Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
1.2. [eiser] stelt dat de Staat onrechtmatig tegen hem gehandeld heeft door de inzet van strafvorderlijke dwangmiddelen. Concreet verwijt [eiser] de Staat dat bij zijn aanhouding niet de vereiste belangenafweging in verband met zijn minderjarigheid heeft plaatsgevonden en dat hij in verzekering is gesteld voordat het dwangmiddel ophouden voor onderzoek volledig was benut.
de manier waarop[eiser] is aangehouden onrechtmatig was, omdat niet is komen vast te staan dat de belangen van [eiser] als minderjarige zijn meegewogen bij de beslissing om hem door een AOT aan te laten houden.
2 2. De procedure
- de conclusie van antwoord met 5 producties;
- de akte waarbij mr. Goemans de schorsing van het geding heeft ingeroepen, omdat [eiser] meerderjarig is geworden;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling zal worden gehouden;
3.De feiten
- oordeelt de inverzekeringstelling rechtmatig:
- wijst de vordering tot bewaring toe en verleent een bevel tot bewaring van de
wijst het verzoek tot schorsing toe.”
4.Het geschil
- dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door zijn strafrechtelijke vervolging te beginnen en voort te zetten en
- dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem omdat [eiser] ’s onschuld uit het strafdossier en de overige gedingstukken is gebleken.
5.De beoordeling
Volgens vaste rechtspraak heeft artikel 3 IVRK Pro rechtstreekse werking, in die zin dat daaruit volgt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken. Hoe dat belang moet worden meegewogen is afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval, maar dát het moet worden meegewogen staat vast.
vindt de rechtbank dit betoog van de Staat niet overtuigend. De Staat heeft namelijk geen feiten of omstandigheden aangevoerd die erop wijzen dat ook [eiser] vuurwapengevaarlijk zou zijn. [eiser] is niet eerder uit het onderzoek als verdachte naar voren gekomen en op het moment van aanhouding had hij geen strafblad. De enige onderbouwing voor de vuurwapengevaarlijkheid van [eiser] is dat hij door het bezit van de telefoon verdacht werd van (een deel van) de strafbare feiten, waar zijn neef van verdacht werd. Dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om in redelijkheid te concluderen dat [eiser] vuurwapengevaarlijk was, of dat anderszins sprake was van een situatie waarin levensbedreigende omstandigheden tegen de politie of anderen dreigden. Dit kan daarom niet gelden als rechtvaardiging voor aanhouding door een AOT.
Dat de Staat uiteindelijk wegens gebrek aan bewijs niet tot zijn vervolging overgegaan is, betekent dus niet dat [eiser] ’s onschuld gebleken is of dat de verdenking jegens hem ongefundeerd was.
de manier waarop[eiser] is aangehouden niet rechtmatig is geweest. De rechtbank komt niet tot het oordeel dat het aanvangen en voortzetten van de vervolging onrechtmatig was. Zoals in 5.15 en verder overwogen, is [eiser] ’s onschuld niet uit het strafdossier of de overige gedingstukken gebleken, zodat ook de tweede verklaring voor recht niet toegewezen kan worden.