Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2722

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
C/01/416979 / HA ZA 25-437
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 IVRKArt. 284 SrArt. 285 SrArt. 317 SrArt. 5 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige aanhouding minderjarige door inzet AOT zonder belangenafweging

Eiser, destijds 15 jaar oud, werd aangehouden en in verzekering gesteld op verdenking van bedreiging en afpersing. Het Openbaar Ministerie besloot later tot sepot wegens onvoldoende bewijs. Eiser stelde dat de Staat onrechtmatig handelde door de inzet van strafvorderlijke dwangmiddelen, met name dat zijn belangen als minderjarige niet zijn meegewogen bij de aanhouding door een Aanhoudings- en Ondersteuningsteam (AOT).

De rechtbank toetste de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling niet vanwege het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, maar oordeelde dat de aanhouding onrechtmatig was omdat niet is komen vast te staan dat de belangen van eiser als minderjarige zijn meegewogen, wat in strijd is met artikel 3 van Pro het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). De Staat kon niet aannemelijk maken dat de minderjarigheid bekend was bij de officier van justitie die de aanhouding beval.

De rechtbank verwierp de stelling dat eiser onschuldig was, omdat het bezit van een telefoon waarmee bedreigingen werden verstuurd een aanwijzing vormde. De Staat werd veroordeeld tot schadevergoeding voor de onrechtmatige aanhouding, met verwijzing naar de schadestaatprocedure, en tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: De Staat is aansprakelijk voor de onrechtmatige aanhouding van eiser als minderjarige en moet hem schadevergoeding betalen.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/416979 / HA ZA 25-437
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. T.B. Goemans,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (JUSTITIE EN VEILIGHEID),
te 's-Gravenhage,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Staat,
advocaten: mrs. L. Sieverink en M.N. Schouten.
De zaak in het kort
1.1. [eiser] is op 15-jarige leeftijd aangehouden en in verzekering gesteld op verdenking van onder meer bedreiging en afpersing. Nadien heeft het Openbaar Ministerie besloten [eiser] niet te vervolgen en de zaak tegen hem te seponeren.
1.2. [eiser] stelt dat de Staat onrechtmatig tegen hem gehandeld heeft door de inzet van strafvorderlijke dwangmiddelen. Concreet verwijt [eiser] de Staat dat bij zijn aanhouding niet de vereiste belangenafweging in verband met zijn minderjarigheid heeft plaatsgevonden en dat hij in verzekering is gesteld voordat het dwangmiddel ophouden voor onderzoek volledig was benut.
1.3. De rechtbank stelt [eiser] grotendeels in het gelijk en veroordeelt de Staat tot betaling van schadevergoeding (nader op te maken bij staat). De rechtbank zal de gevorderde verklaringen voor recht wel afwijzen. De rechtbank komt namelijk niet tot het oordeel dat het aanvangen en voortzetten van de vervolging onrechtmatig was. Ook komt zij niet tot het oordeel dat [eiser] ’s onschuld uit het strafdossier en de overige gedingstukken is gebleken en dat de Staat daarom onrechtmatig gehandeld heeft. De rechtbank komt echter wel tot het oordeel dat
de manier waarop[eiser] is aangehouden onrechtmatig was, omdat niet is komen vast te staan dat de belangen van [eiser] als minderjarige zijn meegewogen bij de beslissing om hem door een AOT aan te laten houden.

2 2. De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 juni 2025, met 21 producties (de dagvaarding is uitgebracht namens [A] en [B] als wettelijke vertegenwoordigers van [eiser] , omdat [eiser] op dat moment nog minderjarig was);
- de conclusie van antwoord met 5 producties;
- de akte waarbij mr. Goemans de schorsing van het geding heeft ingeroepen, omdat [eiser] meerderjarig is geworden;
- de akte waarbij mr. Goemans de procedure met instemming van de wederpartij op naam van [eiser] heeft hervat in de stand waarin deze zich bevond;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling zal worden gehouden;
- het proces-verbaal van die mondelinge behandeling op 27 februari 2026.
2.2.
Ten slotte is bepaald dat de rechtbank vandaag vonnis zal wijzen.

3.De feiten

3.1.
De heer [C] heeft op 4 april 2023 aangifte gedaan. Hij verklaarde eigenaar te zijn van de winkel " [naam bedrijf C] " en stelde dat in november 2022 twee mannen zijn winkel zijn binnengedrongen na telefonisch contact, waarna hij onder bedreiging een bus met circa 1.000 kilo vuurwerk moest inladen. Kort daarna werd hij gebeld en kreeg hij te horen dat de bus in beslag was genomen, alsmede een bedrag van € 50.000, dat zich in de bus bevond. Enkele dagen later verschenen vier mannen op het terrein van zijn winkel in [plaats] en werd hij bedreigd met een vuurwapen en gedwongen € 50.000 te betalen.
3.2.
[C] is later nogmaals gehoord door de politie. Hij verklaarde daar nog steeds bedreigende chatberichten te ontvangen.
3.3.
Er is vervolgens een strafrechtelijk onderzoek gestart. Uit een strafrechtelijk onderzoek van de politie Zeeland-West-Brabant en het Team Criminele Inlichtingen Midden Nederland zijn verschillende familieleden van [eiser] als verdachten van dwang, afpersing en bedreiging in vereniging naar voren gekomen. Een van de verdachten was de neef van [eiser] .
3.4.
Op 18 april 2023 heeft tussen 17.00 u en 18.00 u een observatie plaatsgevonden van de neef. De neef bevond zich bij het ouderlijk huis van [eiser] , waar [eiser] op dat moment ook was. Vastgesteld werd dat twee van de telefoonnummers, die gebruikt waren voor het versturen van bedreigende chatberichten, zich in de omgeving van [eiser] en zijn neef bevonden. Ook werd vastgesteld dat de neef met een telefoon bezig was. Vanaf de andere telefoon die zich in de omgeving van [eiser] en zijn neef bevond, zijn tijdens de observatie bedreigende berichten gestuurd.
3.5.
Op 19 april 2023 heeft de hoofdofficier van justitie toestemming gegeven voor de aanhouding van de neef door een Aanhoudings- en Ondersteuningsteam (“AOT”). Het AOT heeft de neef op diezelfde dag aangehouden bij het ouderlijk huis van [eiser] . [eiser] was daar bij. Tijdens de aanhouding is vastgesteld dat één van de telefoons, waarvandaan bedreigingen gestuurd zijn, op dat moment in het bezit van [eiser] was. Het AOT heeft na telefonisch overleg met de officier van justitie om 15.40 u ook [eiser] aangehouden. [eiser] was op dat moment 15 jaar oud. Na de aanhouding heeft het AOT [eiser] met een zak over zijn hoofd, in een onopvallend voertuig naar het politiebureau in Tilburg overgebracht. Daar is hij om 16:25 u aangekomen. Om 17:20 u is [eiser] voorgeleid aan een hulpofficier van justitie, die om 17.25 u heeft bevolen dat hij zou worden opgehouden voor nader onderzoek en verhoor. Tussen 20.40 u en 21.18 u is [eiser] verhoord in aanwezigheid van zijn vader en zijn advocaat.
3.6.
Het proces verbaal van aanhouding van [eiser] luidt onder meer als volgt:
REDEN VAN AANHOUDING
De aanhouding vond plaats in opdracht van mr. M. Janssen, officier van justitie van het parket Zeeland-West-Brabant en werd verricht op grond van artikel 284, artikel 285 en Pro artikel 317 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
INZET AOT
Door mr. M. Fröberg, hoofdofficier van justitie van het parket Zeeland-West-Brabant werd de inzet van een AOT goedgekeurd. Zij oordeelde dat de inzet van de AOT noodzakelijk was omdat redelijkerwijs mocht worden aangenomen dat levensbedreigende omstandigheden tegen de politie of anderen dreigden.”
3.7.
Op 20 april 2023 om 10.25 u is [eiser] in verzekering gesteld. De Raad voor de Kinderbescherming is bij die gelegenheid gevraagd advies uit te brengen. Tussen 11.00 u en 12.55 u is [eiser] bijgestaan door zijn advocaat en in het bijzijn van zijn moeder een tweede keer gehoord.
3.8.
Op 21 april 2023 is [eiser] voorgeleid aan de rechter-commissaris ter beoordeling van de vordering tot bewaring van [eiser] en van de rechtmatigheid van zijn inverzekeringstelling. De beslissing van de rechter-commissaris, het dictum, luidt als volgt:
“De rechter-commissaris deelt de volgende beslissing(en) mee:
  • oordeelt de inverzekeringstelling rechtmatig:
  • wijst de vordering tot bewaring toe en verleent een bevel tot bewaring van de
verdachte.
-
wijst het verzoek tot schorsing toe.”
3.9.
Op 28 maart 2024 heeft het Openbaar Ministerie [eiser] medegedeeld dat hij niet vervolgd zal worden, omdat er onvoldoende bewijs tegen hem is.
3.10.
Een psycholoog heeft [eiser] onderzocht en naar aanleiding daarvan in november 2024 het volgende gerapporteerd:
“Tijdens het incident heeft [eiser] zich heel angstig gevoeld. Hij geeft aan dat er wel werd
geroepen dat het politie was, maar voor hem voelde het als een ontvoering aangezien de
politie in burgerkleding waren. Ook in de cel was er veel onduidelijk voor hem en wist hij
niet wat hij kon geloven.Samenvattend heeft [eiser] bij het incident veel angst ervaren en gedachten gehad te
worden ontvoerd, waarbij hij verwond is. (…) Concluderend is er sprake van een posttraumatische-stressstoomis (PTSS) volgens de DSM-V classificatie.”

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert dat de rechtbank voor recht verklaart:
- dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door zijn strafrechtelijke vervolging te beginnen en voort te zetten en
- dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem omdat [eiser] ’s onschuld uit het strafdossier en de overige gedingstukken is gebleken.
4.2.
[eiser] heeft verder gevorderd de Staat te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, verwijzing naar de schadestaatprocedure dus.
4.3.
De Staat vindt dat de rechtbank de vorderingen van [eiser] moet afwijzen en voert daar verweer tegen. De rechtbank zal de stellingen van partijen, voor zover nodig, bespreken bij de beoordeling van de vorderingen.

5.De beoordeling

5.1.
Ter beantwoording staat de vraag of de Staat onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door de inzet van bepaalde strafvorderlijke dwangmiddelen.
Toetsingskader5.2. De Staat is verantwoordelijk voor het optreden van het Openbaar Ministerie en de politie bij het verrichten van een strafrechtelijk onderzoek. Die verantwoordelijkheid wordt beheerst door de zogeheten Begaclaim-criteria (HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956). Die criteria bepalen dat de Staat alleen aansprakelijk is voor schade door strafrechtelijk optreden als:
a. a) dat optreden in strijd was met een publiekrechtelijke rechtsnorm, neergelegd in de wet of in het ongeschreven recht; of
b) uit de uitspraak van de strafrechter of uit de stukken van de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak blijkt van de onschuld van de verdachte.
5.3.
Als een van deze gronden van toepassing is, heeft de Staat onrechtmatig gehandeld en moet hij de schade die de (voormalige) verdachte daardoor heeft geleden vergoeden. [eiser] vindt dat beide gronden in zijn situatie van toepassing zijn.
a-grond: strijd met publiekrechtelijke rechtsnorm
5.4.
[eiser] heeft allereerst gesteld dat zijn aanhouding en de daarop volgende inverzekeringstelling onrechtmatig zijn.
De rechtbank toetst de inverzekeringstelling niet
5.5.
Voor wat betreft de inverzekeringstelling stelt [eiser] dat andere dwangmiddelen niet volledig waren benut toen de officier van justitie besloot hem in verzekering te stellen. De inverzekeringstelling zou daarom onrechtmatig zijn. De rechter-commissaris heeft de rechtmatigheid van zijn inverzekeringstelling echter al beoordeeld en is tot het oordeel gekomen dat die inverzekeringstelling rechtmatig was (zie rechtsoverweging 3.8). De rechtbank gaat daar dan ook vanuit. Dat doet zij, omdat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen met zich meebrengt dat de rechtbank als civiele rechter hierover niet nog een keer een oordeel geeft. Dat zou namelijk neerkomen op een verkapt hoger beroep tegen de beslissing van de rechter-commissaris in een situatie dat de wet daarvoor geen ruimte biedt, bijvoorbeeld omdat de termijn voor het instellen van hoger beroep verstreken is of omdat hoger beroep helemaal niet openstaat tegen die specifieke beslissing (vgl. HR 27 januari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0608 en concl. G. Snijders , 10 maart 2023, ECLI:NL:PHR:2023:332). Dat zogeheten gesloten stelsel van rechtsmiddelen kan in uitzonderlijke gevallen doorbroken worden, als aannemelijk is dat bepaalde waarborgen voor een eerlijk proces, zoals bijvoorbeeld artikel 5 of Pro 6 EVRM, geschonden zijn. Maar voor die conclusie heeft [eiser] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld.
De rechtbank toetst de aanhouding
5.6.
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen ziet alleen op wat de rechter-commissaris in het dictum van de beschikking, overwogen heeft. Het is geen synoniem voor het gezag van gewijsde dat toekomt aan de overwegingen waarop het dictum (de eigenlijke beslissing van de uitspraak) berust (vgl. concl. G. Snijders 31 mei 2024, ECLI:NL:PHR:2024:582). Het dictum van de beschikking heeft geen betrekking op de aanhouding van [eiser] (zie rechtsoverweging 3.8). Daar komt bij dat de rechter-commissaris in zijn beschikking ook niet ingaat op de aanhouding en de wijze waarop dat is gebeurd. De rechtbank zal dan ook een oordeel geven over de rechtmatigheid van de aanhouding van [eiser] .
5.7.
[eiser] heeft gesteld dat de aanhouding door het AOT in strijd was met een aantal publiekrechtelijke verdragsnormen, waaronder artikel 3 van Pro het Internationale Verdrag van de Rechten van het Kind (“IVRK”). In dit artikel staat dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen.
Volgens vaste rechtspraak heeft artikel 3 IVRK Pro rechtstreekse werking, in die zin dat daaruit volgt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken. Hoe dat belang moet worden meegewogen is afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval, maar dát het moet worden meegewogen staat vast.
5.8.
De rechtbank begrijpt uit het rapport van de psycholoog en uit de verklaring van [eiser] ter zitting dat de aanhouding door een AOT waarbij een zak over zijn hoofd is geplaatst en hij door politie in burgerkleding is meegenomen, voor hem als traumatiserend is ervaren. Volgens [eiser] heeft de Staat zijn belangen als minderjarige bij deze manier van aanhouding niet meegewogen. [eiser] heeft gesteld dat de Staat niet onderbouwd heeft dat de aanhouding door een AOT de enige mogelijke maatregel was. De Staat heeft, volgens [eiser] , geen inspanningen geleverd om andere, minder ingrijpende, maatregelen te onderzoeken, bijvoorbeeld hem op te laten halen door een opvallende politieauto of zich vrijwillig te laten melden op politiebureau met één van zijn ouders. De Staat heeft bij de aanhouding van [eiser] dus in strijd gehandeld met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, waarbij de belangen van [eiser] als minderjarige expliciet meegewogen hadden moeten worden, aldus [eiser] .
5.9.
Om te beoordelen of een beslissing onrechtmatig is wegens strijd met de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit moet de rechtbank beoordelen of de officier van justitie met de kennis van dat moment in redelijkheid tot deze beslissing had kunnen komen. De rechtbank toetst dat terughoudend. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt namelijk dat het Openbaar Ministerie veel beoordelings- en beleidsruimte heeft bij dit soort beslissingen. De civiele rechter kan alleen ingrijpen, als de keuzes van het Openbaar Ministerie in redelijkheid niet navolgbaar, en dus onbegrijpelijk, zijn.
5.10.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is dus of [eiser] ’s belangen als minderjarige (voldoende) zijn meegewogen bij de beslissing hem door een AOT te laten aanhouden en of in dat kader de keuze van het Openbaar Ministerie in redelijkheid navolgbaar is. Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat uit het proces-verbaal van aanhouding en de andere stukken van het strafdossier niet blijkt dat op het moment van aanhouding een belangenafweging in het kader van [eiser] ’s minderjarigheid heeft plaatsgevonden. [eiser] heeft gesteld dat in elk geval bij de officier van justitie die de beslissing tot aanhouding heeft genomen niet bekend was dat hij minderjarig was. De Staat heeft dat onvoldoende onderbouwd betwist. Ter zitting heeft de Staat enkel aangegeven ‘ervan uit te gaan’ dat de minderjarigheid bij de officier van justitie bekend was, maar hoe de officier van justitie hiermee bekend is geraakt, heeft de Staat niet toegelicht. Op de vraag of de identiteit van [eiser] ter plaatse is vastgesteld of later (bijvoorbeeld bij insluiting) kon de Staat geen antwoord geven. Een proces-verbaal van bevindingen met een uiteenzetting van de feitelijke gang van zaken is er niet. De Staat heeft wel gewezen op een eerdere observatie die dag waarbij [eiser] ambtshalve is herkend, maar dat deze herkenning, en daarmee zijn minderjarigheid, voorafgaand aan de aanhouding aan de betreffende officier van justitie kenbaar is gemaakt, is niet gesteld of gebleken. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de stelling van [eiser] dat [eiser] ’s minderjarigheid inderdaad op het moment van het nemen van de beslissing tot aanhouding niet bekend was. De rechtbank concludeert daaruit dat de Staat bij de beslissing om [eiser] aan te laten houden door een AOT geen rekening heeft kunnen houden, en dus ook niet gehouden heeft, met zijn belangen als minderjarige. Dit is in strijd met artikel 3 IVRK Pro.
5.11.
De Staat heeft nog gesteld dat ook als bekend zou zijn geweest dat [eiser] minderjarig was, aanhouding door een AOT noodzakelijk zou zijn geweest, en dat de beslissing van de Staat daarom niet in redelijkheid onnavolgbaar is. Ter onderbouwing hiervan heeft de Staat gesteld dat bij de strafbare feiten vuurwapens zijn gebruikt en dat de neef van [eiser] vuurwapengevaarlijk zou zijn.
5.12.
Nog los van de vraag of dit verweer de Staat kan baten nu het feit dat de minderjarigheid niet is meegewogen al maakt dat sprake is van strijd met artikel 3 IVRK Pro,
vindt de rechtbank dit betoog van de Staat niet overtuigend. De Staat heeft namelijk geen feiten of omstandigheden aangevoerd die erop wijzen dat ook [eiser] vuurwapengevaarlijk zou zijn. [eiser] is niet eerder uit het onderzoek als verdachte naar voren gekomen en op het moment van aanhouding had hij geen strafblad. De enige onderbouwing voor de vuurwapengevaarlijkheid van [eiser] is dat hij door het bezit van de telefoon verdacht werd van (een deel van) de strafbare feiten, waar zijn neef van verdacht werd. Dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om in redelijkheid te concluderen dat [eiser] vuurwapengevaarlijk was, of dat anderszins sprake was van een situatie waarin levensbedreigende omstandigheden tegen de politie of anderen dreigden. Dit kan daarom niet gelden als rechtvaardiging voor aanhouding door een AOT.
5.13.
Voor zover de Staat nog stelt dat sprake was van collusiegevaar en de kans op het frustreren van het onderzoek, geldt ook dit niet als rechtvaardiging voor de inzet van een AOT. Dit zou weliswaar navolgbaar maken dat het vrijwillig melden op het politiebureau niet tot de mogelijkheden behoorde. Maar ook in dat geval waren andere, minder ingrijpende, maatregelen te bedenken, zoals het op laten halen door een opvallend politievoertuig en het achterwege laten van de zak over het hoofd van [eiser] .
5.14.
De rechtbank is dus van oordeel dat de Staat onvoldoende heeft onderbouwd dat [eiser] ’s belangen als minderjarige zijn meegewogen en dat ondanks de minderjarigheid de gestelde noodzaak voor deze wijze van aanhouding zwaarder woog dan [eiser] ’s belangen als minderjarige. De keuze voor de inzet van het AOT bij de aanhouding van [eiser] is in redelijkheid niet navolgbaar. De aanhouding van [eiser] door een AOT was dus onrechtmatig en de Staat moet de schade die [eiser] daardoor lijdt vergoeden.
b-grond: gebleken onschuld
5.15.
[eiser] heeft verder gesteld dat uit de stukken van zijn strafzaak blijkt van zijn onschuld en van het ongefundeerd zijn van de verdenking jegens hem. Die stelling onderbouwt [eiser] met de sepotbeslissing en met de stelling dat er geen aanwijzingen bestonden die [eiser] rechtstreeks verbonden aan de feiten, waarvan onder meer zijn neef verdacht werd.
5.16.
Hier is de rechtbank het niet mee eens. Vast staat dat [eiser] op het moment dat zijn neef aangehouden werd de telefoon in bezit had waarmee bedreigende berichten gestuurd zijn. Er was dus een aanwijzing die [eiser] verbond aan mogelijk strafbare feiten. Die aanwijzing vormde de basis voor de verdenking jegens [eiser] . De enkele omstandigheid dat een verdachte is vrijgesproken van het feit ter zake waarvan hij voorlopige hechtenis heeft ondergaan, is onvoldoende om te concluderen dat de verdenking ten onrechte heeft bestaan (vgl. HR 29 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1355)
Dat de Staat uiteindelijk wegens gebrek aan bewijs niet tot zijn vervolging overgegaan is, betekent dus niet dat [eiser] ’s onschuld gebleken is of dat de verdenking jegens hem ongefundeerd was.
Conclusie5.17. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de Staat onrechtmatig tegen [eiser] heeft gehandeld, omdat niet is komen vast te staan dat [eiser] ’s belangen als minderjarige bij zijn aanhouding zijn meegewogen en de keuze voor de inzet van het AOT bij zijn aanhouding (dus) in redelijkheid niet navolgbaar is. De Staat is aansprakelijk voor de schade die [eiser] hierdoor heeft geleden.
5.18.
[eiser] stelt schade te hebben geleden door de onrechtmatige manier van aanhouden en vordert verwijzing naar de schadestaatprocedure ter vaststelling van die schade en de hoogte van de vergoeding die de Staat hem daarvoor moet betalen. De Staat voert daartegen aan dat een deel van de schade van [eiser] waarschijnlijk al voor de aanhouding bestond. Dat is in deze procedure niet relevant, omdat de rechtbank nu niet de precieze schade hoeft vast te stellen. Daarvoor vordert [eiser] verwijzing naar de schadestaatprocedure. Dat betekent dat in deze procedure voldoende is dat de mogelijkheid dat [eiser] schade heeft geleden door het onrechtmatig handelen van de Staat aannemelijk is. Onder andere met het overgelegde psychologische rapport heeft [eiser] dat naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt. Deze vordering van [eiser] zal daarom worden toegewezen.
5.19.
De gevorderde verklaringen voor recht zijn niet toewijsbaar. Hiervoor is komen vast te staan dat
de manier waarop[eiser] is aangehouden niet rechtmatig is geweest. De rechtbank komt niet tot het oordeel dat het aanvangen en voortzetten van de vervolging onrechtmatig was. Zoals in 5.15 en verder overwogen, is [eiser] ’s onschuld niet uit het strafdossier of de overige gedingstukken gebleken, zodat ook de tweede verklaring voor recht niet toegewezen kan worden.
Proceskosten
5.20.
De Staat is voor een groot deel in het ongelijk gesteld en moet daarom [eiser] ’s proceskosten betalen. Deze kosten worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
90,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.729,47

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
veroordeelt de Staat om aan [eiser] te vergoeden de door hem geleden schade door de onrechtmatige aanhouding door een AOT, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
6.2.
veroordeelt de Staat in de proceskosten van € 1.729,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de Staat niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.3.
wijst af het meer of anders gevorderde;
6.4.
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. de Boer en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.