Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:398

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
23/786 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 PWArt. 6 EVRMArt. 120 GrondwetArt. 37b SrArt. 5 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijzondere bijstand wegens detentie ondanks beroep op evenredigheidsbeginsel

Appellant ontving sinds 2020 bijstand en werd in januari 2021 onder bewind gesteld. Het college kende bijzondere bijstand toe voor bewindvoeringskosten, maar trok deze per 9 april 2021 in vanwege detentie van appellant. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit.

In hoger beroep voerde appellant aan dat toepassing van artikel 13, eerste lid, onder a, van de Participatiewet (PW) vanwege onaanvaardbare financiële gevolgen achterwege moest blijven, omdat de kosten van bewindvoering tijdens detentie doorliepen terwijl hij die niet kon betalen. De Raad oordeelde dat artikel 13 PW Pro dwingend is en dat het evenredigheidsbeginsel niet toepasbaar is zonder bijzondere omstandigheden, die hier niet aanwezig zijn.

Appellant verzocht tevens om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad stelde vast dat de procedure ruim acht maanden te lang duurde en kende een vergoeding van €1.000 toe, te betalen door de Staat. De intrekking van de bijzondere bijstand blijft gehandhaafd, maar appellant ontvangt een vergoeding voor de termijnoverschrijding en een deel van zijn proceskosten.

Uitkomst: De intrekking van de bijzondere bijstand wegens detentie wordt bevestigd, maar appellant ontvangt een schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

23/786 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 januari 2023, 21/2789 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 31 maart 2026

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om een intrekking van algemene en bijzondere bijstand wegens detentie. Appellant heeft aangevoerd dat de toepassing van artikel 13, eerste lid, onder a, van de Participatiewet (PW) hier op grond van onaanvaardbare financiële gevolgen achterwege moet blijven. Appellant krijgt geen gelijk. Artikel 13, eerste lid, onder a, van de PW is dwingend geformuleerd. De stelling dat sprake is van onaanvaardbare financiële consequenties omdat de kosten van bewindvoering ook tijdens detentie doorlopen vormt geen bijzondere omstandigheid die ertoe kan leiden dat de toepassing van deze bepaling achterwege moet blijven. Appellant ontvangt wel een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.Y. Gans, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft appellant met een brief van 6 januari 2026 (regiebrief) in de gelegenheid gesteld om zijn gronden nader toe lichten. Hierop heeft mr. Gans op 2 februari 2026 gereageerd. Daarbij heeft appellant ook een verzoek ingediend om vergoeding van schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In verband met dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 februari 2026. Voor appellant is verschenen mr. Gans. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.E. Overhof.

OVERWEGINGEN

Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontving sinds 2020 bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Op 22 januari 2021 is appellant onder bewind gesteld. Met een besluit van 11 maart 2021 heeft het college appellant over de periode van 17 februari 2021 tot en met 31 januari 2026 bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering ter hoogte van € 154,88 per maand toegekend. Via de woonbegeleiders van appellant heeft het college de melding ontvangen dat appellant vanaf 9 april 2021 in detentie verblijft.
1.2.
Met een besluit van 21 mei 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 27 augustus 2021 (bestreden besluit), heeft het college de algemene bijstand en de bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering per 9 april 2021 ingetrokken. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant geen recht op bijstand meer heeft, omdat hij in detentie verblijft.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Uitsluiting bijzondere bijstand vanwege detentie
4.1.
Niet in geschil is dat appellant in de te beoordelen periode, die loopt van 9 april 2021 tot en met 21 mei 2021, in detentie verbleef en daarom op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW geen recht op algemene bijstand had. In geschil is of appellant recht op bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering had.
4.2.
Appellant heeft, mede gelet op wat ter zitting is besproken, in essentie aangevoerd dat aanleiding bestaat voor een contra-legemtoepassing van het evenredigheidsbeginsel en dat op grond daarvan toepassing van artikel 13, eerste lid, onder a, van de PW voor de bijzondere bijstand achterwege moet blijven. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat de kosten van bewindvoering tijdens de detentie doorliepen, terwijl hij tijdens de detentie geen geld had om deze kosten te voldoen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.3.
Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW heeft een verplichtend karakter. Daarom is er in beginsel geen ruimte voor toetsing van een daarop gebaseerd besluit aan het evenredigheidsbeginsel. Uit het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet volgt dat de rechter een bepaling van een wet in formele zin, zoals de PW, niet mag toetsen aan de Grondwet en ook niet aan algemene ongeschreven rechtsbeginselen. Dit brengt mee dat de rechter niet mag oordelen over de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht bij de totstandkoming van die wettelijke bepaling. Als zich bijzondere omstandigheden voordoen waarmee de wetgever in zijn afweging geen rekening heeft gehouden, kan aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval als die bijzondere omstandigheden de toepassing van die bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. [1]
4.4.
Bij de beantwoording van de vraag of ruimte bestaat voor een contra-legemtoepassing van een algemeen beginsel of (ander) ongeschreven recht hoeft niet altijd eerst te worden nagegaan of sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet volledig in de afweging van de wetgever zijn verdisconteerd. Denkbaar is immers dat direct al duidelijk is dat de door de belanghebbende gestelde bijzondere omstandigheden niet meebrengen dat toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege dient te blijven. In een dergelijke situatie behoeft de vraag of de gestelde bijzondere omstandigheden wel of niet (volledig) door de wetgever zijn verdisconteerd niet afzonderlijk te worden beantwoord. [2] Een dergelijke situatie is hier aan de orde. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat de kosten van bewindvoering zich voordeden, brengt de enkele stelling dat appellant die kosten niet kon betalen niet met zich dat de uitsluiting van bijzondere bijstand zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel dat de toepassing van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW hier achterwege moet blijven. Om die reden bestaat geen ruimte voor een contralegemtoepassing van het evenredigheidsbeginsel.
Verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn
5. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Dit verzoek wordt ingewilligd om de volgende redenen.
5.1.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.
5.2.
Voorgaande uitgangspunten betekenen in dit geval het volgende. Het college heeft het bezwaarschrift ontvangen op 12 juli 2021. Op de dag van deze uitspraak zijn vier jaar en ruim acht maanden verstreken. Noch de zaak zelf, noch de opstelling van appellant geven aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar mag bedragen. Dit betekent dat de redelijke termijn is geschonden met ruim acht maanden. Hierbij past een vergoeding van € 1.000,-. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden in de rechterlijke fase, komt de schadevergoeding ten laste van de Staat.

Conclusie en gevolgen

6. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekking van de bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering in stand blijft. Appellant krijgt wel een schadevergoeding van € 1.000,- in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. Wel ontvangt appellant een vergoeding voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding (1 punt met een wegingsfactor 0,5, in totaal 0,5 x € 934,- = € 467,-). Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling ter zitting van het verzoek om schadevergoeding bestaat in dit geval geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van schade aan appellant tot een bedrag van € 1.000,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door van P.W. van Straalen als voorzitter en C.F.E. van Olden-Smit en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van L. van Beelen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) L. van Beelen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 13 van Pro de Participatiewet
1. Geen recht op bijstand heeft degene:
a. aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
[…]
3. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt buiten een penitentiaire inrichting, een instelling voor de verpleging van ter beschikking gestelden of een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. Het eerste lid, onderdelen a en b, is niet van toepassing op de persoon aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten of, voor zover het het recht op bijzondere bijstand betreft, na ontslag van alle rechtsvervolging, van artikel 37b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht of op de persoon die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende maatregel op grond van die artikelen.
[…]
Artikel 5 van Pro de Participatiewet
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. bijstand: algemene en bijzondere bijstand
[…]
Artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraak van 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2399.
2.Zie de uitspraak van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.