboortedatum] 2019, de datum waarop de zoon van eisers 18 jaar werd. Als de rechtbank hen daarin niet volgt, bepleiten eisers een ingang van de uitkering per 3 augustus 2020. Deze datum ligt een jaar voor het indienen van de aanvraag voor de Wajong-uitkering. Als laatste datum bepleiten eisers een ingang van de Wajong-uitkering per 3 augustus 2021, de datum waarop zij de aanvraag voor de Wajong-uitkering hebben ingediend. Gelet hierop zal de rechtbank beoordelen of het UWV de Wajong-uitkering van de zoon van eisers per een van deze drie data had moeten toekennen.
Het besluit van 23 februari 2023
6. De rechtbank zal allereerst uitleggen waarom zij vindt dat de Wajong-uitkering van de zoon van eisers niet per de aanvraagdatum van 3 augustus 2021 kan worden bepaald.
6.1.
Eisers stellen dat de gezondheidstoestand van hun zoon vanaf zijn geboorte dusdanig is geweest dat hij nimmer arbeidsvermogen heeft gehad en ook niet heeft kunnen ontwikkelen. Hun zoon heeft bij zijn geboorte ernstig zuurstoftekort gehad en zijn huidige medische toestand is daar geheel op terug te voeren. Op het moment van het doen van de aanvraag ontbrak bij hem al arbeidsvermogen en was dat ook (al geruime tijd) duurzaam. Ter onderbouwing wordt verwezen naar het rapport van C.C.S. Delnooz, neuroloog, van 18 juli 2025, het rapport van R. van Engelen, medisch adviseur, van 22 september 2025 en S.H.J. Zeges, kinderarts sociale pediatrie, van 12 december 2025.
6.2.
Het UWV stelt niet ter discussie dat het ernstig zuurstoftekort bij de geboorte van de zoon van eisers tot diverse medische aandoeningen heeft geleid. De verzekeringsarts bezwaar & beroep (B&B) merkt in haar rapportages van 2 september 2025 en 12 november 2025 op dat is onderkend dat de zoon van eisers in het verleden wegrakingen heeft gehad, maar dat niet is aan te tonen dat bij hem per datum van het 18e levensjaar al duurzaam het arbeidsvermogen ontbrak. Voor de verzekeringsarts B&B staat vast dat de zoon van eisers op de rapportagedata geen arbeidsvermogen heeft en dat dit inmiddels ook duurzaam is. Wat volgens de verzekeringsarts B&B niet duidelijk uit de medische informatie blijkt, is op welk moment de duurzaamheid is komen vast te staan. Zij wijst erop dat uit de medische informatie in het dossier naar voren komt dat de medische situatie van de zoon van eisers de voorbije jaren steeds is verslechterd. Zo blijkt uit de medische informatie van onder meer de kinderarts/kinderneurologen, medisch adviseur Engelen van (7 januari 2025) en het rapport van de verzekeringsarts B&B van 24 juli 2025 dat de zoon van eisers in het verleden ook progressie van de spelende pathologie heeft meegemaakt en het in de loop der jaren steeds slechter is gegaan. Dit geldt volgens de verzekeringsarts B&B ook ten aanzien van de PNEA-klachten (nadien geduid als FNS). In het rapport van de arbeidsdeskundige B&B van 23 februari 2023 staat dat de zoon van eisers in het verleden een scooterrijbewijs heeft behaald en in de praktijk heeft laten zien zelfstandig met de scooter te kunnen rijden. Inmiddels is de zoon van eisers rolstoel gebonden. Alles afwegende ziet de verzekeringsarts B&B de beste objectivering voor het vaststellen van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen op de datum waarop aan de zoon van eisers een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (WLZ) is afgegeven, te weten 22 juli 2024. De verzekeringsarts B&B overweegt in haar rapport van 24 juli 2025 dat een dergelijke indicatiestelling daarvoor op zich niet maatgevend is, maar dat die in dit geval wel als de hiervoor bedoelde objectivering kan dienen. De verzekeringsarts B&B overweegt daartoe dat voor de indicatiestelling op grond van de WLZ vereist is dat de zoon van eisers hulp nodig heeft bij algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL-afhankelijkheid) en dat de indicatiestelling ook voor onbepaalde tijd is afgegeven. Verder is onvoldoende medische informatie beschikbaar om te kunnen vaststellen welke beperkingen de zoon van eisers concreet had bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. Dit is de reden dat het UWV met het verderop te bespreken besluit van 29 juli 2025 alsnog een Wajong-uitkering aan de zoon van eisers heeft toegekend per 22 juli 2024.
6.3.
Eisers zijn het niet eens met wat de verzekeringsarts B&B zegt. Zij vinden haar motivering op punten onjuist en ook zou zij de standaard duurbelasting in arbeid niet goed toepassen; eisers vinden dat hun zoon op preventieve gronden geen arbeidsvermogen heeft.
6.4.
De rechtbank overweegt als volgt.
6.4.1.
Zoals hiervoor is opgemerkt (in overweging 5.2.) hebben eisers de bewijslast om aannemelijk te maken op welk moment de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen is ingetreden. Zij dragen ook het bewijsrisico, wat betekent dat niet in hun standpunt kan worden meegegaan op het moment dat zij niet in hun bewijslast slagen. Eisers leggen uitvoerig uit waarom zij het niet met de verzekeringsarts B&B eens zijn, maar gaan er met die benadering aan voorbij dat het eerst aan hen is om bewijs te leveren van de stelling dat bij hun zoon op de datum van de aanvraag duurzaam het arbeidsvermogen ontbrak. Dat bewijs is niet geleverd.
6.4.2.
Eisers hebben wel veel medische informatie overgelegd en wijzen erop dat hun zoon sinds zijn geboorte aan ernstige gezondheidsproblemen lijdt. Het klopt ook dat dit uit de medische informatie blijkt, maar daarover bestaat tussen partijen helemaal geen verschil van inzicht. Het UWV erkent dat daarvan sprake is. Maar wat uit het dossier blijkt – en eisers benoemen dat zelf ook – is dat met tijdsverloop (ook de afgelopen jaren) de medische situatie van hun zoon is verslechterd. Ervan uitgaande dat bij de zoon van eisers op 22 juli 2024 duurzaam arbeidsvermogen ontbrak, kan dus niet zonder nadere medische onderbouwing worden gezegd dat daarvan ook bijna drie jaar eerder (te weten op 3 augustus 2021) al sprake was.
6.4.3.
Daarmee is dus helemaal niet gezegd dat er met de zoon van eisers op dat moment niets aan de hand zou zijn. Wat er wel mee is gezegd, is dat eisers niet met medische informatie aannemelijk hebben kunnen maken dat de gezondheidssituatie van hun zoon op de datum van de aanvraag al dusdanig slecht was dat bij hem duurzaam arbeidsvermogen ontbrak.
6.5.
Eisers hebben de rechtbank nog verzocht een deskundige te benoemen. Dat verzoek wijst de rechtbank af. Eisers hebben niet gesteld en het is ook niet gebleken dat zij in bewijsnood verkeren. Zij hebben medische informatie kunnen inbrengen en ook ingebracht die naar zijn aard geschikt is om twijfel te zaaien over de medische beoordeling door het UWV. Verder bestaat er ook geen aanleiding om te oordelen dat het onderzoek door het UWV onzorgvuldig is geweest. De beschikbare medische informatie is kenbaar betrokken in de beoordeling door de verzekeringsartsen (B&B) en uit hun rapportages blijkt dat zij zelf ook onderzoek hebben verricht. Uit wat hiervoor is overwogen volgt verder ook dat er voor de rechtbank onvoldoende aanleiding is om aan de juistheid van de medische beoordeling door het UWV te twijfelen.
6.6.
Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat het UWV er terecht en op goede gronden van heeft afgezien om de zoon van eisers per 3 augustus 2021 een Wajong-uitkering toe te kennen.
7. Eisers vinden ook dat aan hun zoon een Wajong-uitkering moet worden toegekend per [geboortedatum] 2019 (de dag waarop hun zoon 18 jaar is geworden) dan wel per 3 augustus 2020 (een jaar voor de dag waarop de aanvraag werd ingediend).
7.1.
Eisers zijn ervan op de hoogte dat in de wet staat dat een Wajong-uitkering niet eerder wordt toegekend dan op de dag waarop de aanvraag is gedaan. [5] Het UWV heeft echter ook de bevoegdheid om zonder een aanvraag (dus ambtshalve) een Wajong-uitkering vast te stellen als sprake is van een ‘kennelijke hardheid’. [6] Volgens eisers is daarvan sprake en zij doen daarom een beroep op deze hardheidsclausule.
7.2.
De rechtbank volgt eisers hierin niet. Uit de wet volgt dat de in overweging 7.1. genoemde hardheidsclausule niet van toepassing is als sprake is van een Wajong-uitkering die is toegekend naar aanleiding van een aanvraag. [7] De hardheidsclausule is alleen van toepassing als het indienen van een aanvraag niet vereist is, omdat het UWV het recht op een Wajong-uitkering ambtshalve had moeten vaststellen. [8] De hardheidsclausule maakt het dus alleen mogelijk om onder genoemde omstandigheden een Wajong-uitkering eerder in te laten gaan (dan de aanvraagdatum). Op die eerdere ingangsdatum moet degene voor wie de Wajong-uitkering wordt aangevraagd – in dit geval de zoon van eisers – dan wel voldoen aan de (in overweging 5.1. genoemde) wettelijke voorwaarden. De hardheidsclausule is dus niet bedoeld om een Wajong-uitkering toe te kennen aan iemand die op dat moment (nog) niet aan die voorwaarden voldoet.
7.3.
Uit wat hiervoor (in de overwegingen 6.1. tot en met 6.6.) is overwogen, volgt dat de zoon van eisers met zijn medische situatie op 3 augustus 2021 (nog) niet aan de wettelijke voorwaarden voldeed om een Wajong-uitkering te krijgen. Dat geldt dan logischerwijs ook voor een eerder in de tijd gelegen moment – in dit geval [geboortedatum] 2019 dan wel 3 augustus 2020 – omdat de medische situatie van de zoon van eisers vóór 3 augustus 2021 niet slechter was. Dit betekent dat de hardheidsclausule in het geval van de zoon van eisers niet kan worden toegepast, omdat hij met zijn medische situatie op de genoemde data niet voldeed aan de wettelijke voorwaarden om een Wajong-uitkering te krijgen.
7.4.
Eisers doen ook nog een beroep op artikel 3:29, tweede lid, van de Wajong. Dit artikel gaat over de ingangsdatum van de Wajong-uitkering, maar is in het geval van de zoon van eisers niet van toepassing. Dit artikel geldt (net als de overige bepalingen van hoofdstuk 3 van de Wajong) namelijk alleen voor jonggehandicapten die vóór 2010 zijn ingestroomd in de Wajong. Dat is in het geval van de zoon van eisers – waarvoor de Wajong 2015 geldt – niet aan de orde.
7.5.
Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat het UWV er terecht en op goede gronden van heeft afgezien om de zoon van eisers per [geboortedatum] 2019 dan wel per 3 augustus 2020 een Wajong-uitkering toe te kennen.
Het besluit van 29 juli 2025
8. Het UWV heeft met het besluit van 29 juli 2025 alsnog een Wajong-uitkering aan de zoon van eisers per 22 juli 2024. Het UWV heeft hiermee uitvoering gegeven aan zijn (in overweging 5.2. genoemde) verplichting om te beoordelen of de zoon van eisers op enig moment binnen vijf jaar na zijn 18e verjaardag alsnog jonggehandicapte is geworden.
8.1.
Het beroep van eisers heeft daarmee ook betrekking op het besluit van 29 juli 2025, tenzij zij daarbij onvoldoende belang hebben. [9] De rechtbank is van oordeel dat eisers daarbij onvoldoende belang hebben. Daarvoor heeft de rechtbank de volgende motivering. Eisers bestrijden de rechtmatigheid van dit besluit niet; zij zijn het er namelijk mee eens dat aan hun zoon een Wajong-uitkering wordt toegekend. Zij vinden echter dat dit per een eerdere datum moet gebeuren. Dat standpunt heeft de rechtbank al beoordeeld in het kader van het beroep tegen het besluit van 23 februari 2023 en zij komt tot de conclusie dat eisers hierin niet kunnen worden gevolgd.
8.2.
Bij deze stand van zaken hebben eisers geen procesbelang bij een beoordeling van het besluit van 29 juli 2025. Door een beoordeling van dit besluit kunnen zij – dan wel hun zoon – namelijk niet in een juridisch betere positie terechtkomen. Vanwege dit gebrek aan procesbelang, heeft het beroep van eisers niet mede betrekking op het besluit van 29 juli 2025. Dit betekent dat de rechtbank niet hoeft te beoordelen of dit besluit rechtmatig is.
Uitkomst van de beoordeling
9. De slotsom is dat het UWV terecht en op goede gronden heeft besloten om aan de zoon van eisers niet een Wajong-uitkering toe te kennen per één van de drie door hen genoemde data.
Het verzoek om schadevergoeding
10. Eisers verzoeken (in hun reactie op het verweerschrift van het UWV van 20 februari 2025) om toekenning van smartengeld. De rechtbank vat dit op als een verzoek om schadevergoeding. De rechtbank wijst dit verzoek af, omdat de door het UWV in deze procedure genomen besluiten niet onrechtmatig zijn. Om die reden is het toekennen van schadevergoeding niet mogelijk. Overigens hebben eisers ook niet verder toegelicht waaruit hun door het UWV veroorzaakte schade bestaat en wat daarvan de onderbouwing is.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Dit betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eiseres krijgen daarom het griffierecht niet terug en geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. L.T.H. Verhagen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Artikel 1a:1, eerste lid, onder a, van de Wajong in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, van de Wajong.
2.Artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong in samenhang met artikel 2.4, tweede lid, van de Wajong.
3.Artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.
4.Artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong.
5.Artikel 1a:11, tweede lid, van de Wajong.
6.Artikel 1a:11, vierde lid, van de Wajong.
7.Centrale Raad van Beroep 1 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1060, overweging 4.5.
8.Centrale Raad van Beroep 1 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1060, overweging 4.6 en Centrale Raad van Beroep 11 maart 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:267, overweging 5.3.
9.Artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).