Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
[naam] B.V.uit [vestigingsplaats], de ex-werkgever
Rechtbank Oost-Brabant
Verzoeker had een loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet WIA toegekend gekregen, die later door het UWV op bezwaar van de ex-werkgever werd beëindigd. Verzoeker stelde beroep in tegen deze beëindiging. De rechtbank oordeelde in een tussenuitspraak dat het besluit gebrekkig was en gaf het UWV de gelegenheid dit te herstellen.
Het UWV nam vervolgens een gewijzigde beslissing waarin het bezwaar van de ex-werkgever ongegrond werd verklaard en verzoeker zijn loonaanvullingsuitkering behield. Zowel verzoeker als de ex-werkgever gingen akkoord met deze nieuwe beslissing. Naar aanleiding hiervan trok verzoeker het beroep in en verzocht de rechtbank het UWV te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank stelde vast dat het UWV geheel aan verzoeker was tegemoetgekomen en wees het verzoek om proceskostenveroordeling toe. De vergoeding werd vastgesteld op €1.401 voor de kosten van rechtsbijstand in beroep. Vergoeding van kosten voor het opvragen van medische informatie en voor rechtsbijstand in bezwaar werd afgewezen omdat deze niet onder het Besluit proceskosten bestuursrecht vallen.
Daarnaast wees de rechtbank erop dat het UWV verplicht is het griffierecht van €51 te vergoeden. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van €1.401 aan proceskosten na intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming.