ECLI:NL:RBOBR:2026:4856

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
24/4152
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 7:15 AwbArt. 8:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking beroep WIA-loonaanvullingsuitkering

Verzoeker had een loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet WIA toegekend gekregen, die later door het UWV op bezwaar van de ex-werkgever werd beëindigd. Verzoeker stelde beroep in tegen deze beëindiging. De rechtbank oordeelde in een tussenuitspraak dat het besluit gebrekkig was en gaf het UWV de gelegenheid dit te herstellen.

Het UWV nam vervolgens een gewijzigde beslissing waarin het bezwaar van de ex-werkgever ongegrond werd verklaard en verzoeker zijn loonaanvullingsuitkering behield. Zowel verzoeker als de ex-werkgever gingen akkoord met deze nieuwe beslissing. Naar aanleiding hiervan trok verzoeker het beroep in en verzocht de rechtbank het UWV te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank stelde vast dat het UWV geheel aan verzoeker was tegemoetgekomen en wees het verzoek om proceskostenveroordeling toe. De vergoeding werd vastgesteld op €1.401 voor de kosten van rechtsbijstand in beroep. Vergoeding van kosten voor het opvragen van medische informatie en voor rechtsbijstand in bezwaar werd afgewezen omdat deze niet onder het Besluit proceskosten bestuursrecht vallen.

Daarnaast wees de rechtbank erop dat het UWV verplicht is het griffierecht van €51 te vergoeden. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van €1.401 aan proceskosten na intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/4152

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. P.S. Fluit),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam] B.V.uit [vestigingsplaats], de ex-werkgever
(gemachtigde: mr. K. Gomes).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om het UWV te veroordelen in zijn proceskosten. Dit verzoek is gedaan bij de intrekking van het beroep over verzoekers WGA [1] loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet WIA. [2]
1.1.
Met het besluit van 28 februari 2022 heeft het UWV aan verzoeker vanaf 1 mei 2022 een loonaanvullingsuitkering toegekend, omdat verzoeker per die datum 49,85% arbeidsongeschikt was.
1.2.
Met het besluit van 3 december 2024 heeft het UWV het bezwaar van de ex-werkgever gegrond verklaard en verzoekers loonaanvullingsuitkering per 15 januari 2025 beëindigd.
1.3.
Eiser heeft tegen het besluit van 3 december 2024 beroep ingesteld.
1.4.
Met de tussenuitspraak van 4 december 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit van 3 december 2024 aan een gebrek lijdt en het UWV in de gelegenheid gesteld om dat gebrek te herstellen (bestuurlijke lus). [3]
1.5.
Met het besluit van 23 maart 2026 heeft het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Het UWV heeft het bezwaar van de ex-werkgever alsnog ongegrond verklaard en besloten dat verzoeker met ingang van 15 januari 2025 recht houdt op een loonaanvullingsuitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 48,98%.
1.6.
Verzoeker en de ex-werkgever hebben aan de rechtbank laten weten dat zij zich in het besluit van 23 maart 2026 kunnen vinden.
1.7.
Naar aanleiding van het besluit van 23 maart 2026 heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek het UWV te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
1.8.
De rechtbank heeft de ex-werkgever in de gelegenheid gesteld om het beroep (als eisende partij) over te nemen. De ex-werkgever heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt binnen de daarvoor door de rechtbank gestelde termijn.
1.9.
De rechtbank heeft het UWV en de ex-werkgever in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om proceskostenveroordeling. Het UWV heeft gereageerd met een brief van 15 juni 2026.
1.10.
Omdat het verzoek kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [4]
Is het UWV aan verzoeker tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of het UWV geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen. Dat is het geval. Met het besluit van 23 maart 2026 heeft verzoeker de loonaanvullingsuitkering behouden die in eerste instantie was beëindigd vanwege het bezwaar van de ex-werkgever.
Welk bedrag aan proceskosten moet het UWV aan verzoeker vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV moet die vergoeding betalen.
5.1.
De rechtbank ziet aanleiding om het UWV te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 1.401 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
5.2.
Verzoeker heeft nog verzocht om een vergoeding van kosten voor het opvragen van medische informatie tot een bedrag van (€ 27,23 + € 132,12 =) € 159,35. De rechtbank wijst het verzoek in zoverre af. In artikel 1 van Pro het Bpb zijn de kosten die voor vergoeding in aanmerking komen limitatief opgesomd. Dit betekent dat kosten die niet in deze opsomming staan niet kunnen worden vergoed. Het opvragen van medische informatie staat niet in deze opsomming en de kosten die verzoeker in dat verband heeft gemaakt kunnen daarom niet worden vergoed. [5]
5.3.
Er is geen grond voor een vergoeding van de kosten in bezwaar. Met het besluit van 23 maart 2026 is het bezwaar van de ex-werkgever (alsnog) ongegrond verklaard. In een dergelijk geval biedt de wet geen mogelijkheid om het UWV te veroordelen in de proceskosten die verzoeker in deze fase van de procedure heeft gemaakt. [6]
Krijgt verzoeker een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat het UWV verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 51 te vergoeden. [7] Verzoeker moet zich hiervoor tot het UWV wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.401.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. P. van Berkel, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 10 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.
2.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
3.Rechtbank Oost-Brabant 4 december 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:7912.
4.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.Centrale Raad van Beroep 10 juni 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:794, overweging 6.
6.Dit volgt uit artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.
7.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.