ECLI:NL:RBOBR:2026:5160

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
25/1635
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:90 AwbArt. 8:4 AwbArt. 8:88 AwbArt. 8:1 AwbArt. 7:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schadevergoeding na onrechtmatige intrekking parkeervergunning

Verzoekster vordert een schadevergoeding van €800 voor de huur van een garage, nadat het college ten onrechte de parkeervergunning voor haar kampeerbus had ingetrokken. Het college had het besluit na bezwaar ingetrokken, maar weigerde de schade te vergoeden.

De rechtbank stelt vast dat het intrekkingsbesluit onrechtmatig was, maar oordeelt dat de schadevergoeding niet toewijsbaar is. Verzoekster had gedurende de bezwaarprocedure steeds een geldige parkeervergunning en er was gratis parkeergelegenheid nabij haar woning. De kosten voor de garagehuur zijn gemaakt uit behoefte aan zekerheid en rust, niet uit noodzaak.

De rechtbank benadrukt dat de bezwaarprocedure bedoeld is om besluiten te heroverwegen en dat het redelijk was om te wachten met het maken van definitieve kosten. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen, inclusief het griffierecht.

Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat de schade niet direct voortvloeit uit het onrechtmatige besluit.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1635

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [woonplaats] , verzoekster
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch, het college
(gemachtigde: dhr. J.L.C. Putters )

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een verzoek om schadevergoeding als gevolg van een onrechtmatig besluit. De gestelde schade is € 800,- voor de huur van een garage voor ‘[naam]’, de kampeerbus van verzoekster en haar partner, omdat ten onrechte was besloten de parkeervergunning voor [naam] in te trekken. Verzoekster vindt dat het college die kosten moet betalen en de gemeente vindt van niet. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzoek moet worden afgewezen. Verzoekster krijgt daarom geen schadevergoeding.

Procesverloop

2. Op 14 februari 2024 heeft de partner van verzoekster een voornemen tot intrekking van de parkeervergunning voor ‘[naam]’ ontvangen. Op 28 februari 2024 heeft het college besloten de parkeervergunning in te trekken per 1 juli 2024 (het schadeveroorzakende besluit).
2.1.
Op 18 maart 2024 heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Bij brieven van 17 juni 2024 en 13 september 2024 heeft het college in afwachting van de beslissing op bezwaar de parkeervergunning verlengd tot respectievelijk 1 oktober 2024 en 1 januari 2025.
2.2.
Met de beslissing op bezwaar van 19 december 2024 heeft het college het bezwaar gegrond verklaard en besloten om de parkeervergunning niet in te trekken.
2.3.
Met de brief van 18 maart 2025 hebben verzoekster en haar partner het college verzocht om een schadevergoeding van de kosten die zij ten gevolge van het schadeveroorzakende besluit hebben gemaakt. Op 2 juni 2025 heeft het college besloten het verzoek tot schadevergoeding af te wijzen.
2.4.
Verzoekster heeft met de brief die op 9 juli 2025 door de rechtbank is ontvangen aangegeven dat ze het niet eens is met de beslissing van het college en haar schade vergoed wil zien.
2.5.
Het onderzoek ter zitting heeft op 29 juni 2026 plaatsgevonden. Hieraan hebben deelgenomen verzoekster, haar partner en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Het verzoek tot schadevergoeding
3. De rechtbank stelt voorop dat het in deze zaak gaat om een verzoek tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:90 van Pro de Awb. [1] Verzoekster heeft weliswaar met de brief van 9 juli 2025 bedoeld beroep in te stellen, maar tegen de brief van het college van 2 juni 2025 staat geen beroep open [2] . De rechtbank moet het beroep van verzoekster daarom aanmerken als een verzoek om schadevergoeding.
3.1.
De rechtbank is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die als gevolg van een onrechtmatig besluit geleden wordt. Hiervoor is het wel van belang dat er beroep open stond tegen het besluit waardoor de schade beweerdelijk veroorzaakt is, de zogenaamde processuele connexiteit. [3]
3.2.
De rechtbank stelt vast dat tegen het intrekken van de parkeervergunning beroep kan worden ingesteld. Daarmee is aan de eis van processuele connexiteit voldaan. [4] Verder is de rechtbank van oordeel dat verzoekster kan worden aangemerkt als belanghebbende, omdat haar belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken. [5] Het schadeveroorzakende besluit is weliswaar aan haar partner geadresseerd, maar verzoekster gebruikt [naam] als dagelijks vervoersmiddel waardoor intrekking van de parkeervergunning directe gevolgen van betekenis voor haar heeft.
3.3.
De rechtbank kan dus overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om schadevergoeding. Hiervoor moet worden beoordeeld of sprake is van een onrechtmatig besluit en of de schade, van € 800, - voor de huur voor een garage, ook een direct gevolg hiervan is.
Is het schadeveroorzakende besluit onrechtmatig?
4. Voor de rechtbank staat de onrechtmatigheid van het schadeveroorzakende besluit vast. [6] . Hiervoor geldt ten eerste dat het college, na heroverweging in bezwaar, het schadeveroorzakende besluit heeft ingetrokken en daarbij het advies van de commissie bezwaarschriften heeft gevolgd. In dit advies staat dat de weigeringsgrond die aan de basis ligt van het schadeveroorzakende besluit onrechtmatig is. Ten tweede heeft het college op de zitting ook bevestigd dat het besluit is ingetrokken, omdat het in hun ogen onrechtmatig was. [7]
Is de geleden schade het gevolg van het schadeveroorzakende besluit?
5. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zij genoodzaakt was om kosten te maken voor alternatieve parkeergelegenheid als gevolg van het onrechtmatige besluit. Er is volgens haar namelijk sprake van schaarste ten aanzien van parkeermogelijkheden in haar buurt en omdat het door haar ingediende bezwaar geen schorsende werking had, kon zij de bezwaarprocedure niet afwachten. Dan was de kans namelijk aannemelijk dat zij niet tijdig een alternatieve parkeerplek had gevonden. De verlengingen van de parkeervergunning, die gedurende de bezwaarprocedure zijn afgegeven, werden telkens zo kort voor het verstrijken van de parkeervergunning verstrekt dat dit voor haar niks veranderde ten aanzien van de ervaren urgentie om zo snel mogelijk een parkeerplek te vinden. Die plek had zij gevonden in de garage vlak bij haar huis.
5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat verzoekster geen kosten had hoeven maken voor de huur van een garage. Door de verlengingen van de parkeervergunning heeft verzoekster altijd de beschikking gehad over een parkeerplaats. Daarbij wijst het college erop dat de kosten voor de huur van de garage pas zijn gemaakt na de eerste verlenging. Verder stelt het college dat het mogelijk is om gratis te parkeren vlak bij het huis van verzoekster. Gelet hierop is er volgens het college geen direct verband tussen het onrechtmatige besluit en de geleden schade van verzoekster.
5.2.
De rechtbank volgt het college in zijn standpunt dat het niet noodzakelijk was om vooruitlopend op een eventuele definitieve intrekking van de parkeervergunning kosten te maken voor alternatieve parkeergelegenheid. Hiervoor geldt dat verzoekster namelijk altijd heeft kunnen beschikken over een parkeervergunning en onbetwist is dat er vlak bij het huis van verzoekster de mogelijkheid bestaat om [naam] gratis te parkeren. Daarbij heeft het college niet ineens de parkeervergunning ingetrokken, maar deze gedurende de besluitvorming steeds verlengd met drie maanden. De rechtbank heeft op de zitting van verzoekster begrepen dat zij en haar partner geen vertrouwen hadden in de uitkomst van de bezwaarprocedure en dat het schadeveroorzakende besluit al langere tijd onrust veroorzaakte bij hen. Zij hadden daarom behoefte aan zekerheid en daarmee rust in het hoofd, waardoor zij hebben besloten gebruik te maken van de gelegenheid die voorbijkwam om nagenoeg tegenover hun huis een garage te kunnen huren. De rechtbank is van oordeel dat het huren van een garage als meer permanente oplossing in deze zaak geen schade is die een direct gevolg is van het schadeveroorzakende besluit en dat het bewerkstelligen van rust niet maakt dat het college moet opdraaien voor de kosten. De bezwaarprocedure is namelijk bij uitstek bedoeld om een eerder besluit te heroverwegen en de uitkomst van die heroverweging kan een andere zijn dan die van het eerdere besluit. Het had van verzoekster mogen worden verwacht dat zij gedurende de bezwaarprocedure had gewacht met het maken van kosten voor een meer definitieve oplossing, helemaal in de wetenschap dat als het eerdere besluit na heroverweging niet zou worden teruggedraaid (dus als het tot een definitieve intrekking van de parkeervergunning zou komen) zij in ieder geval tijdelijk gebruik zou kunnen maken van de gratis parkeerplekken dichtbij zolang zij nog op zoek zou zijn naar een alternatieve permanente parkeerplek. Dat er dan binnen een aanvaardbaar tijdsbestek en op een redelijke afstand van het huis geen mogelijkheden zouden zijn om voor [naam] een goede plek te kunnen regelen, is niet onderbouwd en ook niet zonder meer aannemelijk. Dat sprake is van schaarste is daarvoor onvoldoende, omdat het verzoekster ook nu was gelukt om redelijk snel dichtbij een garage te regelen. Naar het oordeel van de rechtbank is verzoekster er dan ook niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat ze de kosten redelijkerwijs heeft moeten maken ten gevolge van het schadeveroorzakende besluit. Het college hoeft dus de huurprijs voor de garage niet te vergoeden.

Conclusie en gevolgen

6. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Verzoekster krijgt dan ook het betaalde griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. van Hout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.
griffier
de rechter is verhinderd te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb
3.Artikel 8:88, aanhef, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, van de Awb.
4.Artikel 8:1 en Pro 7:1 van de Awb.
5.Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
7.Zie Memorie van toelichting, onder 3.5, Kamerstukken II 2010/11, 32 621, nr. 3