ECLI:NL:RBOBR:2026:5071

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
SHE 25/1610
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:69a AwbArt. 2.4 AwbArt. 2.12 WaboHoofdstuk 3 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling herstelbesluit omgevingsvergunning bouwproject Lochterweg De Mortel

De zaak betreft een beroep tegen de omgevingsvergunning voor het bouwen van 10 appartementen, twee geschakelde en twee vrijstaande woningen aan de Lochterweg in De Mortel. De rechtbank constateerde in een tussenuitspraak een gebrek in het besluit van 21 mei 2025, namelijk het ontbreken van een verklaring van geen bedenkingen, en gaf het college de gelegenheid dit te herstellen.

Het college heeft dit gebrek hersteld door een herstelbesluit te nemen waarin de vergunning opnieuw is verleend met de benodigde verklaring. De rechtbank beoordeelt dat het college hiermee het gebrek heeft weggenomen. Het beroep tegen het herstelbesluit wordt inhoudelijk behandeld, terwijl het beroep tegen het oorspronkelijke besluit niet-ontvankelijk wordt verklaard.

De rechtbank gaat vervolgens in op de beroepsgronden van eiser, waaronder onjuistheden in het aanvraagformulier, strijd met gemeentelijk beleid, leefbaarheid, parkeerdruk, ruimtelijke inpasbaarheid, belangenverstrengeling en CO2-verantwoording. Geen van deze gronden leidt tot vernietiging van het herstelbesluit. De rechtbank oordeelt dat het college de vergunning rechtmatig heeft verleend binnen het kader van de Wabo en gemeentelijke beleidskaders.

Tot slot wordt het beroep tegen het herstelbesluit ongegrond verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht aan eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen het herstelbesluit wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1610E

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gemert-Bakel, het college
(gemachtigden: mr. P. Fermont, R. Van der Kuilen, S. Rijkers).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam] B.V. uit [vestigingsplaats] (gemachtigde: mr. M.M. Adriaens), vergunninghouder).

Samenvatting

1. Dit is de einduitspraak in een zaak over de verleende omgevingsvergunning voor het bouwen en afwijken van het bestemmingsplan voor het bouwen van 10 appartementen, twee geschakelde woningen en twee vrijstaande woningen aan de [adres] in [woonplaats] (de locatie). Eiser is het niet eens met deze omgevingsvergunning. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. In de tussenuitspraak van 19 december 2025 heeft de rechtbank een gebrek geconstateerd en het college de gelegenheid geboden dit gebrek te herstellen. De rechtbank beoordeelt in de einduitspraak of het college hierin is geslaagd en beoordeelt de overige, tegen de verleende omgevingsvergunning aangevoerde beroepsgronden alsmede de tegen het herstelbesluit aangevoerde beroepsgronden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning voor het bouwen en afwijken van het bestemmingsplan mocht verlenen
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 21 mei 2025 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen en afwijken van het bestemmingsplan voor het bouwen van 10 appartementen, twee geschakelde woningen en twee vrijstaande woningen aan de Lochterweg in De Mortel (de locatie
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigden van het college en de gemachtigde van vergunninghouder.
2.3.
Met een tussenuitspraak van 19 december 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen twintig weken na verzending van de tussenuitspraak het ontbreken van een verklaring van geen bedenkingen in het besluit van 21 mei 2025 te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de tussenuitspraak.
2.4.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak op 23 december 2025 aangegeven gebruik te maken van de gelegenheid om het gebrek te herstellen. Op 9 maart 2026 heeft het college een nieuw besluit genomen (verder: het herstelbesluit). Hierin heeft het college de omgevingsvergunning van 21 mei 2025 ingetrokken en opnieuw de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Eiser heeft geen schriftelijke zienswijze gegeven. Hij heeft wel bezwaar gemaakt bij het college tegen het herstelbesluit. Het college heeft dit bezwaarschrift doorgezonden met verwijzing naar hetgeen is overwogen in de omgevingsvergunning van 21 mei 2025.
2.5.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. [1]
3.1.
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het college heeft verzuimd een verklaring van geen bedenkingen aan de gemeenteraad van Gemert-Bakel aan te vragen. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen door alsnog een verklaring van geen bedenkingen aan te vragen.
3.2.
Het college heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en heeft de verklaring van geen bedenkingen aangevraagd en verkregen. Vervolgens heeft het college het herstelbesluit genomen. De rechtbank is van oordeel dat het college hiermee het geconstateerde gebrek heeft hersteld.
3.3.
Het beroep van eiser richt zich op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege (automatisch) tegen het herstelbesluit. mede betrekking op het herstelbesluit, nu partijen daarbij voldoende belang hebben. Omdat in het herstelbesluit het bestreden besluit is ingetrokken en eiser geen belang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit, zal de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit niet -ontvankelijk verklaren.
3.4.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank de overige beroepsgronden tegen het bestreden besluit niet besproken. De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift tegen het herstelbesluit een aanvulling bevat van de beroepsgronden maar geen nieuwe beroepsgronden en zal de beroepsgronden met aanvulling hierna bespreken.
3.5.
Volledigheidshalve wijst de rechtbank op rechtsoverweging 4 van de tussenuitspraak waarin is overwogen dat het recht, zoals dat gold voor 1 januari 2024, op deze zaak van toepassing is.

Bespreking beroepsgronden

Onjuiste aanvraag
4. Eiser ziet onwaarheden in het aanvraagformulier staan en begrijpt niet waarom het college van een reguliere aanvraag omgevingsvergunning een uitgebreide aanvraag omgevingsvergunning heeft gemaakt.
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat het bouwplan alleen worden vergund door gebruik te maken van artikel 2.12 eerste lid onder a onder 3 Wabo. Daarop is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. Dit is bepaald in hoofdstuk 3 van de Wabo en niet iets dat een aanvrager of het college in afwijking hiervan zelf kan bepalen. Eiser heeft in het kader van de zienswijze gewezen op onwaarheden in het aanvraagformulier. Op basis hiervan heeft de vergunninghouder een aanvullende memo “Aanvraagformulier vergunning” opgesteld en deze is aan het aanvraagformulier toegevoegd. Eiser heeft niet onderbouwd dat de aangepaste aanvraag onjuist is. Naar het oordeel van de rechtbank waren dit geen ingrijpende wijzigingen die noodzaken tot een nieuwe terinzagelegging van een ontwerpbesluit. De beroepsgrond slaagt niet
Gronden met betrekking tot het Gemeentelijke beleid
5. Eiser stelt dat de ontwikkeling in strijd is met het gemeentelijke beleid. In de Nota Welstand en beeldkwaliteit stelt de gemeente zich als doel om het herkenbare, kleinschalige en dorpse karakter van [woonplaats] te behouden door groen te versterken, met het oog op komende generaties. Met de verwezenlijking van dit plan wordt volgens eiser niet meer voldaan aan een kleinschalig en dorpskarakter. Hij vindt een tweede appartementencomplex in het centrum stedenbouwkundig niet verantwoord in een dorp van circa 1600 inwoners. Het is niet juist dat deze woningen planologisch al zijn toegestaan. Zes van de zeven opgenomen stedenbouwkundige en sociale voorschriften worden niet nageleefd. Een tweede appartementencomplex in het centrum acht eiser stedenbouwkundig niet verantwoord.
5.1.
Het college heeft het bouwplan getoetst aan de ‘Nota Welstand en Beeldkwaliteit’ en is, na aanpassingen, akkoord bevonden door het adviesteam welstand en beeldkwaliteit. Daarbij is onder meer het platte dak vervangen door een dak met kap-vorm.. Het college heeft dit advies overgenomen. Het college benadrukt verder dat het initiatief grotendeels binnen de mogelijkheden van het bestaande omgevingsplan, waarin reeds 12 appartementen en, via een uitwerkingsbevoegdheid, zes patiowoningen zijn toegestaan. Met de omgevingsvergunning wordt voorzien in 10 appartementen en vier patiowoningen. Het bestemmingsplan stelt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 9 meter. In overleg met de Stuurgroep [naam] heeft het college gekozen voor een kleiner bouwvolume om zo meer open ruimte te behouden. Ter compensatie is een extra bouwlaag toegevoegd om in de woningbehoefte te voorzien. Het college verwijst naar de ruimtelijke onderbouwing waarin de keuzes zijn toegelicht en is onderbouwd dat de afwijkingen van het planologisch regime ruimtelijk aanvaardbaar zijn en geen onevenredige aantasting van belangen van derden veroorzaken.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich met de verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing, het welstandsadvies en het overleg met de stuurgroep op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan voldoende past in de dorpskern. De extra bouwlaag leidt niet tot een onaanvaardbare aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Eiser stelt dat het college het begrip leefbaarheid lijkt gelijk te stellen met woningbouw terwijl woningbouw op het dorpsplein juist een onevenredige aantasting is van diezelfde leefbaarheid. Dit kan eiser niet rijmen met de waarde die het college stelt te hechten aan een prettige, gezonde leefomgeving en een levendig dorpshart. Eiser vraagt zich ook af hoe het project zicht verhoudt met eventuele evenementenvergunningen.
6.1.
Het college stelt dat in de gemeentelijke woonzorgvisie ‘Samen thuis in Gemert-Bakel’ als uitgangspunt is opgenomen. Hieruit volgt dat de verdichting van de woonkernen is beoogd, met behoud van de leefbaarheid. Reeds bij de vaststelling van het bestemmingsplan in 2011 is voorzien in de mogelijkheid van woningbouw op deze locatie, mede in samenhang met de realisatie van de multifunctionele accommodatie ‘ [naam] ’, die een belangrijke functie vervult voor onderwijs, ontmoeting en de leefbaarheid in de dorpskern. Verder betoogt het college dat voor deze locatie en dit gebouw met een grotere bouwhoogte en een kleiner grondbeslag is gekozen, om zo meer open ruimte te behouden voor het dorpsplein. Ook is voldoende afstand tot het plein om evenementen door te kunnen laten aan.
6.2.
De rechtbank begrijpt de beroepsgrond van eiser zo, dat hij stelt dat de ontwikkeling (de bouw van de woningen en de appartementen) niet valt te rijmen met de bedoelingen van de gemeente met de dorpskernen. De directe omgeving van eiser zal gaan veranderen en de rechtbank begrijpt dat hij zich hiertegen verzet. De rechtbank is echter van oordeel dat het herstelbesluit niet is genomen in strijd met de Woonvisie gelet op de nadere toelichting van het college. Het college heeft haar keuze voor de ontwikkeling op deze plek voldoende onderbouwd en daarbij alle belangen meegewogen. De rechtbank ziet een bevestiging van dit oordeel in de verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad van Gemert-Bakel. Het college en de gemeenteraad hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ontwikkeling past binnen de gemeentelijke doelstellingen en niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van de leefbaarheid. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
7. Eiser vraagt zich af of de appartementen voor de behoefte van de eigen inwoners worden gebouwd. Elders in de dorpskern staan meerdere appartementen te koop en worden binnen afzienbare tijd (op twee andere bouwlocaties binnen 1 km) ook nog eens ruim 50 woningen inclusief een appartementencomplex gerealiseerd.
7.1.
Het college stelt dat in de gemeentelijke woonzorgvisie ‘Samen thuis in Gemert-Bakel’ als uitgangspunt is opgenomen dat wordt gebouwd voor diverse doelgroepen naar behoefte. In de Woonvisie Gemert-Bakel 2020-2024 is uitgegaan van een behoefte van circa 120 woningen in de gehele gemeente. Verder is in de ruimtelijke onderbouwing gemotiveerd dat het onderhavige plan bijdraagt aan deze behoefte met de realisatie van 10 appartementen en vier patiowoningen. Verder heeft het college ter zitting toegelicht dat op andere locaties in De Mortel uitsluitend grondgebonden woningen worden gerealiseerd en geen appartementen.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college met de verwijzing naar de Woonvisie en de nadere toelichting de lokale behoefte aan appartementen voldoende heeft onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.
Parkeren
8. Eiser geeft aan dat niet voldaan wordt aan de parkeernorm, aangezien omliggende openbare parkeerplaatsen mee zijn geteld voor de nieuwbouw. Het parkeeronderzoek deugt niet omdat is gekeken op dagen dat de parkeerplaatsen bij de school niet in gebruik zijn. Het parkeerterrein wordt uitgebreid met zeven parkeerplaatsen waardoor het kleine stukje groen dat voor evenementen wordt gebruikt nagenoeg verdwijnt.
8.1.
In het bestreden besluit is verwezen naar de ruimtelijke onderbouwing. Hierbij wordt uitgegaan van een parkeerbehoefte van 23,3 parkeerplaatsen verdeeld over twee plekken op eigen terrein en één plek in het openbaar gebied. Het college heeft na het bestreden besluit een nieuw parkeeronderzoek ingebracht van 6 oktober 2025 en dat ten grondslag gelegd aan het herstelbesluit waarin onderzoek is gedaan naar de parkeerdruk.
8.2.
Eiser voert terecht aan dat in het oorspronkelijke parkeeronderzoek onvoldoende onderzoek was gedaan naar de bestaande parkeerdruk in de openbare ruimte. Aan het herstelbesluit ligt echter het gewijzigde parkeeronderzoek ten grondslag. De rechtbank is van oordeel dat het college dit parkeeronderzoek ten grondslag heeft kunnen leggen aan het herstelbesluit. In dit onderzoek is niet gebleken dat parkeerproblemen ontstaan door de realisatie van dit plan. Weliswaar is in het advies een meting uitgevoerd op vrijdagmiddag en in het weekend maar ook op donderdag (en in het advies is aangegeven dat op donderdag de hoogste bezettingsgraad is). Het advies is naar het oordeel van de rechtbank voldoende representatief. In de ruimtelijke onderbouwing is verder voldoende onderbouwd dat, ondanks het aanleggen van parkeerplaatsen op eigen terrein wordt voldaan aan de gemeentelijke groennorm. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De ruimtelijke inpasbaarheid van het project
9. Eiser vreest dat de vergunde bebouwing op een te korte afstand van zijn constructiebedrijf wordt gesitueerd waardoor hij mogelijk belemmert wordt in zijn bedrijfsvoering. De bebouwing voldoet niet aan de vereiste richtafstand van 50 meter van zijn bedrijf.
9.1.
Het college wijst erop dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Centrumplan De Mortel’ in 2011 reeds is voorzien in een woonbestemming op circa 34 meter van het bedrijf van eiser. Binnen deze bestemming zijn rechtstreeks 12 gestapelde woningen toegestaan. Tegen de vaststelling van dit bestemmingsplan is eiser niet in beroep gegaan. De beroepsgrond van eiser richt zich daarmee tegen planologisch reeds toegestane bebouwing. Het college beschouwt het als een gemengd gebied waardoor de milieucategorie van het bedrijf 3.2 is en dus de richtafstand van minimaal 50 meter geldt.
9.2.
De afstand van het bestemmingsvlak van het bedrijf en de geplande woningen bedraagt ongeveer 70 meter. Eiser heeft een constructiebedrijf. De rechtbank is van oordeel dat het college het gebied heeft kunnen aanmerken als gemengd gebied’ op grond van de VNG-handreiking, gelet op de verschillende functies (maatschappelijk, detailhandel en wonen) in elkaars nabijheid de ligging aan een doorgaande route. In dat geval mogen de richtafstanden met één stap worden verlaagd, zodat een richtafstand van 50 meter geldt. Het project zal geen belemmering vormen voor de bedrijfsvoering van het bedrijf van eiser.
10. Eiser betwijfelt of in de te bouwen woningen en appartementen wordt voldaan aan de eis van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er zal namelijk structureel geluidshinder van spelende kinderen en incidenteel van activiteiten gaat ontstaan. De nieuwe bebouwing is op slechts 5 meter van een schoolplein gesitueerd en vlakbij het dorpsactiviteitenplein. De richtlijn van de VNG voor de afstand van bebouwing ten opzichte van een schoolgebouw is, 30 meter van de rand van een schoolplein. Een goed gemotiveerd (akoestisch) onderzoek dat aantoont dat wordt voldaan aan de eis van een, ontbreekt.
10.1.
De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Dat volgt uit artikel 8:69a van de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor genoemde beroepsgrond gebaseerd op normen die niet strekken tot de bescherming van de belangen van eiser zelf. De gestelde gebreken in het geluidsonderzoek en de stelling dat het dorp of de school worden beperkt in haar (mogelijke) uitbreidingen is geen belang dat voorligt bij deze omgevingsvergunning of dat in het belang is van eiser. Eiser had zich daarover kunnen uitlaten bij de vaststelling van het bestemmingsplan. De beroepsgrond leidt niet tot vernietiging van het bestreden besluit of het herstelbesluit.
Grondprijs, aanbesteding en belangenverstrengeling
11. Eiser merkt op dat de gemeente de vigerende grondprijs naar beneden heeft bijgesteld. Eiser vraagt zich af of de gunning voldoet aan de Aanbestedingswet 2012. Tussentijds lijken hele andere spelregels van kracht te gaan worden, waardoor het bouwproject economisch interessanter is geworden. Eiser stelt dat sprake is van belangenverstrengeling omdat de gemeente belang heeft gehad bij de grondexploitatie van de grond. Het college had de omgevingsvergunning alleen daarom niet mogen verlenen.
11.1.
De rechtbank overweegt hierover het volgende. In dit geval staat de rechtmatigheid van het herstelbesluit centraal. Deze kan alleen worden verleend in belang van een goede ruimtelijke ordening. De hoogte van de grondprijs en de wijze van aanbesteding zijn geen aspecten die een directe invloed hebben op de goede ruimtelijke ordening. Slechts als het initiatief niet uitvoerbaar zou zijn, dan zou dit een rol spelen. In de vragen en opmerkingen van eiser ziet de rechtbank echter geen aanleiding voor het oordeel dat het initiatief niet uitvoerbaar is.
11.2.
In de enkele stelling dat sprake is van belangenverstrengeling omdat de gemeente belang heeft gehad bij de grondexploitatie van de grond ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de ruimtelijke keuzes van het college (en de gemeenteraad) niet zijn gemaakt op grond van een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank is evenmin gebleken dat het college bij het nemen van het herstelbesluit vooringenomen is of de schijn van belangenverstrengeling heeft gewekt. Het bestreden besluit is niet in strijd met artikel 2.4 van de Awb genomen. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Co2
12. Eiser vraagt zich af hoe het zit met de verantwoording van de Co2.
12.1.
Op grond van landelijke regels alle aanvragen voor omgevingsvergunningen voor nieuwbouw vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de zogenoemde BENG-normen, de Nederlandse energieprestatienormen voor nieuwbouw, die voor 1 januari 2024 waren vastgelegd in het Bouwbesluit 2012. Als bijlage 7 bij het bestreden besluit is een BENG en MPG-berekening gevoegd. Deze normen strekken niet tot bescherming van de belangen van eiser en de beroepsgrond leidt niet tot vernietiging van het bestreden besluit of het herstelbesluit.
Kappen van bomen
13. Eiser wijst er op dat de kruinen van een bomengroep ten westen van het appartementencomplex worden verkleind van circa 16 meter naar 6 meter, omdat de gebouwen dichtbij worden gebouwd. Hier is aanvankelijk een kapvergunning voor verleend die later weer is ingetrokken. Volgens eiser is kap slechts aanvaardbaar indien wordt voorzien in herplant van volwaardige bomen. Volgens hem voldoen alleen de grondgebonden woningen aan de gemeentelijke groennorm.
13.1.
Het college heeft aangegeven dat er geen volledige bomengroep wordt gekapt of gesnoeid. Het is juist dat in het verleden een vergunning is verleend voor het kappen van 17 bomen binnen het plangebied voor het centrumplan, maar die vergunning is later ingetrokken. Ter zitting is medegedeeld dat één eik wordt teruggesnoeid, en dat vijf bomen worden gekapt. Daarbij worden ondergrondse maatregelen getroffen en wordt bovengronds slechts beperkt gesnoeid, met het oog op het behoud van de boom. De gemeentelijke groennorm geldt slechts voor de woningen die niet rechtstreeks zijn toegelaten op grond van het bestemmingsplan. Deze groennorm geldt dus in dit geval alleen voor de vier grondgebonden woningen. Dit betekent dat er een groennorm van (4*75 m2) 300 m2 geldt. Bij deze ontwikkeling wordt bijna 700 m2 openbaar (beleefbaar) groen toegevoegd. De gemeente Gemert Bakel heeft een beleid vastgesteld voor realisatie bij uitbreidingsinitiatieven (de Groennorm 2.0) dat voorziet in de verplichte aanleg van openbaar toegankelijk groen bij woningbouwprojecten. In het kader is aangegeven dat het beleid niet van toepassing is op het toevoegen van wooneenheden die direct zijn toegelaten (met andere woorden, die rechtstreeks voldoen aan het bestemmingsplan).
13.2.
De rechtbank kan alleen het herstelbesluit toetsen en dit besluit omvat geen toestemming voor het kappen of snoeien van bomen. Hetgeen eiser aanvoert, kan niet leiden tot vernietiging van het herstelbesluit.
13.3.
In de Groennorm staat het volgende: “
In dit document wordt de nieuwe groennorm (2-24) beschreven, genaamd Groennorm 2.0. De Groennorm 2.0 is het toetsingskader voor realisatie van groen bij ion- en uitbreidingsinitiatieven voor woningen en appartementen (wooneenheden) in de gemeente Gemert-Bakel”. Verder is aangegeven dat de Groennorm 2.0 tevens van toepassing is op initiatieven ingediend voor 1 januari 2024. De Groennorm bedraagt 75 m2 per toe te voegen wooneenheid. De rechtbank stelt vast dat de groennorm alleen van toepassing is op ontwikkelingen die niet rechtstreeks zijn toegelaten op grond van het bestemmingsplan, meer in het bijzonder, wooneenheden die worden toegevoegd. Het college hoeft in dit geval dus alleen te voldoen aan de groennorm die geldt voor de grondgebonden woningen nu deze niet zijn toegestaan op grond van het bestemminsplan. Daaraan wordt voldaan en dat is niet in geschil. Het herstelbesluit leidt niet tot de toevoeging van meer appartementen dan reeds zijn toegelaten op basis van het geldende bestemmingsplan. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

14. Het college heeft in het herstelbesluit het gebrek dat is geconstateerd in de tussenuitspraak, hersteld. Het beroep tegen het herstelbesluit is ongegrond.
14.1.
Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het herstelbesluit ongegrond;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Duin, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).