ECLI:NL:RBOBR:2026:4440

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
12161463 \ CV EXPL 26-2643
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m BWArt. 6:230v BWArt. 6:233 BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 3 Richtlijn 93/13/EEG
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Consument krijgt 20% korting op huurbetaling wegens schending informatieverplichtingen door handelaar

Eisende partij, een handelaar, vordert betaling van huurtermijnen en een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst is beëindigd. Gedaagde partij verschijnt niet, waarna verstek wordt verleend.

De rechter beoordeelt dat de handelaar niet heeft voldaan aan essentiële informatieverplichtingen uit het Burgerlijk Wetboek, zoals het duidelijk informeren over leveringstermijn, duur van de overeenkomst en opzegtermijn. Deze schendingen leiden tot een vermindering van de betalingsverplichting van de consument met 20%.

Daarnaast worden bedingen in de algemene voorwaarden over schadevergoeding voor gederfde huur en buitengerechtelijke incassokosten als oneerlijk beoordeeld en vernietigd. De gevorderde schadevergoeding en incassokosten worden afgewezen. De rechter veroordeelt gedaagde tot betaling van een gereduceerd bedrag en in de proceskosten.

De verklaring voor recht dat de huurovereenkomst tegen de einddatum is beëindigd wordt afgewezen omdat de ontbinding buitengerechtelijk en niet tegen de einddatum is gedaan. De vordering tot afgifte van het gehuurde product wordt eveneens afgewezen vanwege omzetting van de overeenkomst.

De uitspraak bevestigt het belang van correcte informatieverstrekking en eerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en past de sanctierichtlijn van de Hoge Raad toe.

Uitkomst: De consument wordt veroordeeld tot betaling van 80% van de huurtermijnen met wettelijke rente, terwijl bedingen over schadevergoeding en incassokosten worden vernietigd wegens oneerlijkheid.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer: 12161463 \ CV EXPL 26-2643
Vonnis van 4 juni 2026
in de zaak van
ELBUCO B.V.,
gevestigd te Culemborg,
eisende partij,
gemachtigde: Janssen & Janssen Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Eisende partij heeft gevorderd dat gedaagde partij bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld om aan haar een bedrag te betalen met rente en kosten, zoals in de dagvaarding is omschreven. Ook heeft eisende partij een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst tegen de einddatum is beëindigd en afgifte van het gehuurde product gevorderd.
1.2.
Tegen de niet verschenen gedaagde partij is verstek verleend.
1.3.
Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.

2.De beoordeling

2.1.
De vordering van eisende partij ziet op een overeenkomst op afstand tussen een handelaar en een consument. De handelaar moet bij het sluiten van dat soort overeenkomsten voldoen aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van artikelen 6:230m en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.2.
In deze procedure moet eisende partij gemotiveerd stellen en onderbouwen dat aan de essentiële informatieplichten is voldaan. De kantonrechter moet vervolgens ambtshalve onderzoeken of aan de plichten is voldaan, dus ook als er geen verweer is gevoerd. Als sprake is van een voldoende ernstige schending van zo’n informatieplicht moet de rechter een sanctie toepassen (zie het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677).
2.3.
De rechtbanken hebben naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad voor de schending van de essentiële informatieverplichtingen een sanctierichtlijn opgesteld (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl). Deze sanctierichtlijn houdt samengevat in dat de betalingsverplichting van de consument wordt verminderd met een bepaald percentage afhankelijk van het aantal voldoende ernstige schendingen. Bij de precontractuele informatieverplichtingen geldt dat meerdere voldoende ernstige schendingen van de essentiële informatieverplichtingen die onder dezelfde letter van artikel 6:230m lid 1 BW vallen samen worden geteld als één schending. Eventuele schendingen van de verplichting om de informatie te bevestigen op een duurzame gegevensdrager worden gerekend als één schending.
De bestelknop; de informatieverplichting van artikel 6:230v lid 3 BW
2.4.
Volgens artikel 6:230v lid 3 BW moet de handelaar het elektronische bestelproces zo inrichten dat de consument een aanbod pas kan aanvaarden als hem op niet voor misverstand vatbare wijze duidelijk is gemaakt dat zijn bestelling een betalingsverplichting inhoudt. Als gebruik wordt gemaakt van een bestelknop of een soortgelijke functie, moet deze een ondubbelzinnige formulering bevatten die goed leesbaar is en waaruit blijkt dat het plaatsen van een bestelling een betalingsverplichting ten opzichte van de handelaar inhoudt.
Overige essentiële (pre)contractuele informatieplichten; artikel 6:230m lid 1 BW
2.5.
Volgens artikel 6:230m lid 1 BW moet de handelaar de consument voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst op duidelijke en begrijpelijke wijze informeren over (in dit geval): de kenmerken van het product (sub a), de identiteit van de handelaar (sub b), de contactinformatie van de handelaar (sub c), de prijs van het product (sub e), de wijze van betaling en levering inclusief de leveringstermijn (sub g) en het recht van ontbinding van de overeenkomst (sub h). Voor zover van toepassing, moet de handelaar de consument ook informeren over de duur van de overeenkomst en de voorwaarde van opzegging (sub o) en de minimumduur waarbinnen de consument niet kan opzeggen (sub p). De handelaar moet deze informatie vervolgens bevestigen op een duurzame gegevensdrager. Een duurzame gegevensdrager betekent dat de consument de informatie eenvoudig moet kunnen bewaren, zoals bijvoorbeeld een e-mail of een brief.
2.6.
Hierna zal worden beoordeeld of aan de informatieverplichtingen is voldaan. Alleen als er sprake is van een voldoende ernstige schending van een informatieverplichting, zal die informatieverplichting hierna worden besproken.
Het verstrekken van informatie bij of voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst
de wijze van levering inclusief de leveringstermijn
2.7.
Op grond van artikel 6:230m lid 1 onder g BW moet de termijn waarbinnen zal worden geleverd, worden vermeld. Niet vereist is dat de precieze dag wordt vermeld maar wel vereist is dat de verwachte levertermijn duidelijk is. Eisende partij heeft niet aangetoond dat hieraan is voldaan. De kantonrechter is daarom van oordeel dat artikel 6:230m lid 1 onder g BW is geschonden.
de duur van de overeenkomst en opzegtermijn na verlenging
2.8.
Op grond van artikel 6:230m lid 1 onder o BW moet voor de consument duidelijk zijn hoe lang de overeenkomst loopt als deze niet tussentijds wordt opgezegd. Daarnaast moet duidelijk zijn of de overeenkomst na die periode vanzelf afloopt of doorloopt. Als de overeenkomst doorloopt dan moet ook worden vermeld op welke termijn de consument de overeenkomst daarna kan opzeggen. Informatie over de duur van de overeenkomst en de vraag of de overeenkomst vanzelf eindigt of juist doorloopt moet tijdens het bestelproces aan de consument worden verstrekt zonder dat de consument de informatie zelf moet opzoeken. Niet voldoende is dus dat deze informatie ergens op de website staat of alleen in de algemene voorwaarden. Informatie over de wijze van opzeggen na het verstrijken van de eerste periode mag wel in de algemene voorwaarden worden opgenomen. Eisende partij heeft niet aangetoond dat aan deze informatieverplichting is voldaan. De kantonrechter is daarom van oordeel dat artikel 6:230m lid 1 onder o BW is geschonden.
de periode waarbinnen de consument de overeenkomst niet kan opzeggen
2.9.
Op grond van artikel 6:230m lid 1 onder p BW moet voor de consument duidelijk zijn voor welke periode hij ten minste aan de overeenkomst gebonden is. Duidelijk moet dus zijn tegen welk moment de consument de overeenkomst op zijn vroegst kan beëindigen. Als de overeenkomst een bepaalde minimumduur heeft waarbinnen de consument de overeenkomst niet kan opzeggen, dan moet dat duidelijk worden genoemd. Als de overeenkomst niet zo’n termijn heeft, moet duidelijk zijn welke opzegtermijn er voor de overeenkomst geldt. De consument moet tijdens het bestelproces duidelijk op deze informatie worden gewezen. Niet voldoende is dus dat de informatie ergens op de website staat of alleen in de algemene voorwaarden. Eisende partij heeft niet aangetoond dat hieraan is voldaan. De kantonrechter is daarom van oordeel dat artikel 6:230m lid 1 onder p BW is geschonden.
conclusie essentiële informatieverplichtingen
2.10.
Er is in dit geval sprake van minder dan vier voldoende ernstige schendingen. Met toepassing van de sanctierichtlijn leidt dat in beginsel tot een gedeeltelijk vernietigen van de overeenkomst, in die zin dat de betalingsverplichting van de consument wordt verminderd met 20%.
de verklaring voor recht is niet toewijsbaar
2.11.
Eisende partij heeft een verklaring voor recht gevorderd dat op grond van de in het lichaam van de dagvaarding omschreven toerekenbare tekortkoming(en) van gedaagde partij de tussen partijen gesloten huurovereenkomst(en) tegen de einddatum als omschreven onder punt 3 van deze dagvaarding is/zijn beëindigd. Onduidelijk is wat eisende partij met ‘onder punt 3 van de dagvaarding’ heeft bedoeld, want de dagvaarding bevat geen punt 3 en de stellingen van eisende partij zijn ook niet voorzien van randnummers. Bij sommatiebrief d.d. 30 september 2025 heeft eisende partij de huurovereenkomsten buitengerechtelijk ontbonden. Dat is echter niet gedaan tegen de einddatum van de huurovereenkomsten, respectievelijk 21 augustus 2027 en 21 augustus 2029. De gevorderde verklaring voor recht is dus niet toewijsbaar.
ambtshalve toetsing van bedingen
2.12.
De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de overeenkomst en de daarop van toepassing verklaarde algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument in de zin van artikel 3 van Pro de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn). Artikel 3 van Pro de richtlijn is in het Nederlandse recht tot uitdrukking gebracht in artikel 6:233 onder Pro a BW waarin kort gezegd is bepaald dat een beding dat onredelijk bezwarend is, vernietigbaar is. Alle bedingen die aan de vordering zijn of kunnen worden gelegd moeten door de kantonrechter worden getoetst. Dat volgt uit de uitspraken van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger). Op grond van deze uitspraken moet de kantonrechter ook als eisende partij zich in de procedure niet beroept op het toepasselijke beding, maar op de wet ambtshalve onderzoeken of het beding waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, wordt de vordering gegrond op dat beding afgewezen. Daarnaast kan eisende partij geen aanspraak meer maken op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest. Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding gaat het erom of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en het cumulatieve effect van alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Niet van belang voor deze toets is dus de feitelijke toepassing en uitvoering van de bedingen, of een achteraf gegeven uitleg.
2.13.
Eisende partij heeft betaling gevorderd van een bedrag van € 993,98 met als beschrijving “Huurtermijnen, gederfde huur, vervangings-Schade en ophaalkosten” In eerdere zaken van eisende partij heeft de kantonrechter geoordeeld dat de bedingen in de algemene voorwaarden van eisende partij omtrent de aanspraak van schadevergoeding voor het vroegtijdig beëindigen van de overeenkomst en de bedongen vervangingswaarde van het gehuurde product oneerlijk zijn. Ook heeft de kantonrechter gewezen op discrepanties tussen de wijze waarop eisende partij opereert, haar stellingen in de dagvaarding en de ingestelde vorderingen. In het bijzonder heeft de kantonrechter erop gewezen dat eisende partij in de door haar gestuurde sommatiebrief een ontbindingsverklaring én een omzettingsverklaring heeft gedaan, maar desondanks aanspraak maakt op afgifte van het gehuurde product en ophaalkosten in rekening brengt, terwijl na omzetting niet langer een verplichting tot afgifte bestaat. In die eerdere zaken (zie onder meer de uitspraken van 19 maart 2026 ECLI:NL:RBOBR:2026:3401 en 7 mei 2026 ECLI:NL:RBOBR:2026:3403) heeft de kantonrechter de gevorderde schadevergoeding mede vanwege deze discrepanties en de aanwezige oneerlijke bedingen in de algemene voorwaarden afgewezen.
2.14.
Dit heeft er kennelijk toe geleid dat eisende partij haar stellingen in de dagvaarding van deze zaak heeft aangepast. Uit de door eisende partij overgelegde facturen blijkt dat zij nog steeds dergelijke bedragen in rekening brengt. Echter valt uit de dagvaarding niet langer te herleiden welke afzonderlijke bedragen worden gevorderd omdat in het lichaam van de dagvaarding verschillende afwijkende bedragen worden genoemd en de facturen waarna eisende partij verwijst niet overeenkomen met die bedragen.
2.15.
De kantonrechter begrijpt dat in het gevorderde bedrag een bedrag van € 352,70 aan niet betaalde huurtermijnen is opgenomen. Gelet op de hierboven genoemde schendingen zal een bedrag van € 282,16 (80% van 352,70) worden toegewezen. Voor het overige wordt de hoofdsom afgewezen. Dit wordt als volgt toegelicht.
2.16.
Het overige gevorderde deel van de hoofdsom ziet kennelijk op respectievelijk € 356,64 en € 284,64 aan schadevergoeding voor resterende huurtermijnen ná ontbinding van de huurovereenkomsten en in rekening gebrachte ophaalkosten. De schadevergoeding voor gederfde huur is gegrond op artikel 9.6 sub b van de algemene voorwaarden. De kantonrechter is, onder verwijzing naar de eerder genoemde uitspraken, van oordeel dat een beding dat ertoe strekt een schadevergoeding wegens gederfde winst van 50% toe te kennen in beginsel oneerlijk is omdat het leidt tot een onevenredig hoge schadevergoeding. Een winstmarge van 50% komt de kantonrechter, bij gebrek aan een verdere toelichting die niet is gegeven, buitensporig hoog voor. Daarbij blijkt niet dat het beding rekening houdt met de omstandigheid dat het gehuurde product na de beëindiging c.q. ontbinding van de overeenkomst dient te worden geretourneerd en opnieuw kan worden verhuurd. Eisende partij heeft geen rechtvaardiging gegeven voor een bedongen percentage van 50%. Eisende partij heeft ook niet gesteld welke investering is gedaan c.q. welke kosten zij heeft gemaakt en hoeveel winst zij misloopt. Zij heeft haar gestelde schade niet inzichtelijk gemaakt. Eisende partij heeft slechts verwezen naar het Rapport Ambtshalve Toetsing III. Het is echter een onjuist uitgangspunt dat het rapport een rechtvaardiging geeft dat in alle gevallen aanspraak kan worden gemaakt op een schadevergoeding vanwege gederfde winst van 50% over de resterende termijnen bij ontbinding van de overeenkomst. Het in het rapport genoemde percentage ziet specifiek op de afdoening van telefoonzaken. In onderhavige geval gaat het niet om een telefoonabonnement, maar om de verhuur van roerende zaken. De kantonrechter vernietigt het beding en wijst de gevorderde schadevergoeding af.
2.17.
De gevorderde ophaalkosten zijn gegrond op artikel 2.2 van de algemene voorwaarden. In het midden kan blijven of het beding oneerlijk is. De vordering is sowieso niet toewijsbaar. Eisende partij heeft in de sommatiebrief d.d. 30 september 2025 gelijktijdig een ontbindingsverklaring én een omzettingsverklaring gedaan. Door omzetting wordt de oorspronkelijke verbintenis tot afgifte van het gehuurde product na beëindiging c.q. ontbinding van de overeenkomst omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding. De oorspronkelijke verbintenis gaat daarbij teniet en het verzuim eindigt. Dit betekent dat gedaagde partij vanaf dat moment niet langer gehouden is tot afgifte van het gehuurde product, maar de waarde dient te vergoeden. Zonder verdere toelichting die ontbreekt, valt niet in te zien waarom eisende partij tegen die achtergrond ophaalkosten in rekening kan brengen, temeer nu uit de facturen d.d. 25 september 2025 volgt dat de ophaalkosten in rekening zijn gebracht nog vóórdat de huurovereenkomsten zijn ontbonden en er op dat moment dus überhaupt geen verplichting tot afgifte bestond.
2.18.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden ook afgewezen. Het incassokostenbeding zoals opgenomen in artikel 6.4 van de algemene voorwaarden kwalificeert als een incassokostenbeding dat niet in overeenstemming is met de wettelijke regeling van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Op grond van artikel 6:96 lid 6 BW Pro is een consument pas buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd als hij na het intreden van verzuim vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van 14 dagen. Op grond van het beding kunnen direct na het intreden van verzuim incassokosten in rekening worden gebracht zonder dat eerst nog een veertiendagenbrief wordt verstuurd. Dat is in strijd met de wet. Hierdoor wordt het evenwicht ten nadele van gedaagde partij als consument onevenredig verstoord. Het beding is om die reden oneerlijk c.q. onredelijk bezwarend. Dat eisende partij wel een veertiendagenbrief heeft gestuurd, doet daaraan niets af. Eisende partij heeft met deze algemene voorwaarden immers contractueel de mogelijkheid om in het nadeel van de consument aanzienlijk af te wijken van de wettelijke bepaling en derhalve is de sanctie van vernietiging van het beding en afwijzing van de gevorderde vergoeding op zijn plaats.
conclusie
2.19.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat een bedrag van € 182,16 (€ 282,16 min de betaling van € 100,-) zal worden toegewezen. Het (primair) gevorderde zal worden toegewezen met inachtneming van het bovenstaande. Gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst laat de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten van de consument onverlet. Daarmee blijft de rechtsgrond voor door de handelaar op grond van de overeenkomst tegenover de consument verrichte prestaties in stand. Uit het arrest van de Hoge Raad van 4 oktober 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1366) volgt dat in geval van gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst als gevolg van de schending van informatieverplichtingen de vordering van de handelaar niet op een andere (subsidiaire) grondslag alsnog volledig kan worden toegewezen.
2.20.
De meer subsidiaire vordering tot afgifte van het gehuurde product is niet toewijsbaar omdat na omzetting geen verplichting tot afgifte meer bestaat. De meer subsidiaire vordering onder c is niet toewijsbaar omdat de vordering tot afgifte niet toewijsbaar is.
2.21.
De gevorderde wettelijke rente zal worden afgewezen, omdat eisende partij die rente (gelet op de toewijsbare hoofdsom) over een te hoog bedrag heeft berekend. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding.
2.22.
Hoewel een groot deel van de vordering wordt afgewezen, is eisende partij niet ten onrechte tot dagvaarding overgegaan. Gedaagde partij wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Het te vergoeden griffierecht zal lager worden vastgesteld dan het door eisende partij betaalde griffierecht, omdat de toegewezen hoofdsom in een lagere tariefcategorie valt dan de gevorderde hoofdsom. De nakosten worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt gedaagde partij tot betaling aan eisende partij van het bedrag van € 182,16, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 23 maart 2026 tot de dag van betaling;
3.2.
veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten, aan de kant van eisende partij tot vandaag begroot op:
- € 127,08 wegens dagvaardingskosten;
- € 139,00 wegens griffierecht;
- € 43,00 wegens salaris gemachtigde (niet met btw belast);
- € 21,50 wegens nakosten, te vermeerderen met de eventuele explootkosten van de betekening van het vonnis;
3.3.
verklaart dit vonnis waar het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.A. Donkersloot, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.