Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
Begaclaim-arrest. [10] Als grondslag voor hun vorderingen hebben zij aangevoerd (i) dat vanaf de aanvang af elke wettelijke en feitelijke grondslag heeft ontbroken voor de verdenking van [eiser 1] van faillissementsfraude, zodat een redelijk vermoeden van schuld in de zin van art. 27 Sv Pro afwezig was, en (ii) dat het optreden van het openbaar ministerie disproportioneel was. [11] Verder hebben zij aangevoerd (iii) dat genoegzaam is gebleken dat [eiser 1] onschuldig is aan faillissementsfraude. [12] Ten aanzien van Reflecs en Alvowiki hebben [eisers] een beroep gedaan op het arrest
Staat/ […] . [13] Zij hebben aangevoerd (iv) dat de Staat aansprakelijk is jegens die vennootschappen omdat Reflecs en Alvowiki geen verdachten van faillissementsfraude maar ‘onschuldige derden’ zijn in de zin van dat arrest en onevenredig door het strafrechtelijke optreden tegen [eiser 1] zijn getroffen. [14]
gentlemen’s agreementtussen [eiser 1] [en de zakenpartners van [eiser 1] ]. Daarmee is niet van de onschuld van [eiser 1] gebleken.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Begaclaim-arrest heeft de Hoge Raad deze gronden als volgt omschreven in rov. 3.3:
Begaclaim-arrest nader overwogen:
Begaclaim-arrest overwogen:
dictumvan een rechterlijke beslissing. Het is geen synoniem voor het gezag van gewijsde dat toekomt aan de overwegingen waarop het dictum (de eigenlijke beslissing van de uitspraak) berust. [29] Art. 236 Rv Pro, dat het gezag van gewijsde regelt, kent dit alleen toe aan de overwegingen in vonnissen en arresten van de burgerlijke rechter in een bodemprocedure. Voor strafvonnissen en uitspraken van de bestuursrechter ontbreekt een dergelijke wettelijke bepaling. [30] De werking van het gesloten stelsel komt dus overeen met wat bij bestuursbesluiten en uitspraken van de bestuursrechter wordt aangeduid als de formele rechtskracht van besluit en uitspraak. Ook die rechtskracht heeft uitsluitend betrekking op wat het dictum (de eigenlijke beslissing) daarvan inhoudt. Gezag van gewijsde komt aan de uitspraken van de bestuursrechter als gezegd niet toe. [31]
Subonderdeel 1.1komt op tegen de parafrasering van grief 1d van [eisers] door het hof in rov. 5.3. Het klaagt dat het hof met zijn weergave van die grief dat er volgens [eiser 1] geen sprake was van een strafbare poging, omdat er alleen maar een voornemen van [eiser 1] was, maar niet een poging die gericht was op de voltooiing van het delict, een onbegrijpelijke uitleg aan die grief heeft gegeven, omdat het hof daarmee ten onrechte impliceert [eiser 1] heeft gesteld dat hij (wel) een crimineel voornemen had.
subonderdelen 1.2-1.4keren zich tegen de volgende overwegingen van het hof:
een poging totfaillissementsfraude.
een poging totfaillissementsfraude door [eiser 1] . Het hof overweegt immers vanaf de tweede zin van rov. 5.6 (i) dat gebleken is ‘dat [eiser 1]
van planwas de opbrengst vanaf de aandelen in Carzan niet ten goede te laten komen aan de verkoper van deze aandelen, (…), maar om deze opbrengst aan te wenden om achtergestelde schulden van BFI te voldoen’, (ii) ‘[d]at door de voldoening van deze achtergestelde schulden van BFI andere (niet achtergestelde) schuldeisers van BFI
zouden wordenbenadeeld (…) niet een onredelijke veronderstelling [was]’, (iii) dat niet gebleken is dat ‘voor de
voorgenomenaanwending van de opbrengst van de aandelen ten tijde van het strafvorderlijk optreden een (andere) aannemelijke verklaring was’ en (iv) dat er ‘dus voldoende grond [bestond] voor het vermoeden dat [eiser 1] zich schuldig
wildemaken aan een strafbaar feit’. Ook in rov. 5.14 spreekt het hof uitdrukkelijk van een ‘
voornemen’ van [eiser 1] .
subonderdelen 1.5 en 1.6hebben betrekking op de volgende overwegingen van het hof:
Staat/ […]. [52] Daarin is die aanspraak gebaseerd op het égalité- en evenredigheidsbeginsel. [53] In dat arrest is overwogen:
Uzi-arrest is deze overweging verder uitgewerkt:
zaaksschadeis in de rechtspraak uitgemaakt dat deze in beginsel niet tot het maatschappelijke risico van de derde behoort. Dat is in alle drie de genoemde arresten beslist, die alle drie betrekking hebben op die schadesoort bij een huiszoeking. In het arrest
Staat/Vrolijkis eveneens met betrekking tot een huiszoeking overwogen:
rechtstreeksbij de derde veroorzaakt (zaaksschade door een huiszoeking, bedrijfsschade door sluiting van pand). Bij de vordering van Reflecs en Alvowiki gaat het om het geval dat de derde uitsluitend schade lijdt doordat hij samenwerkt met de verdachte of de verdachte voor hem werkt of hij afhankelijk is van de verdachte (voor onderhoud of anderszins), en doordat strafrechtelijk wordt opgetreden tegen (uitsluitend) de verdachte. Het gaat bij dat geval dus zuiver om schade die de derde ‘via’ de verdachte, dus indirect, lijdt. Tegen het vergoeden van deze schade in het geval dat het strafrechtelijke optreden als zodanig rechtmatig is geweest – wat het vertrekpunt is van de hier besproken rechtspraak over de aanspraak van de derde op schadevergoeding – bestaat m.i. een zwaarwegend bezwaar. In dat geval zou immers steeds als het strafrechtelijke optreden wat zwaarder van aard is – dat wil zeggen het gaat om een verdenking van ernstige delicten of de inzet van meerdere dwangmiddelen over een langere periode –, een aanspraak bestaan op schadevergoeding voor werkgevers en bedrijven als hun werknemer of bestuurder verdachte is en voor personen die door een ander worden onderhouden als degene die hen onderhoudt, verdachte is. Dat betekent dat in een dergelijk geval aan dat optreden in een groot aantal zaken per definitie en onvermijdelijk een fiks prijskaartje is verbonden.
Uzi-arrest. Daartoe was het hof echter alleen gehouden voor zover de stellingen van [eiser 1] daartoe aanleiding gaven. Het subonderdeel verwijst naar 4.56-4.62 van de memorie van grieven van [eisers] , maar daar zijn geen specifieke stellingen op dit punt te lezen. Het hof kon daarom volstaan met te motiveren waarom in dit geval geen grond voor schadevergoeding bestaat.