Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3935

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
12024247
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671 BWArt. 7:677 lid 1 BWArt. 7:678 lid 1 BWArt. 7:678 lid 2 onder k BWArt. 7:669 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging ontslag op staande voet ambulanceverpleegkundige wegens onvoldoende dringende reden

Een ambulanceverpleegkundige werd op staande voet ontslagen door de GGD Brabant-Zuidoost vanwege vermeend seksueel grensoverschrijdend gedrag tijdens een personeelsuitje. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag niet rechtsgeldig is omdat de dringende reden niet voldoende is komen vast te staan.

De GGD baseerde het ontslag op meerdere gedragingen, waaronder seksuele toespelingen, het vastpakken van een collega, een intimiderend gesprek en victim shaming. De kantonrechter concludeert dat de beschuldigingen onvoldoende zijn bewezen en dat het ontslag een te zware sanctie is.

De kantonrechter wijst het verzoek van de GGD tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af en veroordeelt de GGD tot betaling van loon met wettelijke verhoging en rente, tot wedertewerkstelling binnen zeven dagen, en tot rehabilitatie binnen de organisatie. Tevens worden proceskosten aan de zijde van de GGD opgelegd.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt vernietigd en de GGD wordt veroordeeld tot loonbetaling, wedertewerkstelling en rehabilitatie.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer / rekestnummer: 12024247 \ EJ VERZ 25-729
Beschikking van 3 april 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. N. Mauer,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GGD BRABANT-ZUIDOOST,
gevestigd te Eindhoven,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: GGD,
gemachtigde: mr. M.P.W. Steuten.
De zaak in het kort
[verzoeker] vindt dat GGD hem ten onrechte op staande voet heeft ontslagen. Hij verzoekt om vernietiging van het ontslag op staande voet. De kantonrechter wijst dit toe omdat het ontslag niet (rechts)geldig is. Het tegenverzoek van GGD, dat ziet op ontbinding van de arbeidsovereenkomst, wordt afgewezen. Hieronder wordt toegelicht hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 17, ontvangen op 18 december 2025;
- het verweerschrift, met een tegenverzoek, met producties 1 tot en met 11;
- de brief van [verzoeker] van 11 maart 2026 met de aanvullende productie 18;
- de mondelinge behandeling van 16 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de spreekaantekeningen van beide gemachtigden.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 maart 2026. [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door gemachtigde mr. Mauer. Namens GGD zijn verschenen mevrouw [A] (directeur Publieke Gezondheid), mevrouw [B] (HR Business Partner) en de heer [C] (Manager Ambulancezorg), bijgestaan door gemachtigde mr. Steuten.
1.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
GGD is binnen de regio Eindhoven verantwoordelijk voor (algemene) gezondheids-dienstverlening. Onderdeel van het takenpakket van GGD is (onder meer) ambulancezorg. Ambulancezorg is bij GGD ingericht vanuit meerdere ambulanceposten, alwaar werknemers van GGD de ambulance bemannen en de ritten (zowel spoed als niet-spoed) verzorgen.
2.2.
[verzoeker] , geboren [geboortedatum] 1966, is sinds 15 september 1999 voltijds in dienst bij GGD. De functie van [verzoeker] is ambulanceverpleegkundige met een loon van € 5.746,00 bruto per maand met emolumenten. [verzoeker] was laatstelijk gestationeerd op de ambulancepost Eindhoven-Zuid bij [naam ambulancepost 1] ( [naam ambulancepost 1] , hoog-complexe zorg met de spoedambulances) en van daaruit werkzaam op alle ambulanceposten in de regio zuid-oost.
2.3.
Het functioneren van [verzoeker] is keer op keer goed beoordeeld.
2.4.
Op 4 en 5 september 2025 heeft een uitje van de personeelsvereniging plaatsgevonden. [verzoeker] was voorzitter van de personeelsvereniging en gedurende het gehele uitje aanwezig. Bij dat uitje hoorde ook een overnachting in een blokhut. Deze blokhut was geregeld door mevrouw [D] , een collega van [verzoeker] .
2.5.
Het uitje begon met een boottocht, waarbij men ook kon waterskiën. In de avond was er een barbecue en een kampvuur. Gedurende de dag en avond is er alcohol genuttigd door de deelnemers.
2.6.
Tegen het einde van de laatste activiteit, de barbecue en het kampvuur, was nog maar een beperkt aantal deelnemers aanwezig, te weten [verzoeker] , de heer [E] , de heer [F] , mevrouw [D] , de heer [G] , de heer [H] , de heer [I] , de heer [J] en mevrouw [K] . [K] vertrok van de locatie omstreeks 23:00 uur en [I] en [J] omstreeks middernacht.
2.7.
De deelnemers die nog aanwezig waren zijn op enig moment gaan slapen, in eerste instantie op de slaapzaal (slaapzolder). Wegens gesnurk van [G] hebben [verzoeker] , [E] en [D] op enig moment besloten zich naar de gymzaal te verplaatsen. [F] is op een later moment ook naar de gymzaal gekomen.
2.8.
Tussen half 4 en 4 uur in de nacht heeft [D] de blokhut verlaten en de deur afgesloten. Zij heeft tussen 04.00h en 04.22h via whatsapp diverse berichten met [E] uitgewisseld. [D] schrijft:
[E] heeft gereageerd op de berichten van [D] , maar hij heeft zijn berichten later die nacht weer verwijderd.
[D] heeft een vriend gebeld, die haar heeft opgehaald en naar huis heeft gebracht.
De volgende ochtend is [D] teruggekomen naar de blokhut om op te ruimen.
2.9.
Na het uitje van de personeelsvereniging had [verzoeker] vakantie. Op 6 oktober 2025 is hij weer aan het werk gegaan. [verzoeker] hoorde toen over verwijten aan zijn adres die [D] met collega’s had gedeeld. [verzoeker] heeft [D] vervolgens daar op 8 oktober 2025 op aangesproken, er is een discussie ontstaan. Een andere collega, mevrouw [L] , was daar getuige van. Het gesprek tussen [verzoeker] en [D] is voortijdig beëindigd omdat [verzoeker] werd opgeroepen voor een ambulancerit. Na de rit hebben [verzoeker] en [D] het gesprek vervolgd.
2.10.
Na voornoemd gesprek van 8 oktober 2025 heeft [D] bij GGD gemeld dat er tijdens het personeelsuitje op 4 en 5 september 2025 iets is voorgevallen. GGD is een onderzoek gestart en heeft op 10 oktober 2025 de volgende collega’s gehoord: [M] , [I] , [E] , [D] , [F] en [verzoeker] . Op 15 oktober 2025 heeft GGD [H] en [G] gehoord.
[D] heeft op enig moment telefoongesprekken gevoerd met [F] en [E] , welke gesprekken zij heeft opgenomen, zonder daarvan melding te maken. Deze gesprekken c.q. de transcripties heeft GGD ook in het onderzoek meegenomen.
2.11.
Op 13 oktober 2025 heeft [verzoeker] een whatsapp-bericht gestuurd aan de heer [I] :
“Goedemorgen [I] , je hebt gehoord dat er een integriteit onderzoek loopt nav het PeeVee uitje. Het betreft een onderzoek ivm [D] . [E] , ik en [F] zijn daarvoor gehoord. [E] en ik hebben niks geks gedaan. Ik heb van [G] gehoord, en ook zelf gezien dat het gedrag van [D] niet oké is. Zij heeft met jou liggen flirten en met nog meer mannen. mijn vraag is of jij ook wordt gehoord? Tis namelijk belangrijk dat haar gedrag wat ze daar liet zien niet normaal is en door meerdere personen wordt verteld. [G] heeft al met [C] gebeld. Dit heeft ze nl ook al vaker geflikt"
2.12.
Op 14 oktober 2025 (verslag van 20 oktober 2025) heeft de gemachtigde van GGD gesproken met [D] .
2.13.
Bij brief van 15 oktober 2025 heeft GGD [verzoeker] per direct vrijgesteld van het verrichten van zijn werkzaamheden.
2.14.
[verzoeker] is op 20 oktober 2025 nogmaals gehoord door GGD, en GGD heeft telefonisch gesproken met [L] .
2.15.
Op 21 oktober 2025 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. GGD heeft het ontslag in een 15 pagina’s tellende ontslagbrief d.d. 22 oktober 2025 (“de Ontslagbrief”) aan [verzoeker] bevestigd. GGD schrijft in deze brief, onder andere:
“Waarom zijn uw gedragingen reden voor een ontslag op staande voet?
Uw gedrag tijdens het personeelsuitje kwalificeren wij als ernstig grensoverschrijdend en volstrekt ontoelaatbaar. U bent tijdens het personeelsuitje over de grenzen van mevrouw [D] heengegaan door, op het moment dat u wilde gaan slapen in de gymzaal, ontoelaatbare seksuele toespelingen te maken als hiervoor omschreven. U hebt gesproken over orale seks, over trio's, seks met meerdere mannen, en dat seks lekker was.
De omstandigheden waaronder u uw seksuele uitlatingen jegens mevrouw [D] deed zijn veelzeggend: Midden in de nacht, in een afgelegen locatie in de bossen, met meerdere mannelijke collega's van minimaal middelbare leeftijd (u bent zelf bijna 60) en mevrouw [D] , een jonge vrouwelijke collega van 25 jaar, net 1,5 jaar in dienst. Mevrouw [D] bevond zich in een situatie waarin zij afhankelijk was en zich kwetsbaar voelde.
Zij heeft zich op dat moment door uw gedragingen en die van de heer [F] , met een collega die niets deed (de heer [E] ) dusdanig bedreigd gevoeld dat zij is gevlucht terwijl zij een vriendin juist beloofd had goed op de locatie te passen.
In de voor mevrouw [D] zeer bedreigende situatie in de nacht van 4 op 5 september hebt u haar niet alleen met seksuele bewoordingen bejegend, maar op het moment dat zij wilde vertrekken, primair vanwege aanrakingen door de heer [F] , ook haar arm vast gepakt met kennelijke bedoeling om haar het vertrek te verhinderen.
Tekenend is dat zij midden in de nacht, om 04:18 uur, een app stuurde naar de heer [E] waarin zij schreef 'ben ik op straat nog veiliger’ en 'sorry maar ik hoop dat je het begrijpt'. U bent een ervaren, en het moet gezegd worden tot voor kort gewaardeerde, medewerker met een lange staat van dienst bij de GGD Brabant-Zuidoost. U had echt beter moeten weten.
Vervolgens bent u haar grenzen overgegaan door de gebeurtenissen en dan in het bijzonder uw inbreng in die gebeurtenissen categorisch te ontkennen en haar, in dat verband, onheus en intimiderend te bejegenen op 8 oktober 2025 op de wijze als hiervoor omschreven.
U hebt met inzet van taal, lichaamstaal haar in een positie proberen te manoeuvreren dat zij erkende dat u geen verwijt viel te maken en dat u samen 'verder kon', of zoals u het omschreef zodat de neuzen weer dezelfde kant op wezen. Hiermee bent u volstrekt over de grenzen van mevrouw [D] heen gegaan, die zich op dat moment al in een kwetsbare positie bevond. Dit moet voor u waarneembaar zijn geweest, aangezien zij in ieder geval direct na het gesprek huilde en in een soort shock toestand verkeerde. In ieder geval moet het voorspelbaar zijn geweest.
Uw volgende misdraging is dat u geprobeerd hebt om collega [I] voor uw kar te spannen door te proberen hem ertoe te bewegen te verklaren dat vooral mevrouw [D] verkeerd bezig was. Wij kwalificeren dit als victim shaming. Op geen enkele wijze kan uw gedrag uit de opstelling van mevrouw [D] gerechtvaardigd worden, zelfs niet als zij inderdaad bij bijvoorbeeld de heer [I] op schoot is gaan zitten.
Wij voegen hieraan toe dat ons het doel van uw actie in de richting van de heer [I] ontgaat. Immers, als het zou kloppen wat u stelt en u hebt geen onvertogen woord laten vallen, waarom dan de last bij mevrouw [D] leggen? Het ziet ernaar uit dat u rekening hebt gehouden met een scenario waarbij wél op tafel zou komen dat u grensoverschrijdend gedrag hebt vertoond zodat u dan met de beschuldigende vinger naar mevrouw [D] zou kunnen wijzen.
Tegenover het wat ons betreft ruim voorhanden bewijs dat u wel degelijk in de nacht van 4 op 5 september u ernstig misdragen hebt jegens mevrouw [D] hebt u gisteren gesteld dat u niets te verwijten valt en dat u in het gymzaaltje nagenoeg meteen bent gaan slapen. U hebt in de ochtend erna, naar zeggen van mevrouw [D] , echter gezegd dat u 'alles nog wist' en dat er 'niets gebeurd was'. Wij vragen ons af hoe u kunt weten dat er niets gebeurd is als u sliep.
Al met al hebt u gisteren ten overstaan van uw directeur glashard ontkend, hetgeen wij in strijd achten met wat wij van een goed ambtenaar kunnen verwachten.
Alle hiervoor omschreven gedragingen, en dan in het bijzonder uw uitlatingen op 4/5 september 2025, het vastpakken van de arm, uw opstelling op 8 oktober 2025, uw bericht aan de heer [I] van 13 oktober 2025, en uw onwaarachtige verklaring op 20 oktober 2025, zijn u te verwijten en liggen gezamenlijk en afzonderlijk ten grondslag aan dit ontslag op staande voet, waarbij wij opmerken dat de uitlatingen, het vastpakken van de arm, uw intimiderende opstelling op 8 oktober 2025 en uw app aan de heer [I] als losstaande gedragingen ook voldoende grondslag opleveren voor ontslag op staande voet.”

3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter voor recht te verklaren dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven. Daarnaast
primairhet ontslag op staande voet te vernietigen en GGD te veroordelen tot betaling van loon met wettelijke verhoging en rente. Ook verzoekt [verzoeker] om GGD te veroordelen om hem weder te werk te stellen en hem te rehabiliteren binnen de organisatie, op straffe van een dwangsom.
Subsidiairen
uiterst subsidiairverzoekt hij GGD te veroordelen tot betaling aan hem van een transitievergoeding van € 70.728,33 bruto.
In alle gevallenverzoekt [verzoeker] om aan hem een schadevergoeding van € 30.000,- netto toe te kennen en GGD te veroordelen tot het verstrekken van specificaties van de genoemde bedragen en/of loonbetaling(en), met veroordeling van GGD in de proceskosten.
3.2.
[verzoeker] legt aan zijn verzoeken ten grondslag – kort gezegd – dat hij ten onrechte op staande voet is ontslagen. Hij stelt daartoe dat er geen sprake is van onverwijldheid en een onverwijlde mededeling, noch van een dringende reden. De opzegging dient te worden vernietigd en GGD dient het salaris van [verzoeker] door te betalen en hem toe te laten toe zijn werkzaamheden.
Subsidiair en uiterst subsidiair, in het geval vernietiging niet plaatsvindt, dan is GGD aan [verzoeker] een transitievergoeding verschuldigd omdat de opzegging niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] , danwel het niet toekennen van de transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarnaast maakt [verzoeker] aanspraak op een schadevergoeding, omdat GGD onrechtmatig jegens hem gehandeld heeft. [verzoeker] stelt daartoe dat GGD op (zeer) onzorgvuldige en gebrekkige wijze onderzoek heeft uitgevoerd naar aanleiding van de beschuldigingen aan zijn adres. De beschuldigingen zijn onterecht en [verzoeker] heeft daardoor immateriële schade geleden, bestaande uit de aantasting van zijn eer en goede naam.
3.3.
GGD voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. GGD voert ‑ samengevat ‑ aan dat zij [verzoeker] op goede gronden en met inachtneming van de geldende regels op staande voet ontslagen heeft. Op het verweer wordt hieronder verder ingegaan.

4.Het voorwaardelijk tegenverzoek en het verweer

4.1.
GGD verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] voorwaardelijk
– indien die na 21 oktober 2025 heeft voortgeduurd – op zo kort mogelijke termijn te ontbinden,
primairvanwege (ernstig) verwijtbaar handelen,
subsidiairvanwege een verstoorde arbeidsverhouding en
meer subsidiairvanwege een combinatie van omstandigheden, zonder toekenning van een transitievergoeding aan [verzoeker] . Een en ander met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.
4.2.
[verzoeker] voert verweer en stelt dat de verzoeken van GGD moeten worden afgewezen. Voor zover wel tot ontbinding wordt overgegaan, is dat volgens [verzoeker] te wijten aan het ernstig verwijtbaar handelen van GGD. In dat geval maakt [verzoeker] aanspraak op een billijke vergoeding, de transitievergoeding en een schadevergoeding. Op het verweer wordt hieronder verder ingegaan.

5.De beoordeling van het verzoek

5.1.
In de kern genomen ziet het geschil tussen partijen op de vraag of GGD [verzoeker] rechtsgeldig op staande voet heeft ontslagen.
5.2.
De kantonrechter stelt vast dat [verzoeker] en GGD de twee partijen in deze procedure zijn en dat [D] de derde in dit geschil is. GGD heeft in de stukken benadrukt dat [D] slachtoffer is en dat haar niets te verwijten valt. Van de zijde van [verzoeker] is aangegeven dat [D] ‘niet normaal’ gedrag heeft vertoond zoals op schoot zitten en flirten. Wat daarvan zij, bij de beoordeling van het ontslag op staande voet en het ontbindingsverzoek gaat het - onder meer - om het gestelde gedrag van degene aan wie het gedrag wordt verweten (hier: [verzoeker] ), ongeacht het al dan niet gesteld ‘uitlokkend’ gedrag van de ander.
Juridisch kader
5.3.
Bij de beoordeling wordt het volgende vooropgesteld. Omdat het ontslag op staande voet een uiterste middel is, stelt de wet daaraan strenge eisen. Deze zijn terug te vinden in artikel 7:677 lid 1 BW Pro: de opzegging moet onverwijld zijn en vergezeld gaan van mededeling van de reden voor ontslag, die bovendien als dringende reden moet gelden.
Onverwijlde opzegging
5.4.
Het standpunt van [verzoeker] dat de opzegging niet onverwijld heeft plaatsgevonden, wordt verworpen. Voor het antwoord op de vraag of een ontslag op staande voet al dan niet onverwijld is gegeven, is beslissend het tijdstip waarop de dringende reden van dat ontslag ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was het ontslag te verlenen. De eis van onverwijldheid laat ruimte voor de werkgever om onderzoek te doen naar de juistheid van het vermoeden, om deskundig (juridisch) advies in te winnen of om het tot ontslag bevoegde orgaan bijeen te roepen alvorens tot ontslagaanzegging over te gaan. Wel moet steeds met de nodige voortvarendheid worden gehandeld.
GGD heeft toegelicht dat de incidenten van 4/5 september 2025 op 8 oktober 2025 aan de oppervlakte zijn gekomen. Vervolgens zijn op 10 oktober 2025 diverse gesprekken gevoerd. In de situatie waarin sprake was van het woord van [D] tegenover het woord van [verzoeker] vond GGD het belangrijk nog een extra gesprek te voeren met hen beiden. Dat heeft op 15 en 20 oktober 2025 plaatsgevonden. Daarbij genomen de noodzakelijke stappen om de beschikbare informatie te verwerken, de ziekte van de directeur, het weekend ertussen en de noodzakelijke afstemming, is volgens GGD het standpunt gerechtvaardigd dat het ontslag op 21 oktober 2025 onverwijld is gegeven.
Nu op GGD de verplichting rust om zorgvuldig te handelen en gelet op de omschreven gang van zaken, heeft zij voldoende voortvarend gehandeld. Dat [verzoeker] in het gesprek op 20 oktober 2025 geen nieuwe feiten heeft gepresenteerd, doet daar niet aan af. Dat GGD voordat zij overging tot een ontslag op staande voet [verzoeker] nogmaals wilde horen, is zorgvuldig en staat niet aan een onverwijld ontslag in de weg.
Onverwijlde mededeling
5.5.
Het standpunt van [verzoeker] dat de dringende reden niet onverwijld aan hem is medegedeeld, wordt eveneens verworpen.
Uit hetgeen in de Ontslagbrief is omschreven, in combinatie met hetgeen blijkt uit de gespreksverslagen van 10 en 20 oktober en de brief d.d. 15 oktober 2025 ten aanzien van de vrijstelling werkzaamheden, moet het voor [verzoeker] voldoende duidelijk zijn geweest wat voor GGD de dringende reden was om hem te ontslaan.
Dringende reden
5.6.
Naast een onverwijlde opzegging en een onverwijlde mededeling moet sprake zijn van een dringende reden. Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW Pro worden als dringende redenen in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW Pro beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Een dringende reden zal onder andere aanwezig geacht kunnen worden wanneer de werknemer grovelijk de plichten veronachtzaamt, welke de arbeidsovereenkomst hem oplegt (artikel 7:678 lid 2 onder Pro k BW).
5.7.
Bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, in aanmerking worden genomen. Hierbij moeten de aard en ernst van de aangevoerde dringende reden worden afgewogen tegen de door de werknemer aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Relevant daarbij zijn aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer zijn werk heeft vervuld en ook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Ook als de gevolgen van een ontslag op staande voet ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen aard en ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst was gerechtvaardigd.
Dringende reden
5.8.
De redenen voor het ontslag op staande voet die GGD in de Ontslagbrief geeft, zijn – kort gezegd – dat [verzoeker] :
in de nacht van 4 op 5 september 2025, tijdens het uitje van de personeels-vereniging, seksueel grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond richting [D] door ontoelaatbare seksuele toespelingen te maken zoals in de Ontslagbrief beschreven;
in deze nacht van 4 op 5 september 2025 [D] bij de arm heeft vastgepakt met de kennelijke bedoeling haar vertrek te verhinderen;
op 8 oktober 2025 [D] onheus en intimiderend heeft bejegend op de wijze zoals in de Ontslagbrief beschreven;
heeft geprobeerd [I] “voor zijn kar te spannen” door hem per whatsapp-bericht van 13 oktober 2025 ertoe te bewegen negatief te verklaren over [D] , ofwel te doen aan “victim shaming’’; en
op 20 oktober 2025 een onwaarachtige verklaring heeft afgelegd ten overstaan van GGD.
Ad 1: Ontoelaatbare seksuele toespelingen
5.9.
GGD verwijt [verzoeker] dat hij [D] herhaaldelijk verbaal seksueel heeft bejegend. GGD plaatst dit uitdrukkelijk in de context dat [D] (een verpleegkundige van 25 jaar met 1,5 jaar dienstverband) samen met drie mannen van min of meer middelbare leeftijd die langdurig werkzaam waren in de organisatie, midden in de nacht in een afgelegen blokhut in de bossen in een slaapzak in een gymzaal lag. GGD stelt dat [verzoeker] , al dan niet letterlijk, het volgende heeft gezegd:
  • hij heeft [D] gevraagd of ze al wel eens echt goed gebeft was en of zij dat ook fijn vond,
  • hij heeft gezegd dat [D] een lekker wijf is,
  • hij heeft gesproken over seks met [D] ,
  • over een trio en met zijn vieren,
  • en dat seks zo lekker is.
5.10.
Mevrouw [A] (directeur Publieke Gezondheid bij GGD) heeft op zitting toegelicht dat GGD werkt in een sector waar veiligheid en vertrouwen de hoogste prioriteit hebben. Zij draagt als directeur de verantwoordelijkheid voor de groep en voor de individuen. Zij stelt dat, nu de sociale veiligheid hier in het geding was, zij geen andere beslissing kon nemen dan het geven van het ontslag.
5.11.
De kantonrechter is het met GGD eens dat veiligheid en vertrouwen zeer belangrijk zijn voor werk in het algemeen en zeker ook voor het werk dat GGD uitvoert. Het is tussen partijen ook niet in geschil dat het op de weg ligt van GGD om er iets aan te doen als collega’s elkaar onderling op deze manier aanspreken. Uit de verklaringen van collega’s, die [verzoeker] heeft overgelegd, blijkt echter dat dat door collega’s onderling veelvuldig seksistische en grensoverschrijdende opmerkingen worden gemaakt. Diverse collega’s verklaren dat ook leidinggevenden hiervan op de hoogte waren. Desgevraagd heeft [C] , de leidinggevende van [verzoeker] , bij de mondelinge behandeling op dit punt verklaard dat hij de verhalen over de omgang niet herkent, dat het voor managers onmogelijk is altijd aanwezig te zijn bij gesprekken, dat de medewerkers veel autonomie hebben, dat hij herkent dat er soms woorden vallen en dat er dingen gezegd worden net op of net over de grens. Gesteld noch gebleken is dat andere medewerkers hier ooit voor berispt zijn. Onder deze omstandigheden is de kantonrechter daarom van oordeel dat, veronderstellenderwijs aannemende dat [verzoeker] tegen [D] heeft gezegd wat hiervoor is opgenomen, dit onvoldoende is om een ontslag op staande voet te rechtvaardigen.
In dit verband doet GGD ook een beroep op de in het op de arbeidsovereenkomst toepasselijke Personeelshandboek opgenomen en op Intranet genoemde Gedragscode en de algemeen geldende overtuigingen waaruit volgt dat collega’s respectvol met elkaar om dienen te gaan en moeten zorgen voor een veilige werkomgeving. Meer concreet staat in de Gedragscode onder 6.1 dat melding gemaakt wordt van seksuele intimidatie zodat het ongewenste gedrag kan worden gestopt, dat met de vertrouwenspersoon kan worden gepraat en dat een klacht kan worden ingediend. GGD concludeert hieruit dat de Gedragscode aan duidelijkheid niets te wensen over laat. De kantonrechter deelt deze conclusie voor wat betreft de door GGD en haar medewerkers voorgestane respectvolle manier van omgaan met elkaar en een veilige werkomgeving. Anders dan GGD ziet de kantonrechter hierin niet een aanknopingspunt voor het ontslag op staande voet nu behalve de hiervoor genoemde stappen van melding, vertrouwenspersoon en klacht de Gedragscode geen sancties verbindt aan (het gestelde en betwiste) grensoverschrijdend gedrag. Een beroep op de Gedragscode baat GGD dus niet als aanknopingspunt voor het ontslag op staande voet.
5.12.
Gelet op de overige verwijten die GGD [verzoeker] maakt, welke verwijten ook in onderling verband volgens GGD een dringende reden opleveren, is wel van belang dat komt vast te staan of [verzoeker] deze bewoordingen heeft gebruikt. De kantonrechter oordeelt dat dit niet is komen vast te staan.
5.13.
GGD onderbouwt de verwijten aan [verzoeker] met de verklaringen van [D] van 10 en 15 oktober 2025, de whatsapp-berichten van [D] aan [E] , de heimelijk door [D] opgenomen gesprekken met [E] en [F] , de verklaringen van [M] en [L] en de handgeschreven verklaring van [D] .
a. In het verslag van het gesprek op 10 oktober 2025 heeft [D] aangevuld:
“In de gymzaal stelde [verzoeker] letterlijk mij de vraag: vind je beffen ook zo lekker? En of ik seks ook zo lekker vindt. Ik lachte dat weg uit ongemakkelijkheid en daarna antwoordde ik niet meer. Hij had het veel over seks, hij zei seks is zo lekker. Daarna kwam [F] aanlopen. [F] zat aan mij, waardoor het erg veel werd voor mij en ik niet precies de exacte zinnen weet die [verzoeker] heeft verteld/gevraagd. Maar het ging continue over seks en trio's.”
b. In het verslag van het gesprek op 15 oktober 2025 is opgenomen:
En hoe ging dat toen? Want in je verklaring staat dat het toen steeds meer over seks ging.
(…)
Toen ging ik nog iets halen en toen kwam ik teruggelopen en toen vroeg [verzoeker] dus aan mij van, ja hij vroeg gewoon letterlijk, “ [D] , vind jij beffen ook zo lekker” En toen dacht ik echt: wat zeg jij nou? Ja, ik lag daar en ik dacht die is gewoon zat, weet je wel, die weet niet waar hij het over heeft. Maar zo ging het eigenlijk alleen maar verder met praten. Het ging eigenlijk alleen maar over seks en van alles. Op dat moment ..
Sorry dat ik je even onderbreek [D] , wat heeft hij nog meer gezegd, wat voor seksuele uitlatingen deed hij dan?
Nou, hij vroeg vooral van of ik dat ook zo lekker vond en hij zei seks is echt zo lekker en zulke dingen sprak hij uit naar mij. (...)
Sorry dat ik je nog even onderbreek, want waar je nu naar toe wilt daar gaan we het dadelijk
ook nog even over hebben, maar [B] heeft nu in haar verslag opgeschreven van, vind je
beffen ook zo lekker, en wat vind je van een trio met oude mannen of zullen we met z’n vieren, lekker wijf ben je, en ik wil seks met jou.
Ja. Misschien komt dat uit de Whatsapp. Hij heeft wel gevraagd, of ja gevraagd, dat een trio hem wel leuk lijken en zei gewoon van: 'seks is echt lekker’. Dat zijn de dingen waarvan ik zeker weet dat hij dat gewoon zo gevraagd en gezegd heeft.
Maar wat ik dus eigenlijk wou zeggen was: omdat [F] tegelijkertijd zo aan mij zat en [verzoeker] ook nog dingen aan het vragen en aan het zeggen was, heb ik dat toen niet helemaal gevolgd en precies onthouden. Er kwam zoveel op mij af, maar het ging vooral allemaal over seks.
(…)
Maar wat zei je nou net over whatsapp?
Ik heb naar [E] , zeg maar toen ik ben aangelopen naar huis, heb ik [E] tegelijkertijd whatsapp berichten gestuurd.
Ja, die heb ik gezien, die heeft [B] mij toegestuurd.
Want ik heb in het gesprek zelf niet gezegd tegen haar van lekker wijf, blablabla, maar dat staat daar dus in die screenshots. En zij zei dus ook, het is belangrijk die eerste berichten of zo zeg maar, dat is zeg maar wat jouw gevoel toen ja, waar het dus over ging. Dat zijn dingen die ik allemaal voorbij heb horen komen. Maar omdat [F] tegelijkertijd zo bezig was, weet ik niet precies wat hij daarover aan mij heeft gevraagd... ja, het ging zo snel, en het was zo’n heftig gevoel wat ik toen had. Ik dacht “ik moet hier echt weg”, ik kan dat niet precies navertellen. Of precies de zinnen die hij heeft gezegd.”
In beide gespreksverslagen geeft [D] aan dat [verzoeker] aan haar heeft gevraagd of zij beffen ook zo lekker vindt, dat hij heeft gesproken over een trio en over dat seks zo lekker is, maar ook in beide verslagen is opgenomen dat [D] de exacte zinnen niet meer precies weet.
c. In haar handgeschreven verklaring (die [D] naar eigen zeggen enkele weken na het weekend van begin september 2025 voor zichzelf heeft opgesteld) heeft [D] geschreven
“(…) Eenmaal daar geïnstalleerd, vroeg [verzoeker] aan mij: of ik al eens echt goed gebeft ben, of dat ik dat ook fijn vind /Precies de zin weet ik niet, maar hier kwam het op neer. Vervolgens ging het veel over seks, in eerste instantie zag ik dit nog als een grap en wist ik mezelf even geen houding te geven, ik lach dan dingen ook een beetje weg. (…) Vervolgens kwam [F] ook naar deze zaal gelopen en kwam hij met zijn hoofd op mijn kussen liggen, waardoor ik niet kon liggen. [F] ging met zijn hand onder mijn shirt over mijn rug, naar beneden. Voor mijn gevoel was dit op een dwingende manier (stevige hand). Daardoor ben ik overeind gaan zitten en zei ik hou op. Op den duur maar weer gaan liggen, waarop dit wederom gebeurde, toen voelde ik me erg onveilig waarop ik besloten heb om te gaan/naar huis. [F] kwam achter mij aan en zei meteen sorry, “had niet mogen gebeuren”. Ik ben vertrokken en de deur op slot gedaan. Ik ben aangelopen en een hele goede vriend gebeld. (…)”Hieruit blijkt dat [D] zich herinnerde dat [verzoeker] het tegen haar had gehad over beffen en over seks en dat ze niet meer precies weet wat er is gezegd.
d. In de whatsapp-wisseling, die onder rechtsoverweging 2.8 is opgenomen, komen deze vragen over beffen niet terug. In die whatsapps komt vooral naar voren dat iedereen over seks praat: (04.04h:
“ik lig daar gwn omdat ik geen bed heb, en iedereen zegt lekker wijf, seks met jou, trio, met zijn 4e, lekker bla bla bla”en 4.04h
“Hoor die praat van iedereen. Niet oké”en 04.07h
“IK WEET NIET WAT JIJ DENKT, maar iedereen en iedereen Praat zo En zit aan me Niet normaal”.[verzoeker] [opmerking kantonrechter: [verzoeker] ] wordt daarbij twee keer bij naam genoemd
04.12h “ [verzoeker] gaat zo raar doen”en 04.22h
“ [verzoeker] heeft t alleen maar over seks En trio’s ofzo”> Hieruit wordt niet duidelijk welke vragen of opmerkingen hij direct aan [D] heeft gericht.
e. In de transcripties van de telefoongesprekken met [E] en [F] leest de kantonrechter geen bevestiging van de aan [verzoeker] verweten uitspraken. [D] geeft in het telefoongesprek met [F] aan
“(..) Dan gaan we, ja, dat maakt niet uit kijk als wij daar gaan liggen omdat die [G] aan het snurken was nou prima, maar ineens gaat [verzoeker] dan ook zeggen van ja seks met jou met zijn allen en bla bla bla..”[F] :
“Ja, dat was echt niet ok.”[D] :
“ja, maar het, nee dat was niet ok maar het ging gewoon, het bleef continue doorgaan dat hij dat wilde en allemaal dat soort dingen kijk en jij hebt gewoon ja, jij hebt gewoon aan mij gezeten (..)”Waar [D] zegt
“Ik zeg maar jullie doen net of er niks gebeurd is terwijl [verzoeker] echt hartstikke hard in me gezicht naar iedereen heeft gezegd dat hij seks wil met mij en met iedereen en met jullie allemaal en dat is lekker bla bla bla.”reageert [F] met
“Ja goed ik kan natuurlijk niet voor anderen praten. Ik kan alleen voor mezelf praten.”
In de transcriptie van het gesprek met [E] geeft [D] over [verzoeker] aan
“Maar jij hebt het niet eens meegekregen. Ik weet niet hoor maar eh [verzoeker] die loopt tegen mij allemaal te zeggen zeg weet ik veel wat dat is gewoon zo, maar [F] zal ook gezegd. Die weet alles hoor?”Waarop [E] antwoordt
“Nee ik weet ook alles.”Daarna gaat het gesprek verder over [F] . Aan het eind van het gesprek met [E] komt [D] terug op [verzoeker] en zegt
“(…) En hoe dan [verzoeker] die was wel echt dingen aan het zeggen en dat weet je ook, kijk is misschien een maat van jou en je wilt hem verdedigen, maar die heeft doorgezegd.”Waarop [E] aangeeft
“Die heeft wel wat dingen inderdaad gezegd.”En [D] :
“Ja die heeft dingen tegen mij gezegd.”[E] :
“Maar hij was ook kets zat.”En tot slot [D] :
Ja, dat kan, maar dan nog op mij is dat wel zo overgekomen.”
Hierin geeft [E] dus aan dat [verzoeker] wel wat dingen gezegd heeft, maar wat voor dingen, en of dat direct aan [D] gericht was, volgt hier niet uit. [D] zelf geeft dit evenmin aan in het telefoongesprek met [E] zodat dit onduidelijk blijft. [E] heeft op 10 oktober 2025 ook nog een verklaring afgelegd en hierin geeft [E] aan over de situatie in de gymzaal
“ [E] herinnert zich dat er seksueel getinte opmerkingen werden gemaakt, vooral door [verzoeker] en [D] . Als [B] en [naam] naar voorbeelden vragen kan [E] zich deze niet herinneren.”(toevoeging [E] : )
”Het waren geen seksueel getinte opmerkingen, maar ik had het over schuine praat/zattemanspraat. Er werd gelachen en de sfeer was goed.”Dan gaat het verslag verder:
“ [E] en [F] lachten mee, maar [E] weet niet meer precies wat er gezegd is. Wellicht iets over een trio zegt [E] , maar dat was “zattemanspraat”. Het was inmiddels rond half 4. [F] had al half geslapen, maar [D] was erg wakker. [D] praatte, en [verzoeker] ook. Volgens [E] heeft [F] ook nog wel wat gezegd, maar hij herinnert zich niet wat er is gezegd. Hij geeft aan zelf niet meegedaan te hebben omdat hij het niet gepast vond. Op de vraag wat er dan gezegd is wat niet gepast was, kan hij niet antwoorden.”
f. GGD heeft ook verwezen naar de verklaring van [M] . [M] was niet aanwezig bij de overnachting in de blokhut en verklaart wat hij van [D] heeft gehoord. [M] verklaart dat [D] tegen hem heeft verteld dat [F] aan haar heeft gezeten, dat [verzoeker] aan haar arm heeft getrokken en dat [F] achter haar aan is gekomen om te zeggen dat ze niet weg moet gaan. Uit de verklaring van 10 oktober 2025 blijkt dat [M] meerdere keren met [D] heeft gesproken maar in zijn verklaring komt niet terug wat [D] in die gesprekken heeft gezegd over [verzoeker] . Wel geeft [M] aan dat hij boos en teleurgesteld is in zijn collega’s
“op [verzoeker] vanwege zijn seksueel getinte opmerkingen”maar wat die opmerkingen zijn geweest volgt niet uit de verklaring van [M] .
g. Ook [L] heeft verklaard over wat [D] tegen haar heeft gezegd, te weten dat [F] haar aanraakte, dat [E] het ook een keer heeft geprobeerd maar dat die daarmee meteen is opgehouden toen [D] dat vroeg en dat [verzoeker] ondertussen opmerkingen aan het maken was
“van [D] zo lekker seks met z’n allen, het lijkt me zo lekker, ik heb er echt zin in.”
h. [verzoeker] heeft verklaard dat hij, [E] , [F] en [D] met elkaar hebben gepraat in de gymzaal, dat hij vervolgens in slaap is gevallen en niet de hem verweten uitspraken heeft gedaan. Uit de verklaringen van [E] , [F] en [D] die er ook bij waren in de gymzaal en die alledrie verklaren dat [verzoeker] wakker was en opmerkingen maakte, concludeert de kantonrechter dat [verzoeker] niet vrijwel onmiddellijk in slaap is gevallen en wel heeft deelgenomen aan het gesprek. Ook concludeert de kantonrechter uit de hiervoor geciteerde whatsapps, handgeschreven aantekeningen en verklaringen dat [verzoeker] wel meerdere seksueel getinte opmerkingen heeft gemaakt. Gelet op de heersende cultuur binnen GGD is dat ook niet ongebruikelijk. Of die opmerkingen nu expliciet vragen of voorstellen aan [D] inhielden, is niet komen vast te staan. Dat [D] de situatie als onveilig heeft ervaren acht de kantonrechter voorstelbaar. De kantonrechter baseert zich hierbij op hetgeen [D] in de whatsapps aan [E] heeft verklaard over de aanrakingen van [F] in combinatie met de opmerkingen van [verzoeker] en het niets-doen van [E] . Ook in haar handgeschreven verklaring geeft [D] aan dat zij zich onveilig voelde en besloot naar huis te gaan toen [F] haar voor de tweede keer had aangeraakt. [D] verklaart op dit punt niet over [verzoeker] . In de Ontslagbrief geeft GGD aan niet te weten of [verzoeker] heeft waargenomen dat [F] [D] aanraakte. De kantonrechter concludeert hieruit dat GGD [verzoeker] geen verwijt maakt van de gestelde samenloop van aanraking en opmerkingen. De hierdoor ervaren onveiligheid bij [D] kan dan ook niet bijdragen aan de onderbouwing van de gestelde opmerkingen.
Samengevat en gelet op het voorgaande - mede gelet op de betwisting van [verzoeker] - is naar het oordeel van de kantonrechter niet in redelijke mate komen vast te staan dat [verzoeker] de aan het ontslag ten grondslag gelegde opmerkingen heeft gemaakt.
Ad 2: Bij de arm vastpakken
5.14.
GGD verwijt [verzoeker] dat hij [D] bij de arm heeft vastgepakt met de kennelijke bedoeling haar vertrek te verhinderen. [verzoeker] betwist dat hij op enig moment de arm van [D] heeft vastgepakt; op de momenten dat hij [D] aangeraakt zou hebben, sliep hij. Maar in de verklaring die hij op 10 oktober 2025 heeft afgelegd, heeft hij zelf verklaard dat hij [F] overeind heeft zien komen, dat hij zich vanaf dat moment niet meer herinnert en dat hij in slaap is gevallen. En [F] heeft in zijn eigen verklaring verklaard dat hij op stond, op het moment dat [D] vertrok. [D] is daarna niet meer teruggekomen in de slaapzaal. Hieruit concludeert de kantonrechter dat [verzoeker] in slaap is gevallen nadat [D] is vertrokken. Dat [verzoeker] de arm van [D] heeft vastgepakt, volgt echter niet uit de verklaringen van [E] en [F] . Ook in de transcripties van de opgenomen gesprekken met [E] en [F] komt dit niet terug, in beide gesprekken wordt expliciet gesproken over aanraken door [F] en dingen zeggen door [verzoeker] . In de handgeschreven verklaring van [D] komt dit evenmin terug. Weliswaar schrijft [D] in de whatsapp-wisseling met [E] ‘ [verzoeker] zit aan me’, maar dit is te onbepaald en nu het in geen enkele andere verklaring dan die van [D] zelf terugkomt, kan niet worden vastgesteld dat [verzoeker] [D] bij de arm heeft vastgepakt met de kennelijke bedoeling haar vertrek te verhinderen.
Ad 3: Gesprek 8 oktober 2025
5.15.
GGD verwijt [verzoeker] dat hij [D] onheus en intimiderend heeft bejegend op 8 oktober 2025. Volgens GGD verhief [verzoeker] zijn stem, was zijn toon agressief en sprak hij dwingend en sturend. Ook ging hij non-verbaal overheersen, naar [D] toegebogen. [D] is ongecontroleerd trillend en met tranen in haar ogen de ruimte uitgelopen, dat is gezien door [L] en [M] , aldus GGD. [L] heeft ook een deel van het gesprek kunnen volgen, zij is een paar keer langs het computerlokaal gelopen en later, toen het gesprek werd voortgezet in het scholingslokaal, is zij binnengelopen. Ook zij stelt dat [verzoeker] dingen heeft gezegd die niet kunnen, aldus GGD.
5.16.
[verzoeker] heeft aangevoerd dat toen hij op 6 oktober 2025 terugkeerde van zijn vakantie, hij van zijn collega’s vernam wat [D] hem verweet. Die verwijten zijn hem niet in de koude kleren gaan zitten en daarom is hij op 8 oktober 2025 het gesprek aangegaan met [D] . In dat gesprek was hij emotioneel, hij werd geraakt door de beschuldigingen aan zijn adres en wilde dat graag rechtzetten. Van een overheersende manier van praten, een non-verbale overheersing, een agressieve toon en soortgelijke kwalificaties was geen sprake. Hij wilde geen enkele verklaring (op dwingende wijze) sturen, maar hij wilde rechtzetten wat hem verweten werd. Dat is iets anders, aldus [verzoeker] , en is bovendien een begrijpelijke reactie wanneer iemand iets verweten wordt dat hij niet heeft gedaan.
5.17.
Vast staat dat in het gesprek tussen [verzoeker] en [D] op 8 oktober 2025 de emoties hoog zijn opgelopen. Dit volgt ook uit de verklaringen van [L] , [M] en [H] , maar ook [verzoeker] erkent dit en heeft toegelicht waarom dat zo was. [M] spreekt over een boze, dwingende, verheven stem van [verzoeker] , en [L] spreekt over schreeuwen, dwingend en dat [verzoeker] voorovergebogen naar [D] zat.
[M] verklaart niets over wat er precies besproken werd tussen [verzoeker] en [D] , en hetgeen [L] heeft gehoord ging deels ook over [F] , wat hij had gedaan en of [verzoeker] dat wel of niet gezien had. [L] benoemt dat [D] ook hard ging (terug)roepen naar [verzoeker] .
Vastgesteld kan worden dat het gesprek op 8 oktober 2025 tussen [verzoeker] en [D] uit de hand is gelopen en dat zij op verhitte toon, met stemverheffing met elkaar gesproken hebben. Gelet op hun verschillende kijk op (in ieder geval een deel van ) de gebeurtenissen op 4/5 september 2025 en de emoties die daarbij zijn komen kijken, is dat wel enigszins te begrijpen. [D] , [L] en [M] spreken over dwingend en intimiderend, maar voor de concrete voorbeelden die zijn genoemd (“Ga je dit gesprek ook opnemen?”, “Je weet, ik heb niets verkeerds gedaan”, “Nee, dat is niet zo, ik weet niets, maar ik wil dat onze neuzen dezelfde kant opstaan”) is vanuit het standpunt van [verzoeker] begrip op te brengen. Hij weet dat [D] heimelijk gesprekken met [E] en [F] heeft opgenomen. Hij voelt zich ten onrechte beschuldigd door [D] , en hiervoor is ook vastgesteld dat de verweten uitspraken niet zijn komen vast te staan. En het is ook niet vast komen staan dat [verzoeker] , terwijl zij in de nacht met vieren op matten in een overwegend donkere gymzaal lagen, heeft gezien dat [F] met zijn hand onder het shirt van [D] zat. In dat licht zijn de felle ontkenningen van [verzoeker] niet onbegrijpelijk. Het gedrag van [verzoeker] getuigt van een weinig professionele houding tegenover zijn collega, maar een reden voor een ontslag op staande voet is het niet.
Ad 4: Whatsapp-bericht aan [I]
5.18.
GGD verwijt [verzoeker] dat hij door middel van het whatsapp-bericht van 13 oktober 2025 heeft geprobeerd [I] ertoe te bewegen negatief te verklaren over [D] . In de Ontslagbrief geeft GGD aan dat het GGD er vooral om gaat dat [verzoeker] met zijn bericht aan [I] zich totaal geen rekenschap geeft van de betekenis van het gebeurde op 4/5 september voor [D] maar de schuldvraag heeft willen neerleggen bij [D] . GGD noemt dit victim shaming en vindt dat verwerpelijk en merkt dit aan als een zelfstandige dringende reden voor ontslag op staande voet.
5.19.
De kantonrechter constateert dat GGD niet stelt en dat evenmin anderszins blijkt dat [verzoeker] [I] vraagt om een onjuiste verklaring af te leggen. Hij vraagt om bevestiging van hetgeen er in zijn visie is gebeurd. Hij legt daarbij de schuld bij [D] , en dat had hij niet moeten doen, maar enkel dat maakt niet dat er sprake is van een dringende reden.
Ad 5: Onwaarachtige verklaring
5.20.
GGD verwijt [verzoeker] dat hij een onwaarachtige verklaring heeft afgelegd op 20 oktober 2025, maar gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, blijft zijn verklaring grotendeels overeind. Deze dringende reden mist daarom feitelijke grondslag.
Er is geen sprake van een dringende reden
5.21.
De kantonrechter komt op basis van het voorgaande tot de conclusie dat de door GGD genoemde omstandigheden niet kwalificeren als een dringende reden, ook niet in samenhang. Een minder vergaande sanctie, bijvoorbeeld een officiële waarschuwing, was op zijn plaats geweest. Het ontslag op staande voet is daarom niet rechtsgeldig gegeven. De verzochte verklaring die daarop ziet, zal worden toegewezen.
5.22.
[verzoeker] heeft op zitting uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij weer bij GGD aan het werk wil, en zijn verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet niet intrekt. Het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van het ontslag wordt dan ook toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag niet rechtsgeldig is.
5.23.
[verzoeker] heeft recht op loon omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd en de arbeidsovereenkomst dus voortduurt. De vordering van [verzoeker] tot loonbetaling zal daarom eveneens worden toegewezen. De gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat GGD te laat heeft betaald. De kantonrechter ziet geen aanleiding voor matiging van de wettelijke verhoging. GGD heeft op dit punt aangevoerd dat er alle aanleiding is om de wettelijke verhoging op nihil te stellen omdat [verzoeker] door zijn gedrag in hoge mate het handelen van GGD zelf in de hand heeft gewerkt. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de kantonrechter dat standpunt van GGD niet deelt. Gesteld noch anderszins is gebleken dat GGD eerder in vergelijkbare situaties heeft gereageerd met een beëindiging van de arbeidsovereenkomst laat staan een ontslag op staande voet. Niet geconcludeerd kan dan ook worden dat [verzoeker] dit handelen van GGD (het ontslag op staande voet en daarmee het niet meer betalen van loon) zelf in de hand heeft gewerkt.
5.24.
De door [verzoeker] verzochte specificaties van de loonbetalingen komen ook voor toewijzing in aanmerking. De kantonrechter gaat er vanuit dat GGD aan deze veroordeling zal voldoen en ziet geen reden daarvoor een dwangsom op te leggen.
5.25.
Het verzoek van [verzoeker] tot wedertewerkstelling wordt toegewezen. Daarbij wordt overwogen dat [verzoeker] op zijn vaste post (Ambulancepost Eindhoven-Zuid) op dezelfde ritten als voorheen (A1-ritten bij [naam ambulancepost 1] ) en op een vergelijkbare manier als voor het ontslag tewerk dient te worden gesteld. De kantonrechter ziet aanleiding aan deze veroordeling wel een dwangsom, zoals door [verzoeker] verzocht, te verbinden. [verzoeker] heeft aan de wedertewerkstelling geen termijn verbonden hetgeen betekent dat bij toewijzing daarvan GGD dit onmiddellijk moet naleven. GGD heeft op dit punt geen afzonderlijk verweer gevoerd anders dan dat GGD aanvoert dat dat zorgvuldig zal moeten gebeuren. Met het oog op de inroostering en de praktische uitvoerbaarheid daarvan zal de kantonrechter GGD een termijn geven van zeven kalenderdagen (na betekening van deze beschikking) om [verzoeker] weer in te roosteren op de manier zoals hiervoor aangegeven. Denkbaar is dat partijen nog nader met elkaar in gesprek gaan om de verhoudingen indien nodig (verder) te herstellen. Dit in gesprek gaan of de uitkomst daarvan is echter geen voorwaarde voor het ingaan van de wedertewerkstelling.
Rehabilitatie
5.26.
[verzoeker] verzoekt een veroordeling van GGD om hem te rehabiliteren binnen de organisatie, althans zich in te spannen de verhoudingen in de organisatie te normaliseren. [verzoeker] heeft in het verzoekschrift onder punt 260 een tekst opgenomen waarvan hij wil dat GGD die binnen drie dagen na dagtekening binnen haar organisatie verspreidt. Daarnaast heeft hij als productie 13 een actielijst overgelegd, met de concrete acties die GGD in het kader van de rehabilitatie dient uit te voeren.
5.27.
GGD voert ten verwere aan niet voor zich te zien hoe [verzoeker] nog geloofwaardig binnen haar organisatie zal kunnen functioneren, en zij wil zich niet verbinden tot publicatie van een bericht zoals voorgesteld.
Een van de redenen waarom rehabilitatie zoals voorgesteld door [verzoeker] niet aan de orde kan zijn is dat GGD in het voorstel en de bijbehorende actielijst zoals uitgewerkt bij productie 13 van [verzoeker] volledig aandacht mist voor de gevoelens en positie van [D] , sowieso een kenmerk van de opstelling van [verzoeker] . Een wijze van rehabilitatie en uitvoering van actiepunten zoals door [verzoeker] voorgesteld zou passen bij een situatie waarin GGD vindt dat niet [verzoeker] onjuist heeft verklaard, maar [D] en als het
ontslag op staande voet al van de baan is wil dat niet zeggen dat van die laatste situatie
sprake is. GGD zal in die situatie niet alleen rekening moeten houden met de belangen
van [verzoeker] , maar met de belangen van [D] en alle betrokken medewerkers. Wat betreft GGD ligt daar een onmogelijke opgave. De wijze van rehabilitatie zoals door [verzoeker] voorgesteld, vergroot de schade alleen maar.
5.28.
Hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is en dat de opzegging wordt vernietigd. GGD heeft opgezegd in strijd met art. 7:671 BW Pro. Gelet daarop ligt het op de weg van GGD om ervoor zorg te dragen dat [verzoeker] weer kan terugkeren in de organisatie. Dat GGD daarbij rekening houdt met de gevoelens en positie van [D] en alle betrokken medewerkers, is vanzelfsprekend; het een sluit het ander niet uit. Hierbij is van belang dat [verzoeker] en [D] werkzaam zijn in afzonderlijke onderdelen van GGD ( [D] bij [naam ambulancepost 2] bij geplande ritten en [verzoeker] bij [naam ambulancepost 1] bij spoedritten), niet samenwerken en elkaar niet anders treffen dan in de wachtruimte van post Zuid, Eindhoven of incidenteel bij een SEH-post in een ziekenhuis, hetgeen GGD voldoende mogelijkheden biedt voor het rekening houden met de positie van zowel [D] als [verzoeker] . Als het al zo zou zijn dat [verzoeker] binnen de organisatie niet meer geloofwaardig kan functioneren – wat de kantonrechter niet zonder meer kan rijmen met de diverse collega’s die hem op de zitting hebben ondersteund – dan ligt het op de weg van GGD om ervoor te zorgen dat [verzoeker] wél weer geloofwaardig kan functioneren. Met [verzoeker] is de kantonrechter van oordeel dat het verspreiden van een bericht in de organisatie daarvoor noodzakelijk is, gelet op de onrust die het gebeuren heeft veroorzaakt. De kantonrechter vindt het bericht, zoals door [verzoeker] geformuleerd, zorgvuldig, behoudens de derde alinea
“Wij betreuren dat eerdere berichtgeving en het verloop van de interne afhandeling schade hebben toegebracht aan de eer en goede naam van de heer [verzoeker] .”Dit strookt niet met de tekst van punt 1 van productie 13. In overeenstemming met punt 1 van productie 13 zal GGD de tweede alinea dienen aan te vullen met de zin
“De eer en goede naam van de heer [verzoeker] zijn volledig hersteld.”en vervalt de oorspronkelijke derde alinea zodat ná de toegevoegde vorige laatste zin aan de tweede alinea de tekst van de brief verder gaat met
“Na ruim 26 jaar dienst (…)”. De inhoud is voor het overige in overeenstemming met hetgeen in deze beschikking is beslist. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding het bericht aan te passen. Ook voor de actiepuntenlijst, overgelegd als productie 13, geldt dat er geen acties op staan die niet stroken met de inhoud van deze beschikking. Met de verspreiding van het hiervoor bedoelde bericht (punt 260 van verzoekschrift) met voornoemde aanpassing zal GGD hebben voldaan aan de punten 1 en 2 van productie 13. Ten aanzien van punt 1 van de bijlage ziet de kantonrechter aanleiding om uit oogpunt van praktische uitvoerbaarheid de daar genoemde termijn te wijzigen in de termijn zoals hierna bij de beslissing vermeld. Met inachtneming van het voorgaande worden de verzoeken van [verzoeker] op dit punt dan ook toegewezen. De kantonrechter ziet aanleiding ook aan deze veroordeling een dwangsom, zoals door [verzoeker] verzocht, te verbinden.
Schadevergoeding
5.29.
Tenslotte verzoekt [verzoeker] toekenning van een schadevergoeding van € 30.000,- netto. Hij legt aan dat verzoek ten grondslag dat GGD het onderzoek naar aanleiding van de beschuldigingen aan zijn adres door [D] op (zeer) onzorgvuldige en gebrekkige wijze heeft ingericht en uitgevoerd. GGD heeft haar onderzoeksverplichting verzaakt en daarmee onzorgvuldig jegens hem gehandeld. Dit maakt dat GGD onrechtmatig heeft gehandeld. [verzoeker] heeft daardoor immateriële schade geleden, bestaande uit de aantasting van zijn eer en goede naam. [verzoeker] acht een vergoeding ter hoogte van € 30.000,- redelijk. Voor zover geen sprake zou zijn van onrechtmatig handelen van GGD, is [verzoeker] van oordeel dat GGD met het voorgaande in strijd heeft gehandeld met (de eisen van) goed werkgeverschap. De door [verzoeker] daardoor geleden schade komt eveneens voor vergoeding in aanmerking. Die schade bestaat eveneens uit immateriële schade, in de vorm van de aantasting van de eer en goede naam van [verzoeker] .
5.30.
Met GGD is de kantonrechter van oordeel dat er geen sprake is van het verzaken van de onderzoeksplicht door GGD. In geval van een beschuldiging van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag ligt het op de weg van de werkgever om een zorgvuldig onderzoek in te stellen. Er is geen regel die voorschrijft dat dit een onafhankelijk onderzoek door een derde partij moet zijn. GGD heeft het onderzoek zelf uitgevoerd; zij heeft alle betrokkenen volgens een vergelijkbare vragenset gehoord, diverse gesprekken gevoerd, de verslagen ter goedkeuring/aanvulling/ondertekening voorgelegd aan alle geïnterviewden en aan de hand daarvan een conclusie getrokken. Dat die conclusie niet overeind kan blijven, betekent niet automatisch dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. Van onrechtmatig handelen dan wel strijd met goed werkgeverschap is geen sprake. De verzochte schadevergoeding wordt daarom afgewezen.
Proceskosten
5.31.
De proceskosten komen voor rekening van GGD omdat GGD overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 2.030,00 (€ 732,00 aan griffierecht, € 1.154,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

6.De beoordeling van het tegenverzoek

6.1.
Op het verzoek van GGD om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, moet worden beslist. De voorwaarde waaronder GGD dat verzoek heeft gedaan, is namelijk vervuld, te weten dat het ontslag op staande voet wordt vernietigd.
6.2.
GGD verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te ontbinden vanwege (ernstig) verwijtbaar handelen, dan wel een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, dan wel de i-grond (een combinatie van de e- en g-grond). GGD heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd - kort weergegeven - hetgeen aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd alsmede dat [verzoeker] al in 2017 is aangesproken op grensoverschrijdend, intimiderend en ondermijnend gedrag tijdens een personeelsuitje jegens een leidinggevende.
6.3.
[verzoeker] heeft ter zitting van 16 maart jl. opnieuw verklaard te willen terugkeren bij GGD en vraagt daarom de verzochte ontbinding af te wijzen. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verzoeker] om toekenning van een billijke vergoeding, de transitievergoeding en een schadevergoeding.
6.4.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. [1] Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. [2] De kantonrechter oordeelt dat er geen redelijke grond is voor ontbinding. Dat wordt als volgt toegelicht.
6.5.
Hetgeen bij de beoordeling van het ontslag op staande voet is overwogen speelt ook een rol bij de beoordeling van het ontbindingsverzoek en moet daarom als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. De verwijten die GGD aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd, zijn niet komen vast te staan. Het verwijt ten aanzien van het incident in 2017 is destijds afgedaan met een indringende waarschuwing. Dat GGD in de brief van 9 november 2017 heeft opgenomen
“Mocht dit of ander onaanvaardbaar gedrag zich nog weer eens voordoen, moet u er ernstig rekening mee houden dat daaraan dan rechtspositionele consequenties kunnen worden verbonden. Ik ga er echter van uit dat het zover niet komt.”biedt GGD nu niet voldoende grond voor het ontbindingsverzoek. Hierbij acht de kantonrechter relevant dat in onderhavige zaak anders dan in 2017 de verweten gedragingen niet zijn komen vast te staan, het tijdsverloop van 8 jaar en de jaarlijkse positieve beoordelingen waarin niet wordt gerept van bedoeld of vergelijkbaar gedrag. De aan [verzoeker] te maken verwijten zijn al met al niet te kwalificeren als (ernstig) verwijtbaar handelen dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt.
Dat GGD niet wil dat [verzoeker] terug keert is niet voldoende voor ontslag. Er is geen sprake van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van GGD niet in redelijkheid kan worden gevergd dat de arbeidsovereenkomst voortduurt. [verzoeker] en [D] werken niet direct samen, nu zij op verschillende soorten ritten ingezet worden. Voorzover er onrust op de werkvloer is te verwachten door de terugkeer van [verzoeker] is het aan GGD, die hem immers ten onrechte heeft ontslagen, om die terugkeer in goede banen te leiden, zoals een goed werkgever betaamt. GGD heeft haar stelling, dat na het ontslag veel mensen naar haar toegekomen zijn om te klagen over [verzoeker] , overigens niet onderbouwd. En op zitting waren diverse collega’s aanwezig om [verzoeker] te steunen.
Dat sprake is van de i-grond of van omstandigheden die ten grondslag liggen aan de afzonderlijke onvoldragen gronden is niet voldoende uitgewerkt, onderbouwd of anderszins vast te stellen.
6.6.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden ontbonden. Aan de (subsidiaire) verzoeken van [verzoeker] tot toekenning van vergoedingen wordt daarom niet toegekomen.
6.7.
De proceskosten komen voor rekening van GGD, omdat GGD overwegend ongelijk krijgt. Gelet op de gedeeltelijke samenval met het verzoek worden de proceskosten aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 865,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde.

7.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
7.1.
verklaart voor recht dat het ontslag op staande voet van 21 oktober 2025 niet
rechtsgeldig is gegeven,
7.2.
vernietigt het ontslag op staande voet,
7.3.
veroordeelt GGD tot betaling aan [verzoeker] van het loon, te vermeerderen met de vakantietoeslag en verdere emolumenten, alsmede eventuele verhogingen op grond van de cao, vanaf 21 oktober 2025 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigt, een en ander te vermeerderen met de wettelijke verhoging ad 50% en te vermeerderen met de wettelijke rente over de afzonderlijke loonbetalingen vanaf het moment waarop dit loon betaald had moeten worden tot aan de dag van de betaling,
7.4.
veroordeelt GGD over te gaan tot het verstrekken van deugdelijke en correcte specificaties van de onder 7.3 genoemde loonbetalingen, binnen veertien dagen nadat de beschikking is gewezen,
7.5.
veroordeelt GGD om [verzoeker] binnen zeven kalenderdagen na betekening van deze beschikking toe te laten tot het verrichten van de bedongen werkzaamheden (zoals bedoeld in r.ov. 5.25), tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag of deel daarvan dat GGD niet aan die veroordeling voldoet, met een maximum van € 30.000,-,
7.6.
veroordeelt GGD om [verzoeker] te rehabiliteren binnen haar organisatie, althans zich in te spannen de verhoudingen in haar organisatie te normaliseren als bedoeld in
randnummer 260 en 261 en productie 13 bij verzoekschrift, en bepaalt daarbij dat de stappen 1 tot en met 4 en 7 van het actieplan (productie 13) binnen zeven kalenderdagen na betekening van deze beschikking dienen plaats te vinden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag of deel daarvan dat GGD niet aan die veroordeling voldoet, met een maximum van € 30.000,-,
7.7.
veroordeelt GGD in de proceskosten van € 2.030,00, te vermeerderen met de eventuele explootkosten van betekening van de beschikking,
7.8.
verklaart deze beschikking – met uitzondering van de verklaring voor recht – uitvoerbaar bij voorraad [3] ,
7.9.
wijst het meer of anders verzochte af,
op het tegenverzoek
7.10.
wijst de verzoeken af,
7.11.
veroordeelt GGD in de proceskosten van € 865,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.F.M.T. Franke en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:669 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Artikel 7:669 lid 1 BW Pro.
3.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.