ECLI:NL:RBOBR:2025:7912

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
24/4152
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake WIA-uitkering en herstel van besluitvorming door UWV

Op 4 december 2025 heeft de Rechtbank Oost-Brabant een tussenuitspraak gedaan in de zaak tussen eiser en het UWV, naar aanleiding van een beroep tegen de beëindiging van een WIA-uitkering. Eiser, die eerder een loonaanvullingsuitkering ontving, had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 3 december 2024, waarin zijn uitkering per 15 januari 2025 werd beëindigd. De rechtbank constateerde dat het UWV een onjuiste datum in geding had gehanteerd en gaf het UWV de gelegenheid om dit gebrek in de besluitvorming te herstellen. De rechtbank paste de bestuurlijke lus toe en stelde het UWV een termijn van vier maanden om een nieuw verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek uit te voeren. Eiser had zich ziekgemeld in 2016 en ontving sindsdien verschillende uitkeringen. De rechtbank benadrukte het belang van een snelle herbeoordeling, gezien de lange duur van de procedure en het verlies van uitkeringsrecht voor eiser. De uitspraak werd gedaan door rechter A.F. Vink, in aanwezigheid van griffier F.E.M. Wintjes, en is openbaar uitgesproken op 4 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/4152

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. P.S. Fluit),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam] B.V.uit [vestigingsplaats], de ex-werkgever
(gemachtigde: mr. K. Gomes).

Inleiding

1. Met deze tussenuitspraak stelt de rechtbank het UWV in de gelegenheid om een geconstateerd gebrek in de door hem genomen beslissing op bezwaar van 3 december 2024 te herstellen.
1.1.
Met het besluit van 28 februari 2022 heeft het UWV eiser vanaf 1 mei 2022 een loonaanvullingsuitkering toegekend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat eiser per die datum 49,85% arbeidsongeschikt was.
1.2.
Met het besluit van 3 december 2024 op het bezwaar van de ex-werkgever heeft het UWV eisers loonaanvullingsuitkering beëindigd per 15 januari 2025.
1.3.
Eiser heeft tegen het besluit van 3 december 2024 beroep ingesteld.
1.4.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
Op 2 december 2025 zou het beroep van eiser op zitting worden behandeld. Deze zitting is niet doorgegaan in verband met het doen van deze tussenuitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser werkte voor 38,45 uur per week als logistiek medewerker bij de ex-werkgever. Op 4 oktober 2016 heeft hij zich ziekgemeld voor dit werk. Hij is ziek gebleven, had recht op een Ziektewetuitkering en heeft daarna een WIA-uitkering toegekend gekregen. Eerst betrof dat een loongerelateerde uitkering en vervolgens een loonaanvullingsuitkering. Daarop is de procedure gevolgd die staat beschreven onder ‘Inleiding’.
3. De rechtbank doet deze tussenuitspraak, omdat zij vindt dat het UWV een onjuiste datum in geding heeft gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of eiser al dan niet recht heeft op een WIA-uitkering
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.1.
In deze procedure is tussen partijen in geschil of het UWV terecht de WIA-uitkering van eiser heeft beëindigd per 15 januari 2025. Eerder kreeg eiser met het besluit van 28 februari 2022 nog een WIA-uitkering toegekend, omdat hij 49,85% arbeidsongeschikt werd geacht per 1 mei 2022. Met het besluit van 3 december 2024 is die uitkering beëindigd, omdat eiser 0% arbeidsongeschikt wordt geacht per 1 mei 2022.
3.2.
De rechtbank heeft bij wijze van voorlopig oordeel op 27 november 2025 schriftelijk (per Veilig Mailen) aan partijen laten weten dat zij vindt dat het UWV is uitgegaan van een onjuiste datum in geding. Het is vaste rechtspraak dat de datum in geding de datum is waarop aan het einde van de uitlooptermijn de uitkering wordt beëindigd. [1] Dit zou betekenen dat de datum in geding moet zijn 15 januari 2025 (in plaats van 1 mei 2022) en dat het besluit van 3 december 2024 in zoverre onjuist is. De rechtbank heeft partijen verzocht daarop te reageren. Het UWV en eiser hebben (op 27 november 2025 respectievelijk 28 november 2025) schriftelijk (per Veilig Mailen) laten weten het voorlopig oordeel van de rechtbank te onderschrijven.
3.3.
Gelet op wat in overweging 3.2. staat is de rechtbank van oordeel dat de datum in geding moet zijn 15 januari 2025, dat het besluit van 3 december 2024 in zoverre onjuist is en dat dit besluit dus aan een gebrek lijdt. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen om zo het UWV in de gelegenheid de stellen om het hiervoor genoemde gebrek in de besluitvorming te herstellen. Om dit geconstateerde gebrek te herstellen zal het UWV een medische en arbeidsdeskundige beoordeling moeten verrichten per de datum in geding (van 15 januari 2025), zoals het UWV overigens ook in reactie op het voorlopig oordeel van de rechtbank al heeft medegedeeld.
3.4.
Het UWV moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb zo spoedig mogelijk aan de rechtbank meedelen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Hoewel de mogelijkheid van het toepassen van een bestuurlijke lus niet eerder met partijen is besproken, begrijpt de rechtbank uit voornoemde reactie van het UWV van 27 november 2025 dat het UWV het gebrek in de besluitvorming wil herstellen. De rechtbank vat dat daarom (ook) op als mededeling in de hiervoor bedoelde zin, namelijk dat het UWV gebruik wil maken van de gelegenheid het gebrek te herstellen.
3.5.
Het UWV wijst erop en het is de rechtbank ook ambtshalve bekend dat het UWV kampt met een structureel tekort aan verzekeringsartsen. De rechtbank wil daaraan niet voorbij zien, maar tegelijkertijd loopt deze procedure – uitgaande van het besluit van 28 februari 2022 – al zeer lang. Daar komt bij dat eiser als gevolg van het besluit van 3 december 2024 zijn uitkeringsrecht heeft verloren. Partijen (en met name eiser) hebben daarom een groot belang bij een nieuwe beoordeling binnen afzienbare termijn. Alles afwegende stelt de rechtbank het UWV een termijn van vier maanden na de datum van de verzending van de tussenuitspraak om het gebrek in de besluitvorming te herstellen. Wat de lengte van die termijn betreft heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de termijn die zij hanteert als sprake is van een beroep vanwege niet tijdig beslissen. [2]
3.6.
Mocht de genoemde termijn van vier maanden niet haalbaar blijken, dan zal het UWV binnen deze termijn een concreet verzoek voor verlenging daarvan moeten indienen.
3.7.
Nadat het UWV gebruik heeft gemaakt van de herstelgelegenheid, zal de rechtbank eiser en de ex-werkgever in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV (volgens artikel 8:51b, derde lid, van de Awb). Ook ten aanzien van die termijn geldt dat als een reactie daarbinnen niet haalbaar blijkt, de betreffende partij binnen deze termijn een concreet verzoek voor verlenging daarvan moeten indienen.
3.8.
De rechtbank houdt verder iedere beslissing aan in afwachting van de uitkomst van de herstelpoging van het UWV.
Beslissing
De rechtbank:
  • schorst het onderzoek en heropent het vooronderzoek;
  • stelt het UWV in de gelegenheid om binnen vier maanden na de datum van verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.E.M. Wintjes, griffier. De tussenuitspraak is uitgesproken in het openbaar op
4 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Zie onder andere de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 1 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3925, van 23 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:220, en van 18 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:105.
2.Rechtbank Oost-Brabant 19 juni 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:3502, overweging 4.5.