Art. 13 ParticipatiewetArt. 16 ParticipatiewetArt. 35 ParticipatiewetArt. 37a Wetboek van StrafrechtArt. 37b Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing bijzondere bijstand voor bewindvoerders- en mentorkosten in Tbs-situatie
Eiseres, verblijvend in een Tbs-kliniek, vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van bewindvoering en mentorschap in 2025. Het college wees de aanvraag af op grond van artikel 13 vanPro de Participatiewet, omdat zij rechtens haar vrijheid was ontnomen. Eiseres stelde dat er sprake was van zeer dringende redenen volgens artikel 16 PwPro, vanwege haar psychische toestand en de noodzaak van mentorschap.
De rechtbank oordeelde dat hoewel een acute noodsituatie voorstelbaar is bij het ontbreken van mentorschap, in 2025 de mentor uit coulance gratis werkzaamheden verrichtte en er voldoende saldo was om de kosten te voldoen. Hierdoor was geen sprake van een acute noodsituatie die bijzondere bijstand rechtvaardigt. De kosten van bewindvoering werden niet onderbouwd als dringende reden.
Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde omdat artikel 13 PwPro een dwingend karakter heeft en de rechter dit niet mag toetsen aan algemene rechtsbeginselen. De rechtbank concludeerde dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand voor bewindvoerders- en mentorkosten in 2025.
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/3410
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. J.H.M. Verstraten),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven
(gemachtigde: mr. V.F.L. Beulen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag voor bijzondere bijstand voor bewindvoerderskosten en mentorschap in 2025. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van deze aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor bewindvoerderskosten en de kosten van mentorschap voor het jaar 2025. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 12 september 2025 (primair besluit) afgewezen. Met het besluit van 19 november 2025 op het bezwaar van eiseres (bestreden besluit) is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft op 21 juli 2025 bij het college een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van mentorschap en bewindvoering. Op het aanvraagformulier heeft eiseres aangegeven dat zij in een Tbs-kliniek verblijft waardoor zij geen inkomen heeft. Bij het aanvraagformulier heeft eiseres een “Factuur kosten bewindvoering en mentorschap 2025” van BB&S Noorderpoort gevoegd. De factuur is gedateerd op 18 november 2024 en het factuurbedrag bedraagt in totaal € 1.697,64 voor kosten bewindvoering en € 1.356,36 voor kosten mentorschap. Dit betekent € 141,47 per maand voor bewindvoerderskosten en € 113,03 per maand voor kosten mentorschap. Op de factuur is aangegeven dat de vergoeding zal worden afgeschreven van de beheerrekening.
4. Bij het primaire besluit heeft het college deze aanvraag afgewezen, omdat een persoon aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Participatiewet (Pw) geen recht heeft op bijstand. Omdat eiseres is opgenomen in de Woenselsepoort (GGzE) op grond van forensische zorgtitel 37a in samenhang met artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht (Tbs met dwangverpleging) en zij niet is ontslagen van alle rechtsvervolging, valt zij volgens het college onder deze uitsluitingsgrond.
5. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Naar aanleiding van dat wat besproken is tijdens de hoorzitting heeft het college nadere informatie opgevraagd bij eiseres. Op de vraag waarom eiseres de aanvraag voor bijzondere bijstand niet op een eerder moment heeft ingediend heeft de bewindvoerder en mentor van eiseres geantwoord dat het dossier van eiseres is overgedragen aan een andere collega in verband met het pensioen van een eerdere collega. Op de vraag in hoeverre de kosten voor bewind en mentorschap in de periode van 23 april 2025 tot en met 12 september 2025 zijn voldaan, dan wel in hoeverre er betalingsachterstanden zijn ontstaan, heeft de bewindvoerder en mentor van eiseres geantwoord dat er geen mentorschapskosten in rekening zijn gebracht over deze periode. Uitsluitend de kosten van het beschermingsbewind zijn in rekening gebracht. Eiseres gebruikt haar vermogen om de kosten voor het bewind te voldoen.
De beslissing op bezwaar
6. Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiseres met een gewijzigde motivering ongegrond verklaard. Het college stelt zich op het standpunt dat de aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten die zijn ontstaan voor 23 april 2025 moet worden afgewezen op grond van artikel 44, eerste lid, van de Pw en het gemeentelijk beleid. In dit beleid is bepaald dat een aanvraag voor bijzondere bijstand, ook zonder dat zich bijzondere omstandigheden voordoen, binnen drie maanden vanaf de datum waarop de kosten feitelijk zijn ontstaan, kan worden ingediend.
7. Inzake de maandelijkse kosten die zijn opgekomen vanaf 23 april 2025 stelt het college zich op het standpunt dat op 18 november 2024 de kosten voor mentorschap voor het hele jaar 2025 zijn gefactureerd. Op de beheerrekening zijn echter, in tegenstelling tot de kosten van bewind, geen afschrijvingen voor de kosten van mentorschap zichtbaar. Tijdens telefonisch contact met de specialist bijzondere bijstand tijdens de aanvraagprocedure heeft de mentor aangegeven dat de taken van het mentorschap al vanaf het begin uit coulance gratis worden verricht omdat eiseres geen inkomen heeft. Het college stelt daarom dat de kosten voor mentorschap in de periode in geding niet daadwerkelijk zijn gemaakt. Dit betekent dat de kosten zich niet voordoen en de aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten van mentorschap per 23 april 2025 dient te worden afgewezen (artikel 35, eerste lid, van de Pw). Op dit punt past het college de grondslag en de motivering van het primaire besluit aan.
8. Inzake de kosten van bewindvoering die zijn opgekomen vanaf 23 april 2025, zijnde de kosten die betrekking hebben op de bewindvoering vanaf de kalendermaand mei 2025, stelt het college zich op het volgende standpunt. Niet in geschil is dat aan eiseres ten tijde van de aanvraag rechtens haar vrijheid was ontnomen. Het college stelt dat dan in principe op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Pw geen recht bestaat op bijstand. Er is volgens het college geen sprake van één van de in artikel 13, derde lid, van de Pw opgesomde uitzonderingssituaties. De stelling van eiseres dat zij moet interen op haar vermogen om de bewindvoerderskosten te voldoen en dit niet oneindig kan voortduren, kan volgens het college geen rol spelen in de beoordeling.
9. Ten aanzien van het beroep van eiseres op dringende redenen heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de toepassing van artikel 16, eerste lid, van de Pw niet ziet op de situatie waarin een betrokkene op grond van het bepaalde in artikel 35, van de Pw niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand. Gelet hierop kan volgens het college ten aanzien van de mentorkosten geen beroep worden gedaan op artikel 16, eerste lid, van de Pw om alsnog aanspraak te maken op bijzondere bijstand. Ten aanzien van de bewindvoerderskosten die per 23 april 2025 zijn opgekomen stelt het college dat financiële problematiek in algemene zin en het niet in staat zijn om de bewindvoerderskosten uit het eigen inkomen te kunnen bekostigen geen zeer dringende reden oplevert.
De beroepsgronden
10. Eiseres verzoekt de rechtbank allereerst om de gronden van haar bezwaar in deze procedure als woordelijke aangehaald en ingelast te beschouwen. Daarnaast betoogt eiseres dat de kosten van mentorschap wel degelijk zijn opgekomen en zijn gemaakt vanaf 23 april 2025. De kosten zijn immers op 18 november 2024 voor het gehele jaar 2025 gefactureerd. De kosten zijn dus ook in rekening gebracht bij eiseres. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat er sprake is van een acute noodsituatie waardoor zij alsnog op grond van artikel 16, eerste lid, van de Pw bijzondere bijstand dient te krijgen voor met name de kosten van mentorschap. Zij is niet in staat haar eigen niet-vermogensrechtelijke belangen behoorlijk te behartigen daarom heeft de kantonrechter destijds het mentorschap uitgesproken. Dit mentorschap is extra belangrijk nu eiseres kampt met psychoses en de mentor in nauw overleg met de psychiater staat in verband met het bekijken welke medicatie en hulpverlening nodig zijn. Haar niet-vermogensrechtelijke belangen kunnen niet meer correct worden behartigd indien het mentorschap stopt als gevolg van het feit dat de kosten niet kunnen worden gedragen. Eiseres stelt dat het voor haar van groot belang is – temeer nu zij in een forensische kliniek zit en daarnaast psychoses heeft – dat zij de juiste begeleiding krijgt en dat haar belangen goed worden behartigd. Eiseres stelt dat zonder mentorschap niet de juiste beslissingen rondom haar zorg worden genomen, wat ervoor zorgt dat haar mentale gezondheid achteruit gaat. Eiseres acht dit in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Het oordeel van de rechtbank
Omvang van het geding
11. Eiseres heeft geen beroep ingesteld tegen de afwijzing van de aanvraag voor bijzondere bijstand over de periode van 1 januari 2025 tot 23 april 2025. Het beroep beperkt zich daarom tot de afwijzing van de aanvraag voor bijzondere bijstand vanaf 23 april 2025.
11. De beroepsgronden van eiseres concentreren zich verder vooral - maar niet alleen - op de kosten van mentorschap. Grondslag afwijzing
11. In het primaire besluit heeft het college de aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering en mentorschap afgewezen op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Pw. In het bestreden besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten van mentorschap op grond van artikel 35, eerste lid, van de Pw niet voor inwilliging in aanmerking komt. Ter zitting heeft het college desgevraagd toegelicht dat bedoeld is om voor de mentorkosten beide afwijzingsgronden te handhaven.
11. Gelet op de systematiek van de Pw komt de rechtbank – anders dan het college – eerst toe aan de beoordeling van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 16, eerste lid, van de Pw.
11. Tussen partijen is niet in geschil dat het college artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Pw terecht aan eiseres heeft tegengeworpen. Partijen zijn in dit kader alleen verdeeld over de vraag of zich in het geval van eiseres zeer dringende redenen voordoen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Pw.
Verwijzing naar de bezwaargronden
16. De rechtbank overweegt dat de enkele verwijzing van eiseres naar de gronden van haar bezwaar, zonder nadere toelichting op welke concrete punten de reactie van het college in het bestreden besluit onjuist of onvolledig zou zijn, onvoldoende is om als beroepsgrond te worden aangemerkt waarop de rechtbank dient in te gaan. Voor zover eiseres in het vervolg van haar beroepsgronden uitlegt op welke punten de reactie van het college op het bezwaar onjuist of onvolledig is geweest, zal de rechtbank daarop hierna ingaan. Kosten voor mentorschap
16. Eiseres is van mening dat sprake is van zeer dringende redenen die noodzakelijk maken dat aan haar bijzondere bijstand wordt verleend voor de kosten van mentorschap. Zij heeft erop gewezen en ter zitting nader toegelicht dat zeer regelmatig, in 2025 gemiddeld één keer per week, contact met de mentor nodig is, bijvoorbeeld in verband met medicatie die niet goed is ingeregeld en beperkende maatregelen die jegens eiseres in de kliniek worden ingezet en die een vergaande inbreuk op haar lichamelijke integriteit betekenen. Wanneer geen mentorwerkzaamheden kunnen worden verricht, zal dit leiden tot een ernstige crisissituatie voor eiseres.
16. Volgens vaste rechtspraak [1] doen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Pw zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Van een acute noodsituatie is in ieder geval sprake als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn, maar is niet tot die situaties beperkt. Een acute noodsituatie doet zich ook voor als het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan extreme situaties en nadrukkelijk niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is.
19. De rechtbank overweegt dat in de situatie van eiseres niet is uitgesloten dat van een acute noodsituatie sprake kan zijn gelet op de zeer ernstige gevolgen die zich kunnen voordoen als een mentor geen werkzaamheden voor haar verricht. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiseres is opgenomen in een Tbs-kliniek, de mentor onbetwist heeft gesteld dat de medicatie bij eiseres goed moet worden ingeregeld ter voorkoming van ernstige crisissituaties, de mentor hierover wekelijks contact heeft met de Tbs-kliniek en er meermaals per jaar vrijheid beperkende maatregelen moeten worden ingezet. Als het niet verstrekken van bijzondere bijstand voor de kosten van mentorschap ertoe leidt dat deze werkzaamheden van de mentor niet meer worden verricht, is de rechtbank van oordeel dat eiseres in een schrijnende situatie terecht kan komen als hiervoor bedoeld. Dit betekent dat wanneer er geen financiële middelen (meer) zijn en er geen mentor is die gratis werkzaamheden voor eiseres wil verrichten, in de situatie van eiseres voorstelbaar is dat zich zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Pw voordoen. Het college heeft dit ter zitting ook niet uitgesloten.
19. Uit wat in 17 en 18 is overwogen vloeit echter voort dat een acute noodsituatie op geen enkele andere wijze moet zijn te verhelpen dan door het verlenen van deze bijzondere bijstand. Daarvan was voor (de kosten van) het mentorschap van eiseres in 2025 geen sprake. Er stond immers voldoende saldo op de bankrekening van eiseres om de mentorkosten te voldoen en bovendien heeft de mentor aangegeven uit coulance gratis mentorwerkzaamheden voor eiseres te verrichten. De mentor heeft deze werkzaamheden dan ook het gehele jaar verricht waardoor de voornoemde schrijnende situatie zich niet heeft voorgedaan. Dit betekent dat in 2025 geen sprake was van een acute noodsituatie en het beroep op artikel 16, eerste lid, van de Pw niet slaagt. Kosten van bewindvoering
19. Ter zitting heeft eiseres ook betoogd dat er zeer dringende redenen zijn als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Pw ten aanzien van de kosten voor bewindvoering. Zij heeft dit echter niet onderbouwd. Daarom kan deze beroepsgrond niet slagen.
Beroep op het evenredigheidsbeginsel
22. Ten aanzien van het beroep van eiseres op het evenredigheidsbeginsel overweegt de rechtbank het volgende.
22. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Pw heeft een verplichtend karakter. Daarom is er in beginsel geen ruimte voor toetsing van een daarop gebaseerd besluit aan het evenredigheidsbeginsel. Uit het toetsingsverbod van artikel 120 vanPro de Grondwet volgt dat de rechter een bepaling van een wet in formele zin, zoals de Pw, niet mag toetsen aan de Grondwet en ook niet aan algemene ongeschreven rechtsbeginselen. Dit brengt mee dat de rechter niet mag oordelen over de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht bij de totstandkoming van die wettelijke bepaling. Als zich bijzondere omstandigheden voordoen waarmee de wetgever in zijn afweging geen rekening heeft gehouden, kan aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval als die bijzondere omstandigheden de toepassing van die bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. [2]
24. Bij de beantwoording van de vraag of ruimte bestaat voor een contra-legemtoepassing van een algemeen beginsel of (ander) ongeschreven recht hoeft niet altijd eerst te worden nagegaan of sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet volledig in de afweging van de wetgever zijn verdisconteerd. Denkbaar is immers dat direct al duidelijk is dat de door de belanghebbende gestelde bijzondere omstandigheden niet meebrengen dat toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege dient te blijven. In een dergelijke situatie behoeft de vraag of de gestelde bijzondere omstandigheden wel of niet (volledig) door de wetgever zijn verdisconteerd niet afzonderlijk te worden beantwoord. Een dergelijke situatie is hier aan de orde. In 2025 zijn de werkzaamheden door de mentor (en de bewindvoerder) verricht en was er voldoende saldo op de bankrekening van eiseres om de kosten te voldoen. Alleen al hierom is de rechtbank van oordeel dat de uitsluiting van bijzondere bijstand niet zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel dat de toepassing van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Pw hier achterwege moet blijven. Om die reden bestaat geen ruimte voor een contralegemtoepassing van het evenredigheidsbeginsel.
Eindoordeel
25. Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het college de aanvraag van eiseres voor bijzondere bijstand voor kosten van bewindvoering en mentorschap in 2025 terecht heeft afgewezen. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
26. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, voorzitter, en mr. S.A.J. de Jong-Nibourg en mr. R.A. de Wit, leden, in aanwezigheid van drs. M.T. Petersen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.
de griffier is verhinderde deze
uitspraak mede te ondertekenen
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985.
2.Zie de uitspraak van de CRvB van 31 maart 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:398, rechtsoverweging 4.3.