ECLI:NL:RBOBR:2026:4861

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
26/1382 OW NA en 26/1380 OW NA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1, tweede lid onder g, OmgevingswetArt. 11.27 Besluit activiteiten leefomgevingArt. 11.54 Besluit activiteiten leefomgevingArt. 1:3 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens vernieling rustplaats steenmarter

De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen een last onder dwangsom opgelegd door het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant wegens het opzettelijk vernielen van een vaste rust- of verblijfplaats van een steenmarter op de hooizolder van een schuur bij de boerderij van verzoekers.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er een rust- of verblijfplaats van een steenmarter aanwezig was. Ondanks dat bij nader onderzoek geen marter werd aangetroffen, is vastgesteld dat het verwijderen van het hooi, tegen het advies van een ecoloog in, heeft geleid tot verstoring van deze verblijfplaats. Verzoekers hebben bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hierdoor de rustplaats werd verstoord.

De voorzieningenrechter verklaart de verzoeken om voorlopige voorziening, voor zover gericht tegen de waarschuwing, niet-ontvankelijk en wijst de overige verzoeken af. Tevens wordt de eerder getroffen voorlopige voorziening opgeheven met ingang van 1 augustus 2026, zodat verzoekers voldoende tijd hebben om aan de last onder dwangsom te voldoen.

De waarschuwing van het college wordt niet als een besluit in de zin van de Awb beschouwd, waardoor hiertegen geen bezwaar of voorlopige voorziening mogelijk is. Verzoekers 1 worden als medeplegers aangemerkt vanwege hun nauwe en bewuste samenwerking met verzoeker 2 en hun rol als eigenaren van de schuur.

Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter M.J.H.M. Verhoeven op 9 juli 2026.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en heft de eerdere voorlopige voorziening op wegens vernieling van een rustplaats van een steenmarter.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/1380 OW NA en 26/1382 OW NA

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoekers 1], uit [woonplaats], verzoekers 1

(gemachtigde: mr. L.H. van Houten),

[verzoeker 2], uit [woonplaats], verzoeker 2

en

het college van Gedeputeerde Staten van Noord Brabant, het college

(gemachtigde: Mr. S.J.S. van Gils, [naam] en [naam]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam] uit [vestigingsplaats],
(verder: de derdepartij), vertegenwoordigd door [naam] en [naam]

Samenvatting

Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een besluit waarin het college aan verzoeker en verzoekers een last onder dwangsom heeft opgelegd wegens het handelen in strijd met het verbod in artikel 5.1, tweede lid onder g van de Omgevingswet. Daarin stelt het college dat verzoekers opzettelijk een vaste voortplantingsplaats of rustplaats van een steenmarter hebben beschadigd of vernield. Ook heeft het college een waarschuwing van een overtreding van de specifieke zorgplicht in artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) gegeven. Verzoekers zijn het hier niet mee eens.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op de hooizolder van de schuur bij de boerderij van verzoekers 1 een rust- of verblijfplaats van een marter is geweest. Door het hooi te laten verwijderen nadat een ecoloog had geadviseerd hier nader onderzoek naar te verrichten, hebben verzoekers bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat een verblijf- of rustplaats werd verstoord. Dat daarna geen marter meer is aangetroffen doet hieraan niet af. Daarom heft de voorzieningenrechter een getroffen ordemaatregel op en wijst de verzoeken af. De voorzieningenrechter beschouwt de waarschuwing niet als een besluit.

Procesverloop

1. Met de afzonderlijke bestreden besluiten van 14 april 2026 heeft het college aan verzoekers 1 en verzoeker 2 een last onder dwangsom opgelegd. In beide besluiten heeft het college tevens een waarschuwing gegeven dat de specifieke zorgplicht in artikel 11.27 van het Bal met betrekking tot het verstoren van verblijfplaatsen van de gewone grootoorvleermuis en de laatvlieger is overtreden
1.1.
Verzoekers 1 en verzoeker 2 hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Deze verzoeken zijn geregistreerd onder zaaknummers SHE 26/1380 OW NA en SHE 26/1382 OW NA.
1.2.
Bij uitspraak van 13 mei 2026 heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel genomen en de bestreden besluiten geschorst en partijen uitgenodigd om ter zitting te verschijnen om te beoordelen of met toepassing artikel 8:87. eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de voorlopige voorziening moet worden opgeheven of gewijzigd.
1.3.
Deze zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2026. Verzoeker 2 heeft aan de zitting deelgenomen, mede als gemachtigde van verzoekers 1. De gemachtigden van het college en van de derde-partij zijn ook verschenen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
  • Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda heeft op 28 september 2022 het wijzigingsplan ‘[naam]’ vastgesteld. Het wijzigingsplan maakt bewoning van de boerderijwoning op dit perceel mogelijk.
  • Verzoekers 1 zijn in de zomer van 2023 eigenaar geworden van dit perceel (verder: de locatie). Hier staan een boerderij en een oude schuur. In de zomer van 2023 was deze schuur deels gevuld met hooi.
  • Verzoeker 2 huurt de schuur van verzoekers 1 en wil deze veranderen naar een mantelzorgwoning om daar zelf te gaan wonen, waarbij verzoekers 1 de mantelzorg bieden.
  • In opdracht van verzoeker 2 heeft het bureau Grofalex in december 2023 een quick-scan uitgevoerd. Hierbij was het hooi nog aanwezig in de schuur. Tijdens het veldbezoek aan bij en in de schuur zijn geschikte locaties gevonden voor vaste rust- en/of verblijfsplaatsen van vleermuizen en steenmarters. Ook zijn veel sporen en ontlasting geconstateerd (vers en oud). Tijdens het bezoek heeft de ecoloog aan verzoeker 2 aangegeven dat een nader onderzoek nodig is.
  • Kort na het bezoek heeft de buurman op verzoek van verzoeker 2 het hooi bij de schuur weggehaald.
  • Op 2 januari 2024 heeft de ecoloog een rapport opgemaakt. In het rapport staat het volgende: “
  • Op 30 oktober 2024 heeft de ecoloog een rapport gemaakt van een nader onderzoek. Hierbij is met cameravallen tussen 6 juni 2024 en 19 september 2024 gecontroleerd op activiteiten van de steenmarter maar die is niet meer in de schuur aangetroffen. In het rapport is vermeld dat verzoeker 1 zelfstandig het hooi heeft verwijderd. Verder zijn bij veldbezoeken verschillende vleermuizen waargenomen. In de schuur zijn geen vaste verblijfplaatsen voor vleermuizen waargenomen.
  • In het nader onderzoek is verzoeker 1 gewezen op de zorgplicht voor steenmarters en vleermuizen.
  • De derde-partij heeft op 3 juli 2025 gemeld dat verzoeker 1 en verzoeker 2 handelingen verrichten.
  • Een toezichthouder van het college heeft op 8 juli 2025 een controle uitgevoerd. Hierbij is ook navraag gedaan bij de ecoloog. Hierover staat het volgende vermeld in het rapport: “Er is aangegeven bij de initiatiefnemer dat het hooi moest blijven liggen op de hooizolder. Dit heeft de initiatiefnemer niet gedaan. De ecoloog gaf aan dat de steenmarter geen gebruik meer maakt van de zolder door het verwijderen van het hooi. Er zijn tijdens het nader onderzoek alleen sporen van katten gevonden.”
  • Op 11 augustus 2025 heeft het college de resultaten gedeeld met verzoeker 2.
  • Het college heeft verzoeker 2 bij brief van 3 oktober 2025 bericht voornemens te zijn verzoekers een last onder dwangsom op te leggen omdat een marterverblijfplaats is vernield in strijd met artikel 11.54, eerste lid onder b, van het Bal. Verzoeker 2 heeft hierop gereageerd.
  • De derde-partijen hebben op 2 december 2025 verzocht om handhaving vanwege het zonder een omgevingsvergunning verrichten van flora- en fauna-activiteiten.
  • Op 12 maart 2026 heeft de toezichthouder van het college nogmaals gecontroleerd. Hierbij is vastgesteld dat het slechts het geraamte van de schuur nog staat.
  • Vervolgens heeft het college de bestreden besluiten genomen. Naast verzoekers hebben ook de derde-partijen bezwaar gemaakt tegen de bestreden besluiten voor zover hierin hun verzoek van 2 december 2025 is afgewezen.
Is de waarschuwing een besluit?
3. Verzoeker heeft aangegeven dat het bezwaar en het verzoek om voorlopige voorziening zich ook richten tegen de waarschuwing die is gegeven in de bestreden besluiten.
3.1.
In de besluiten heeft het college de volgende waarschuwing gegeven (citaat is uit het bestreden besluit gericht aan verzoekers): “
Wij menen namelijk dat op basis van het uitgevoerde vleermuisonderzoek, de verspreidingsgegevens en de habitatgeschiktheid van de projectlocatie zomer- en kraamverblijfplaatsen van de gewone grootoorvleermuis en paarverblijfplaatsen van de laatvlieger niet uitgesloten kunnen worden binnen of in de directe omgeving van het projectgebied. Hierdoor zijn negatieve effecten op deze soorten door de werkzaamheden niet uitgesloten voordat met de werkzaamheden is begonnen. Er is sprake van een overtreding van de specifiek zorgplicht, artikel 11.27, van het Bal. Voor een uitgebreide uitleg verwijzen wij u naar bijlage 1 bij dit besluit (het rapport van bevindingen). Deze overtreding kan niet meer worden hersteld. De werkzaamheden zijn al uitgevoerd en de schuur is gesloopt. Wij geven u daarom voor deze overtreding één waarschuwing.”Het college ziet dit niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb.
3.2.
De Omgevingswet of het Bal, meer in het bijzonder artikel 11.27 van het Bal, bieden geen uitdrukkelijke wettelijke basis voor het geven van een waarschuwing. Het gaat dus om een informele waarschuwing. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze informele waarschuwing in de bestreden besluiten géén besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb. Vanwege het enkele negeren van de waarschuwing plegen verzoekers geen overtreding van de specifieke zorgplicht in artikel 11.27 van het Bal. De waarschuwing is geen voorwaarde voor handhavend optreden. Er is geen termijn verbonden aan de waarschuwing. Mede naar aanleiding van de waarschuwing kunnen verzoekers wel worden geacht redelijkerwijs te vermoeden dat hun handelingen nadelige gevolgen kunnen hebben voor de belangen in artikel 11.23 van het Bal. De waarschuwing is gegeven op basis van omstandigheden die (los van de waarschuwing) ook zouden kunnen leiden tot een overtreding van de specifieke zorgplicht. Dit vermoeden hadden verzoekers ook kunnen hebben op basis van de bevindingen van hun eigen ecoloog, de correspondentie met het college en de lokale omstandigheden (zij verrichten handelingen bij een oude schuur agrarische schuur bij een voormalige boerderij die al enige tijd niet is gebruikt). De rechtbank ziet in de waarschuwing dus geen concretisering van de specifieke zorgplicht. Deze concretisering is overigens al gegeven in artikel 11.27, tweede lid onder a, van het Bal. Mede gelet op overweging 15.13 van de conclusie van AG Widdershoven van 24 januari 2018 [1] en uitspraken van Afdeling bestuursrechtspaak van de Raad van State waarin deze conclusie is gevolgd [2] beschouwt de voorzieningenrechter de waarschuwing niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Verzoekers kunnen er dus geen bezwaar tegen maken of een verzoek om voorlopige voorziening over kunnen indienen. Dat betekent overigens niet dat ze de waarschuwing zomaar in de wind kunnen slaan.
3.3.
De voorzieningenrechter zal de verzoeken om voorlopige voorziening, voor zover deze zijn gericht tegen de waarschuwing, niet ontvankelijk verklaren omdat ze niet zijn ingediend in combinatie met een bezwaar tegen een besluit (artikel 8:81, eerste lid van de Awb).
Bezwaargronden over de bevoegdheid van het college en de juridische grondslag
4. Verzoekers 1 stellen dat zij geen voornemen hebben ontvangen.
4.1.
Het college merkt op dat zij ook op 13 januari 2026 aan verzoekers 1 een voornemen heeft verzonden.
4.2.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan dit standpunt van het college te twijfelen en is van oordeel dat het besluit in zoverre voldoende zorgvuldig is voorbereid.
5. Verzoekers betwijfelen of het college zonder meer alle stukken in de procedure had kunnen brengen gelet op een lopende procedure in kader van de Wet open overheid.
5.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het op de weg van het college ligt om de op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding te brengen (zie artikel 8:83, eerste lid van de Awb). Dat heeft het college gedaan, zonder hierbij een beroep te doen op artikel 8:29 van Pro de Awb. De voorzieningenrechter betrekt alle toegezonden stukken bij de beoordeling van de verzoeken. In hetgeen verzoekers hierover hebben aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de voorlopige voorziening te handhaven.
6. Verzoekers vragen zich af waarom de omgevingsdienst Brabant Noord het besluit heeft ondertekend en niet de omgevingsdienst Midden en West-Brabant die toezicht houdt op het gebied waar de locatie is gelegen.
6.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het college een algemeen mandaat heeft gegeven aan de drie Brabantse omgevingsdiensten tot het namens en onder verantwoordelijkheid van hen nemen van besluiten ter uitoefening van hun bestuurs- en beheersbevoegdheden [3] . Hierbij is tussen de omgevingsdiensten een onderverdeling gemaakt in kader waarvan de omgevingsdienst Brabant Noord besluiten neemt voor de gehele provincie in kader van hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming en de opvolger van deze wet (de Omgevingswet). De bestreden besluiten zijn genomen door het college en namens het college ondertekend door de manager Afdeling Innovatie, ontwikkeling en juristen van de betreffende omgevingsdienst. De voorzieningenrechter ziet hierin geen aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen.
7. Alle verzoekers stellen dat de vermeende overtreding volgens het college zou moeten hebben plaatsgevonden in 2023. Het college had het wettelijk kader moeten gebruiken dat op dat moment gold. Ze had niet de Omgevingswet maar de Wet natuurbescherming ten grondslag moeten leggen aan het bestreden besluit.
7.1.
Het college stelt dat de bepalingen uit de voorheen geldende Wet natuurbescherming enkel van toepassing waren indien de handhavingsprocedure voor 1 januari 2024 was gestart (artikel 2.9 van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet). Dat is hier niet het geval.
7.2.
De besluiten zijn genomen na inwerkingtreding van de Omgevingswet en het uitgangspunt is dat het recht van toepassing is dat geldt ten tijde van het besluit. Het oude recht geldt alleen als het besluit tot opleggen van een sanctie is genomen vóór 1 januari 2024. In die gevallen blijft het oude recht van toepassing tot (i) de last volledig is uitgevoerd, (ii) de dwangsom volledig is verbeurd, of (iii) de last is opgeheven. [4] Overigens zijn ook de handhavingsverzoeken ingediend na 1 januari 2024 zodat het college terecht hierin geen aanleiding heeft gezien om het oude recht toe te passen. Het moment van constateren dan wel de omstandigheid dat er mogelijk in 2023 een marter heeft gezeten en daarna niet meer (met andere woorden, het moment dat mogelijk sprake was van een overtreding), is niet van belang.
Is sprake van een overtreding?
8. Beide verzoekers betwisten het bestaan van een overtreding. Er is geen steenmarter aangetroffen. Het college heeft het vermoeden van de overtreding alleen gebaseerd op de resultaten van een in opdracht van verzoeker 2 uitgevoerde quick-scan. Dit rapport geeft slechts aanleiding geeft tot nader onderzoek maar bevestigt de aanwezigheid van een steenmarter niet. De vermeende overtreding is niet door het college zelf is geconstateerd. Voorts blijkt uit het vervolgonderzoek dat geen sporen van een steenmarter, zoals haren, nestmateriaal of looproutes, zijn aangetroffen en zijn de aangetroffen uitwerpselen niet nader onderzocht. De enkele foto van een marterkeutel wil nog niet zeggen dat er een rust- of verblijfplaats van een marter is. Verzoekers trekken ook de geloofwaardigheid van het onderzoek in twijfel. In het aanvullend onderzoek is geen marter of een verblijfplaats van een marter aangetroffen. Er zijn geen opzettelijke handelingen verricht om de verblijfplaats van het dier te vernielen.
8.1.
Volgens het college is sprake van een overtreding van artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet, in samenhang met artikel 11.54, eerste lid, onder b, van het Bal. Het college baseert dit op de resultaten van de quick-scan. Volgens het college blijkt uit de tijdens de quickscan aangetroffen uitwerpselen dat op de hooizolder ten minste een rustplaats van een steenmarter aanwezig was. Het college heeft een eigen beoordeling gemaakt op basis van de bevindingen van de quick-scan. De kenmerkende ophoping van de uitwerpselen, zoals te zien in de QuickScan, is een latrine. Deze wordt door de steenmarter gebruikt om zijn territorium (verblijfplaats) te markeren. Het markeren van territorium laat zien dat de hooizolder op zijn minst in gebruik is geweest als rustplaats. Dat bij het nader onderzoek geen steenmarter is aangetroffen, doet hier volgens het college niet aan af. Dat komt doordat het hooi voorafgaand aan dat onderzoek was verwijderd, waardoor de verblijfplaats ongeschikt was geworden. Bovendien blijft een verblijfplaats ook beschermd wanneer deze tijdelijk niet in gebruik is, maar opnieuw door de soort kan worden gebruikt. Met het verwijderen van het hooi hebben verzoekers bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat een verblijfplaats wordt verstoord.
8.2.
In artikel 11.54, eerste lid onder b van het Bal is bepaald dat het verbod in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren genoemd in bijlage IX, onder A bij het Bal.
8.3.
Onder «opzet» wordt in artikel 11.54 ook voorwaardelijke opzet begrepen. Daaronder valt dan bijvoorbeeld ook handelingen in een gebouw, waarvan je kunt verwachten dat het direct of indirecte schadelijke effecten heeft op beschermde soorten en/of hun verblijfplaats.
8.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college met de boven weergegeven beoordeling van de quick-scan voldoende heeft aangetoond dat in de schuur (en het hooi opgeslagen in de schuur) vaste verblijfs- en rustplaatsen van marters waren. De door verzoekers overgelegde foto’s van katten in de schuur leidt niet tot een ander oordeel. De omstandigheid dat geen marter is aangetroffen bij de quick-scan evenmin. Met het laten verwijderen van het hooi hebben verzoekers de rust- of verblijfplaats vernield. Het college heeft geen enkele twijfel hoeven te hebben over de geloofwaardigheid van de door verzoeker 2 ingeschakelde ecoloog. De veronderstelling dat die een rapport heeft geschreven naar een conclusie (noodzaak voor nader onderzoek) is nergens op gebaseerd. De omstandigheid dat bij het nader onderzoek geen marter is aangetroffen, doet niets af aan het bestaan van de overtreding die daarvoor heeft plaatsgevonden. Het college merkt terecht op dat de rustplaats beschermd blijft.
8.5.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat een verblijf- of rustplaats wordt verstoord. De ecoloog heeft verzoeker 2 aangegeven dat het hooi moest blijven liggen op de hooizolder. Verzoeker 2 is bij het bezoek van de ecoloog gewezen op de mogelijke aanwezigheid van marters en de noodzaak voor een nader onderzoek. Desondanks hebben verzoekers de buurman de gelegenheid gegeven om het hooi te verwijderen, voordat het nader onderzoek was verricht. Dit duidt naar het oordeel van de voorzieningenrechter op een welbewust handelen. Dat sprake zou zijn van acuut brandgevaar als het hooi langer zou blijven liggen, vindt de voorzieningenrechter een te vergezocht argument. Het hooi lag er immers al een tijdje.
9. Verzoekers wijzen er op dat zij een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit hebben van het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Breda (B&W). Hierin wordt geen melding gemaakt van overtredingen en B&W is akkoord gegaan met de verbouwing van de schuur. De derde-partijen hadden bezwaar moeten maken tegen de omgevingsvergunning.
9.1.
Het college is op de hoogte van een verlening van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor het transformeren van de schuur tot woning op grond van artikel 5.1, eerste lid onder a, van de Omgevingswet. Dit besluit van B&W ziet niet op de verlening van een omgevingsvergunning van artikel 5.1, tweede lid onder g, van de Omgevingswet. Omdat er geen vergunning is verleend, is sprake van het verrichten van activiteiten in strijd met het verbod in artikel 5.1, tweede lid onder g, van de Omgevingswet.
9.2.
De voorzieningenrechter is niet gebleken dat verzoekers een omgevingsvergunning hebben aangevraagd voor meerdere activiteiten waaronder een flora en fauna activiteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid onder g, van de Omgevingswet. Met de vergunning voor de buitenplanse omgevingsactiviteit heeft B&W géén omgevingsvergunning verleend voor een flora- en fauna-activiteit, ook niet impliciet. Overigens is B&W niet bevoegd om daarop te beslissen gelet op artikel 5.10 eerste lid onder e van de Omgevingswet en artikel 4,6, eerste lid onder e, van het Omgevingsbesluit.
10. De voorzieningenrechter concludeert dat sprake is van een overtreding van artikel 5.1, tweede lid onder g, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 11.54, eerste lid onder b, van het Bal. Overigens is het verwijderen van het hooi in de wetenschap dat een nader onderzoek nodig is, zonder meer ook een overtreding van artikel 11.27 eerste lid onder a van het Bal. Van verzoekers kan worden verwacht dat zij het hooi zouden laten liggen in afwachting van dit onderzoek, zeker als ze hierop zijn gewezen door een ecoloog.
Zijn verzoekers 1 overtreder?
11. Verzoekers 1 stellen dat zij niet moeten worden aangemerkt als overtreders. Ze zijn eigenaar van de stal maar hebben die verhuurd aan verzoeker 2 en hebben verder niets van doen gehad met het project.
11.1.
De overtreder is degene die het desbetreffende wettelijke voorschrift daadwerkelijk schendt, met andere woorden, degene die de verboden handeling fysiek verricht. Daarnaast kan ook degene die de schending van het wettelijk voorschrift medepleegt als overtreder worden aangemerkt. Medeplegen als bedoeld in artikel 5:1, tweede lid, van de Awb doet zich voor bij een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. De kwalificatie ‘medepleger’ is slechts gerechtvaardigd als de intellectuele en/of materiële bijdrage van de betrokkene aan het feit van voldoende gewicht is. In het bijzonder wanneer het medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, kunnen voor het oordeel dat zich niettemin een nauwe en bewuste samenwerking voordoet onder meer van belang zijn de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het feit en het belang van de rol van de betrokkene (zie de uitspraak van de Afdeling van 6 september 2017 [5] ).
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college verzoekers 1 terecht als overtreders heeft aangemerkt. Volgens het college waren zij op de hoogte, of hadden zij op de hoogte moeten zijn, van de werkzaamheden en de inhoud van de quickscan en hadden zij de overtreding kunnen voorkomen of beëindigen. Verzoekers 1 zijn eigenaar van de schuur. Van verzoekers mag als eigenaren van het perceel met daarop schuur veel worden verwacht, in ieder geval dat zij op de hoogte is van wat er met hun eigendommen gebeurt. Zij zijn ook de beoogde mantelzorgers van verzoeker 2 hetgeen duidt op een nauwe en bewuste samenwerking.
Overige bezwaren
12. Verzoekers maken meerdere opmerkingen over de opstelling van het college en vragen zich af in hoeverre het college zich als een zorgvuldige onafhankelijke overheid heeft gedragen.
12.1.
In de opmerkingen van verzoekers of in de opstelling en handelwijze van het college ziet de voorzieningenrechter geen enkel aanknopingspunt dat sprake zou zijn van onzorgvuldig handelen of partijdig handelen.

Conclusie en gevolgen

13. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de bestreden besluiten in bezwaar kunnen worden gehandhaafd.
14. De voorzieningenrechter is nagegaan of uitvoering van de bestreden besluiten voor verzoekers zwaarwegende gevolgen zou kunnen hebben tijdens de bezwaarfase die noodzaken tot het treffen van een voorlopige voorziening. In de bestreden besluiten is bepaald dat, om de overtreding te beëindigen, verzoekers een ecologisch functionele compensatie van de voorheen bestaande verblijfplaats moeten plaatsen. Verzoekers hoeven niet de hooizolder te herstellen in de oorspronkelijke staat en te vullen met hooi, maar kunnen volstaan met het plaatsen van een marterkast op de locatie. Het college heeft dit ter zitting bevestigd en aangegeven bereid te zijn hierover in overleg te treden. Het uitvoeren van deze maatregel kan naar het oordeel redelijkerwijze van verzoekers worden gevergd. Daarom ziet de voorzieningenrechter aanleiding de voorlopige voorziening in de uitspraak van 13 mei 2026 op te heffen met ingang van 1 augustus 2026 en de verzoeken af te wijzen. Dit biedt verzoekers voldoende tijd om aan de last onder dwangsom te voldoen.
15. Er is geen aanleiding om het college te veroordelen tot vergoeding van het griffierecht of proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • heft de voorlopige voorziening in de uitspraak van 13 mei 2026 op met ingang van 1 augustus 2026;
  • verklaart de verzoeken om voorlopige voorziening, voor zover deze zijn gericht tegen de waarschuwing niet-ontvankelijk;
  • wijst de verzoeken om voorlopige voorziening voor het overige af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. Duin, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage

5.1, tweede lid onder g, van de Omgevingswet.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
(…) g
.een flora- en fauna-activiteit,
voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.

Artikel 11.27. (specifieke zorgplicht)

1. Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht:
a.alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
b.voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
c.als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2 Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:
a.voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van:
3. dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX;

Artikel 11.54. flora en faunaactiviteit

1 Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:
a.het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A;
b.het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a;

Voetnoten

2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2816
3.zie artikel 2 van Pro het mandaatbesluit (Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels omtrent mandaat Mandaatbesluit Gedeputeerde Staten Omgevingsdienst Brabant Noord 2017 en de soortgelijke mandaatbesluiten voor de andere tweeomgevingsdiensten)
4.Artikel 4.23, eerste lid, IOw. Vgl. AbRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:117, AbRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:113, AbRvS 22 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:183, AbRvs 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:628 en AbRvs 21 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:735