Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 25 juni 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.De feiten
3.Het geschil
Partijen zijn in artikel 3 van Pro het echtscheidingsconvenant en in het ouderschapsplan overeengekomen dat de kinderbijslag door [gedaagde] op de kindrekening wordt gestort en dat de ouders elkaar rekening en verantwoording verschuldigd zijn van hun opnames van deze rekening. [gedaagde] komt deze verplichting niet na, door vanaf januari 2022 de kinderbijslag niet op de kindrekening te storten en vanaf oktober 2022 geen verantwoording af te leggen van haar opnames van de kindrekening.
4.De beoordeling
De rechtbank wijst erop dat [gedaagde] in 2024 ook al gebruik gemaakt heeft van de mogelijkheid tot tenuitvoerlegging van de echtscheidingsbeschikking, toen zij, al dan niet via het NLAI, een deurwaarder heeft ingeschakeld om haar destijds bestaande vordering op [eiser] ter zake van kinderalimentatie te incasseren.
Het toe te passen indexeringspercentage wordt gepubliceerd in de Staatcourant en op www.nibud.nl.
Voorkomen moet worden dat de ene partij nakoming van de afspraken afdwingt door tenuitvoerlegging van de echtscheidingsbeschikking en de andere door tenuitvoerlegging van het in dit geding te wijzen vonnis. Weliswaar zouden beide varianten op hetzelfde moeten neerkomen, maar ieder misverstand of iedere onnodige processuele verwikkeling ter zake, bijvoorbeeld als gevolg van het instellen van hoger beroep van het te wijzen vonnis, dient te worden voorkomen.
Voor oplegging van een dwangsom bestaat in deze zaak echter geen reden.
In de procedure heeft [gedaagde] een veelheid aan bonnen en facturen overgelegd en daarmee in beginsel voldaan aan de verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording. [eiser] heeft niet toegelicht
(i) wat op dit punt in redelijkheid meer van [gedaagde] kan worden gevergd: of
(ii) wat, in het licht van de gebruikelijke terughoudendheid in familiezaken bij het opleggen van een dwangsom aan een ouder, het opleggen van dit dwangmiddel noodzakelijk maakt.
Daarover is, ondanks de opmerking namens [gedaagde] tijdens de regiezitting dat [eiser] niet de gerechtigde is tot de betreffende spaarrekening, zijdens [eiser] echter op geen enkel moment in dit geding iets gesteld of aangevoerd.
Er is ook op dit punt duidelijk sprake van een geschil tussen [eiser] en [gedaagde] .
Van ouders mag worden gevergd dat zij in het belang van het kind ook met elkaar rekening houden. Het is dan soms nodig om in het belang van het kind over eigen wensen, pijnpunten en bezwaren heen te stappen.
De gezamenlijke verantwoordelijkheid brengt met zich dat beide ouders bij uitgaven ten behoeve van het kind rekening houden met elkaars kenbare redelijke wensen en binnen redelijke grenzen terughoudendheid in acht nemen, zowel bij de keuze waaraan geld wordt uitgegeven als bij de keuze hoeveel geld eraan wordt uitgegeven: partijen beslissen mede over geld waar ook de ander over gaat en handelen in het belang van het kind, waar de ander ook verantwoordelijk voor is.
Beide partijen verwijten de ander dat deze zonder overleg dingen doet en ‘onnodige’ kosten voor [zoon] maakt: [eiser] vindt dat [zoon] geen extra keeperstraining van circa € 700 nodig heeft, [gedaagde] maakt bezwaar tegen de aanschaf van een motorhelm en vindt waarschijnlijk een mountainbike van circa € 1.100 onnodig. Ook kunnen vraagtekens worden gesteld bij de aanschaf door [eiser] van vijf baseballcaps tegelijk van gemiddeld circa € 35.