Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
SHE 25/3647 OWHAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 mei 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres
Samenvatting
€ 1.000.000,- wegens overtreding van de eerste last. Eiseres is het niet met deze besluiten eens en heeft daarom beroep ingesteld.
Procesverloop
I. Partijen shredderresidu.
Eiseres dient overtreding van artikel 2.11, eerste lid, aanhef en onder a t/m c van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) te beëindigen en beëindigd te houden. Dit kan zij bijvoorbeeld doen door alle partijen shredderresidu die ten tijde van dit besluit nog aanwezig zijn (ca. 5.700 ton) volledig af te voeren naar een daarvoor erkende inzamelaar/verwerker. Wanneer na 14 mei 2025 wordt geconstateerd dat er nog shredderresidu op het terrein van het bedrijf van eiseres aanwezig is, wordt een dwangsom verbeurd van € 250.000,- per constatering, waarbij maximaal 1 dwangsom per week wordt verbeurd tot een maximum te verbeuren bedrag van € 1.000.000,-.
Eiseres dient een herhaling van overtreding van artikel 2.11, eerste lid, a t/m c van het Bal te voorkomen. Dit kan zij bijvoorbeeld doen door de partij shredderresidu die nu tegen de ommuring ligt en natgehouden werd, zodanig ver van de muur af te halen dat water dat uit de partij shredderresidu vrijkomt niet meer door de ommuring in de bodem loopt. Wanneer na 9 april 2025 wordt geconstateerd dat bluswater/koelwater/hemelwater van het terrein door de ommuring van het bedrijf in de bodem uitspoelt, wordt een dwangsom verbeurd van € 15.000,- per etmaal waarop een herhaling van de overtreding wordt vastgesteld tot een maximum te verbeuren bedrag van € 60.000,-.
Eiseres dient herhaling van overtreding van voorschrift 3.1.1 van de omgevingsvergunning te voorkomen. Dit kan zij doen door bijvoorbeeld bluswater/koelwater/hemelwater op te vangen c.q. op te slaan en naar een erkende ontvanger/verwerker af te voeren. Wanneer na 9 april 2025 wordt geconstateerd dat afvalwater niet opgevangen wordt en naar een daarvoor erkende ontvanger/verwerker wordt afgevoerd, wordt een dwangsom verbeurd van
€ 50.000,- per etmaal waarop het college herhaling constateert met een maximum te verbeuren dwangsom van € 300.000,-.
I. Eiseres dient overtreding van artikel 2.11, eerste lid, aanhef en onder a t/m c van het Bal te beëindigen en beëindigd te houden. Dit kan bijvoorbeeld door alle partijen shredderresidu die ten tijde van het besluit in primo aanwezig waren, volledig af te voeren naar een daarvoor erkende inzamelaar/verwerker. Het college verwijst hierbij ook naar het plan van aanpak dat is verstrekt op 7 februari 2025, waarbij ook een plattegrond is meegestuurd waarop de partijen shredderresidu zijn weergegeven. Het college gaat ervan uit dat op het moment van verzenden van het besluit in primo nog ca. 5.700 ton shredderresidu af te voeren valt. Het college gaat er daarnaast van uit dat 1.000 ton per week afvoeren mogelijk is. Wanneer het college na 23 juli 2025 overtreding van artikel 2.11, eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, van het Bal constateert en er in zoverre nog shredderresidu als hiervoor bedoeld op het terrein van het bedrijf aanwezig is, wordt een dwangsom verbeurd van
€ 250.000,- per constatering, waarbij maximaal 1 dwangsom per week wordt verbeurd tot een maximum te verbeuren bedrag van € 1.000.000,- (4 dwangsommen). De opslag van nieuwe partijen shredderresidu die na 2 juli 2025 binnenkomen, is toegestaan mits deze afzonderlijk worden opgeslagen, niet worden vermengd met andere partijen en overeenkomstig de omgevingsvergunning worden geregistreerd. Als dit laatste niet gebeurt, dan wordt het shredderresidu geacht deel uit te maken van de partij shredderresidu die er vóór 3 juli 2025 lag en waar de last op ziet. De bewijslast hiervoor ligt bij eiseres.
Wanneer het college na 9 april 2025 constateert dat afvalwater niet opgevangen wordt en naar een daarvoor erkende ontvanger/verwerker wordt afgevoerd, wordt een dwangsom verbeurd van € 50.000,- per etmaal waarop het college herhaling constateert, tot een maximum te verbeuren bedrag van € 300.000,- (6 dwangsommen). Eiseres mag weer afvalwater op het rioolstelsel lozen, zodra het shredderresidu – waarop last I ziet – is afgevoerd, het bedrijfsriool is gereinigd en het bedrijfsterrein waar het shredderresidu is opgeslagen, is gereinigd. Wanneer eiseres er voor kiest om de resterende partijen shredderresidu af te dekken, mag zij lozen van afvalwater op het gemeentelijk riool ook hervatten. Het college moet dan wel eerst geconstateerd hebben dat de afdekking doeltreffend is en eiseres hebben medegedeeld dat hij met de getroffen maatregelen instemt.
Verder heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot 23 juli 2025.
Feiten en omstandigheden
- Op 23 oktober 2024 heeft een toezichthouder een sterke chemische (plastic)geur ter hoogte van het bedrijf van eiseres waargenomen.
- Op 20 november 2024 is vastgesteld dat onder meer aan de voet van het grote depot met shredderresidu, aan de noord- en noordoostzijde, sprake is geweest van brand. Deze brand is door eiseres zelf gedoofd door het met een shovel uit de opslag weg te nemen.
- In een brief van 14 januari 2025 heeft het college eiseres medegedeeld dat de ODZOB tijdens op 8 en 20 november 2024 gehouden controles heeft vastgesteld dat op het terrein van het bedrijf van eiseres shredderresidu (circa 40.000 m3) werd opgeslagen waarin een brandonveilige situatie als gevolg van broei is ontstaan. Hierbij is onder meer vastgesteld dat de maximaal toegestane opslaghoogte van afvalstoffen op het buitenterrein wordt overschreden en dat vrijkomende afvalstoffen (waaronder shredderresidu) onvoldoende worden gescheiden en gescheiden bewaard.
- Op 31 januari 2025 is na een melding van geuroverlast door een toezichthouder broei in afvalbergen van het bedrijf geconstateerd.
- Op 7 februari 2025 heeft eiseres op verzoek van de ODZOB een afvoerplan voor het shredderresidu aangeleverd. Op 24 februari 2025 is eiseres gestart met afvoeren.
- Op 14 februari 2025 heeft een periodieke controle ter plaatse door een toezichthouder plaatsgevonden. Er zijn sporen van brand en broei geconstateerd (locatie B). In het gesprek tussen de toezichthouders van de ODZOB en de heren [naam] en [naam] is, in gezamenlijkheid, de conclusie getrokken dat afvoer de enige oplossing is in het geval van deze grootschalige opslag.
(1) voorschrift 2.2.1 van de omgevingsvergunning door het verspreid raken van foliesnippers buiten het terrein van het bedrijf,
(2.) voorschrift 8.1.1 van de omgevingsvergunning door het veroorzaken van geur buiten de grenzen van het bedrijf door het opslaan van shredderresidu.
Eiseres heeft een zienswijze ingediend tegen dit voornemen.
- Op 14 en 15 maart 2025 heeft een controle door een toezichthouder plaatsgevonden. Op deze data hebben zich twee branden voorgedaan in een partij shredderresidu op het terrein van het bedrijf (locatie B).
- Bij e-mail van 21 maart 2025 heeft eiseres melding gedaan van de ongewone voorvallen. Zij heeft hierbij aangegeven dat de partij waar tweemaal brand is geweest, preventief wordt natgehouden. Ook heeft eiseres aangegeven dat 1.000 ton materiaal per week zal worden afgevoerd naar erkende afvalverwerkers en dat zal worden gestreefd naar 1.250 ton per week.
- Op 19, 22 en 23 maart 2025 hebben opnieuw controles plaatsgevonden. Omdat hierbij is geconstateerd dat het afvloeiende, mogelijk ernstig verontreinigde, blus- en koelwater richting de nabijgelegen rioolput stroomde, heeft de toezichthouder eiseres gesommeerd het lozen op het gemeentelijk riool te staken totdat de waterkwaliteit is onderzocht en het waterschap akkoord geeft voor hervatting.
- Op 24 maart 2025 heeft een toezichthouder bij een schouw aan de buitenzijde van het terrein geconstateerd dat langs de afscheidingsmuur ter hoogte van depot B een aanzienlijke hoeveelheid afvalwater onbeschermd in de bodem is geïnfiltreerd. Het betreft met name koel- en bluswater. Het bedrijf heeft geen maatregelen getroffen om dit te voorkomen. Er zijn ook monsters genomen van het afvalwater.
Het college houdt er onverkort aan vast dat het shredderresidu op 23 juli 2025 moet zijn afgevoerd.
Oordeel van de rechtbank
Last I: afvoer shredderresidu
Daarbij komt dat eiseres met extra maatregelen die zij heeft getroffen en nog altijd treft om geurhinder en brand- en broeigevaar te voorkomen dan wel te beperken, invulling geeft aan haar zorgplicht. Sinds het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom tot en met 18 december 2026 is ruim 11.458 ton shredderresidu afgevoerd. De nog aanwezige partijen worden gezeefd, waarbij de fijne fractie wordt gescheiden van de grovere fractie. Als de temperatuur van het residu oploopt, worden de partijen nat gehouden. Er is een brandwacht ingesteld die dit 24/7 controleert en bijhoudt in een logboek. Van schending van artikel 2.11 van het Bal is volgens eiseres geen sprake, laat staan van een
evidenteschending.
De vergunningvoorschriften hebben betrekking op het voorkomen van broei, maar in de vergunning is niet geregeld wat te doen als broei en brand eenmaal is ontstaan. De specifieke zorgplicht werkt aanvullend naast vergunningvoorschriften en algemene regels en leent zich volgens het college juist bij uitstek om niet vergunde nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving spoedig te doen beëindigen. Als eenmaal brand is ontstaan in het shredderresidu, waardoor nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan en blijven voortduren én de kans bestaat op een nieuwe brand, schieten de vergunningvoorschriften tekort. Handhaven wegens handelen in strijd met de in artikel 2.11 Bal opgenomen specifieke zorgplicht is dan volgens het college gerechtvaardigd.
De “extra” maatregelen waarop eiseres doelt zoals temperatuurmetingen en het bijhouden van een logboek, zijn geen maatregelen om de nadelige gevolgen van broei en brand te beëindigen, maar maatregelen om broei en brand te voorkomen. Die maatregelen moeten al worden getroffen op grond van de vergunning (voorschrift 8.1.2).
a) alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
b) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
c) als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;
(…)
d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;
e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.
nadatbroei en brand zijn ontstaan. Dat is ook niet geregeld in andere vergunningvoorschriften. De omgevingsvergunning biedt geen basis om eiseres te gelasten een partij shredderresidu waarin broei en brand is ontstaan versneld af te voeren om verdere milieuverontreiniging te voorkomen. De vergunningvoorschriften zijn naar het oordeel van de rechtbank ontoereikend om de nadelige gevolgen in voldoende mate te voorkomen. Dat betekent dat de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal in beeld komt. De stelling van eiseres dat de omgevingsvergunning had kunnen en moeten voorzien in voorschriften voor de situatie na het ontstaan van broei en brand, doet hieraan niet af. Als een onderwerp niet in de omgevingsvergunning is geregeld, dient de vergunninghouder de eisen van de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal in acht te nemen. De specifieke zorgplicht heeft hier een aanvullende werking.
alhet op dat moment aanwezige shredderresidu afvoert. Het college beoogt met last I te voorkomen dat opnieuw brand en broei in de partij shredderresidu uitbreken en dat (verdere) verontreiniging van lucht, bodem en riolering (water) plaatsvindt. Omdat zich al branden en broei hebben voorgedaan in deze partij shredderresidu, en dat gevaar voor de omgeving heeft opgeleverd, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid de afvoer van de hele partij kunnen gelasten. Dat inmiddels door afvoer een kleinere partij ter plaatse resteert, maakt niet dat geen (nieuwe) branden en broei zouden kunnen ontstaan.
Aan het college komt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn enige vrijheid toe. Bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn geldt als uitgangspunt dat deze termijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Een begunstigingstermijn mag ook niet wezenlijk korter worden gesteld dan nodig is om de overtreding te kunnen opheffen. [6]
Het college heeft bij het bepalen van de begunstigingstermijn mogen uitgaan van de inschatting dat het mogelijk is om ongeveer 1.000 ton per week shredderresidu af te voeren. Hierbij heeft het college rekening mogen houden met het afvoerplan dat eiseres zelf heeft opgesteld. De twee afnemers van het shredderresidu hebben bevestigd dat afvoer van 1.000 ton per week mogelijk is. De stelling van eiseres dat de afnemers deze hoeveelheid in werkelijkheid niet kunnen verwerken, wijkt af van wat de afnemers hierover hebben meegedeeld. Eiseres heeft deze afwijkende stelling niet onderbouwd. Daarom gaat de rechtbank daaraan voorbij.
De stelling van eiseres dat zij onvoldoende liquiditeitsruimte had om het shredderresidu vóór 23 juli 2025 af te voeren, slaagt niet. Het college heeft terecht naar voren gebracht dat van eiseres mag worden verwacht dat zij liquide middelen reserveert voor de vereiste afvoer van het shredderresidu.
De inwerkingtreding van de veranderingsvergunning voor onder andere een nieuwe zeefinstallatie, leidt evenmin tot het oordeel dat de begunstigingstermijn te kort is. De veranderingsvergunning noodzaakt niet tot vertraging in de afvoer van het shredderresidu. Dat eiseres met behulp van de veranderingsvergunning andere keuzes wil maken bij de afvoer van het shredderresidu en daardoor meer tijd nodig zou hebben voor de afvoer, komt voor haar rekening en risico.
De stelling van eiseres dat er na het afvoeren van een gedeelte van het shredderresidu geen milieubelangen meer zijn die zich tegen een langere termijn verzetten, slaagt niet. Zoals hiervoor al is overwogen heeft het college onder dwangsom verwijdering van de volledige partij shredderresidu mogen gelasten. De begunstigingstermijn mag niet langer worden gesteld dan noodzakelijk is om dat te realiseren.
€ 142,- = € 809.400,-. Om de werking van de dwangsom als prikkel te waarborgen, is van een hoger maximum van € 1.000.000,- uitgegaan.
a. de doelmatige werking niet wordt belemmerd van een openbaar vuilwaterriool (…).
Tussen partijen is niet in geschil dat met het lozen van verontreinigd bluswater/hemelwater de doelmatige werking van het rioolsysteem is belemmerd. Dat betekent dat vergunningvoorschrift 3.1.1 is overtreden. Het college was dan ook bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen om herhaling van deze overtreding te voorkomen.
Is last III te verstrekkend?
bijvoorbeeldkan voorkomen door bluswater/koelwater/hemelwater op te vangen c.q. op te slaan en naar een erkende ontvanger/verwerker af te voeren. Uit deze formulering volgt dat het slechts om een voorbeeld gaat.
In het bestreden besluit staat echter ook het volgende:
“U mag weer afvalwater van uw bedrijf op het rioolstelsel lozen, zodra het shredderresidu -waarop last I ziet - is afgevoerd, het bedrijfsriool is gereinigd en het bedrijfsterrein waar het shredderresidu is opgeslagen is gereinigd. Wanneer u er voor kiest om de resterende partijen shredderresidu af te dekken, mag u lozen van afvalwater op het gemeentelijke riool ook hervatten. Wij moeten dan wel eerst geconstateerd hebben dat de afdekking doeltreffend is en u meegedeeld hebben dat wij met de getroffen maatregelen instemmen”.
6.6. Volgens vaste rechtspraak hoeft het bestuursorgaan bij een besluit over invordering van verbeurde dwangsommen in beginsel geen rekening te houden met de vraag of de overtreder in staat is om de verbeurde dwangsommen te voldoen. De financiële draagkracht van de overtreder kan immers in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen. Als hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat slechts aanleiding, indien evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen (volledig) te betalen. [16] Op de overtreder rust de last aannemelijk te maken dat dit het geval is. Hij dient daartoe zodanige informatie te verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben. Ook de liquiditeitspositie van de overtreder kan in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen. In dit kader is onder meer van belang dat het college bevoegd is om een betalingsregeling te treffen voor verbeurde dwangsommen.
Conclusie en gevolgen
€ 934,-. De gemachtigde heeft een (aanvullend) beroepschrift ingediend en heeft de zitting van de rechtbank bijgewoond. De vergoeding bedraag daarom in totaal € 1.868,-.
In deze zaak bestaat dan ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
8.1. De rechtbank merkt op dat het invorderingsbesluit tot de datum van deze uitspraak was geschorst. Met deze uitspraak vervalt de schorsing. [18] Om te voorkomen dat eiseres onverwacht met de gevolgen van het invorderingsbesluit wordt geconfronteerd, ziet de rechtbank aanleiding om de schorsing van het invorderingsbesluit te verlengen tot zes weken na de bekendmaking van de uitspraak. [19]
Beslissing
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 21 oktober 2025 gegrond;
- vernietigt dit besluit voor zover het college heeft nagelaten eiseres in lastgeving III vrij te laten in de keuze voor de toepassing van een herstelmaatregel;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dit besluit in stand blijven;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres;
- verklaart het beroep tegen het invorderingsbesluit ongegrond;
- verlengt de schorsing van het invorderingsbesluit tot zes weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak.
de uitspraak te ondertekenen.