ECLI:NL:RBOBR:2026:3182
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing nieuwe aanspraak studiefinanciering wegens ontbreken verergerde handicap tijdens opleiding
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een nieuwe aanspraak op studiefinanciering vanwege bijzondere medische omstandigheden die hem noodzaakten zijn opleiding Personeel en arbeid te beëindigen. De minister wees deze aanvraag af omdat niet was aangetoond dat de medische aandoening tijdens de opleiding was verergerd of gemanifesteerd.
Eiser voerde aan dat hij tijdens de opleiding concentratieproblemen, impulsiviteit en verslavingsproblemen ontwikkelde, waardoor hij de opleiding niet kon afronden. Hij overlegde medische verklaringen en een verklaring van een studentendecaan ter ondersteuning van zijn verzoek. De minister stelde dat de medische aandoening aangeboren was en dat er geen bewijs was van verergering tijdens de opleiding. Ook was de verklaring van de studentendecaan niet consistent en inzichtelijk gemotiveerd.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd dat de medische aandoening tijdens de opleiding was verergerd of dat deze de reden was voor het stoppen met de studie. De verklaring van de studentendecaan kon niet worden meegewogen omdat er geen contact was geweest tijdens de relevante periode. De minister mocht de aanvraag daarom terecht afwijzen.
Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard, hij kreeg geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht werd niet teruggegeven. De uitspraak werd gedaan door rechter G. de Jong op 13 mei 2026.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor een nieuwe aanspraak op studiefinanciering.