Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoekers 1], uit [woonplaats], verzoekers 1
[verzoeker 2], uit [woonplaats], verzoeker 2
het college van Gedeputeerde Staten van Noord Brabant, het college
[naam] uit [vestigingsplaats],
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de voorzieningenrechter
- Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda heeft op 28 september 2022 het wijzigingsplan ‘[naam]’ vastgesteld. Het wijzigingsplan maakt bewoning van de boerderijwoning op dit perceel mogelijk.
- Verzoekers 1 zijn in de zomer van 2023 eigenaar geworden van dit perceel (verder: de locatie). Hier staan een boerderij en een oude schuur. In de zomer van 2023 was deze schuur deels gevuld met hooi.
- Verzoeker 2 huurt de schuur van verzoekers 1 en wil deze veranderen naar een mantelzorgwoning om daar zelf te gaan wonen, waarbij verzoekers 1 de mantelzorg bieden.
- In opdracht van verzoeker 2 heeft het bureau Grofalex in december 2023 een quick-scan uitgevoerd. Hierbij was het hooi nog aanwezig in de schuur. Tijdens het veldbezoek aan bij en in de schuur zijn geschikte locaties gevonden voor vaste rust- en/of verblijfsplaatsen van vleermuizen en steenmarters. Ook zijn veel sporen en ontlasting geconstateerd (vers en oud). Tijdens het bezoek heeft de ecoloog aan verzoeker 2 aangegeven dat een nader onderzoek nodig is.
- Kort na het bezoek heeft de buurman op verzoek van verzoeker 2 het hooi bij de schuur weggehaald.
- Op 2 januari 2024 heeft de ecoloog een rapport opgemaakt. In het rapport staat het volgende: “
- Op 30 oktober 2024 heeft de ecoloog een rapport gemaakt van een nader onderzoek. Hierbij is met cameravallen tussen 6 juni 2024 en 19 september 2024 gecontroleerd op activiteiten van de steenmarter maar die is niet meer in de schuur aangetroffen. In het rapport is vermeld dat verzoeker 1 zelfstandig het hooi heeft verwijderd. Verder zijn bij veldbezoeken verschillende vleermuizen waargenomen. In de schuur zijn geen vaste verblijfplaatsen voor vleermuizen waargenomen.
- In het nader onderzoek is verzoeker 1 gewezen op de zorgplicht voor steenmarters en vleermuizen.
- De derde-partij heeft op 3 juli 2025 gemeld dat verzoeker 1 en verzoeker 2 handelingen verrichten.
- Een toezichthouder van het college heeft op 8 juli 2025 een controle uitgevoerd. Hierbij is ook navraag gedaan bij de ecoloog. Hierover staat het volgende vermeld in het rapport: “Er is aangegeven bij de initiatiefnemer dat het hooi moest blijven liggen op de hooizolder. Dit heeft de initiatiefnemer niet gedaan. De ecoloog gaf aan dat de steenmarter geen gebruik meer maakt van de zolder door het verwijderen van het hooi. Er zijn tijdens het nader onderzoek alleen sporen van katten gevonden.”
- Op 11 augustus 2025 heeft het college de resultaten gedeeld met verzoeker 2.
- Het college heeft verzoeker 2 bij brief van 3 oktober 2025 bericht voornemens te zijn verzoekers een last onder dwangsom op te leggen omdat een marterverblijfplaats is vernield in strijd met artikel 11.54, eerste lid onder b, van het Bal. Verzoeker 2 heeft hierop gereageerd.
- De derde-partijen hebben op 2 december 2025 verzocht om handhaving vanwege het zonder een omgevingsvergunning verrichten van flora- en fauna-activiteiten.
- Op 12 maart 2026 heeft de toezichthouder van het college nogmaals gecontroleerd. Hierbij is vastgesteld dat het slechts het geraamte van de schuur nog staat.
- Vervolgens heeft het college de bestreden besluiten genomen. Naast verzoekers hebben ook de derde-partijen bezwaar gemaakt tegen de bestreden besluiten voor zover hierin hun verzoek van 2 december 2025 is afgewezen.
Wij menen namelijk dat op basis van het uitgevoerde vleermuisonderzoek, de verspreidingsgegevens en de habitatgeschiktheid van de projectlocatie zomer- en kraamverblijfplaatsen van de gewone grootoorvleermuis en paarverblijfplaatsen van de laatvlieger niet uitgesloten kunnen worden binnen of in de directe omgeving van het projectgebied. Hierdoor zijn negatieve effecten op deze soorten door de werkzaamheden niet uitgesloten voordat met de werkzaamheden is begonnen. Er is sprake van een overtreding van de specifiek zorgplicht, artikel 11.27, van het Bal. Voor een uitgebreide uitleg verwijzen wij u naar bijlage 1 bij dit besluit (het rapport van bevindingen). Deze overtreding kan niet meer worden hersteld. De werkzaamheden zijn al uitgevoerd en de schuur is gesloopt. Wij geven u daarom voor deze overtreding één waarschuwing.”Het college ziet dit niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- heft de voorlopige voorziening in de uitspraak van 13 mei 2026 op met ingang van 1 augustus 2026;
- verklaart de verzoeken om voorlopige voorziening, voor zover deze zijn gericht tegen de waarschuwing niet-ontvankelijk;
- wijst de verzoeken om voorlopige voorziening voor het overige af.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage
5.1, tweede lid onder g, van de Omgevingswet.
.een flora- en fauna-activiteit,