ECLI:NL:RVS:2024:735
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging last onder dwangsom voor gebruik perceel als tuin vanwege natuurvijver
Het college van burgemeester en wethouders van Deventer legde op 25 maart 2020 aan appellant lasten onder dwangsom op wegens overtredingen op een perceel met bestemming 'Natuur'. Appellant maakte bezwaar tegen deze lasten en tegen de invordering van de dwangsommen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad overweegt dat het gebruik van het perceel als tuin met een natuurvijver niet in strijd is met het bestemmingsplan, omdat de bestemming 'Natuur' ook de functie 'water' toestaat. Het college was daarom niet bevoegd handhavend op te treden tegen de vijver. Verder oordeelt de Raad dat het perceel geen achtererfgebied vormt, zodat de bouwwerken niet vergunningvrij zijn gebouwd.
Het beroep op overgangsrecht faalt omdat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de bouwwerken en het gebruik daarvan ongewijzigd sinds 1994 bestaan. Ook bijzondere omstandigheden rechtvaardigen geen afzien van handhaving. De Raad vernietigt het bestreden besluit voor zover het ziet op de last onder dwangsom en de invordering voor het gebruik van het perceel als tuin met de vijver, en verplicht het college tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard en de last onder dwangsom voor het gebruik van het perceel als tuin met de natuurvijver is vernietigd.