ECLI:NL:RBOBR:2026:534

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
24/3070
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.23 Invoeringswet OmgevingswetOmgevingswetInvoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen invordering verbeurde dwangsommen wegens niet-gekeurde stookinstallatie

Eiseres voerde beroep aan tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijk tot invordering van €9.000 aan verbeurde dwangsommen wegens het niet tijdig laten keuren van een propaangasgestookte installatie en de brandstoftoevoerleiding.

De rechtbank overwoog dat het overgangsrecht van de Omgevingswet van toepassing is en dat de last onder dwangsom onherroepelijk is geworden. Eiseres had meerdere verlengingen van de begunstigingstermijn gekregen, maar had niet tijdig de keuring laten uitvoeren. De door eiseres aangevoerde overmacht wegens het niet nakomen van afspraken door de keuringsfirma werd niet als bijzondere omstandigheid erkend.

De rechtbank benadrukte dat het bestuursorgaan in beginsel gehouden is tot invordering van verbeurde dwangsommen, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen. Deze waren in dit geval niet aanwezig. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het invorderingsbesluit bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot invordering van verbeurde dwangsommen wordt ongegrond verklaard en het invorderingsbesluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/3070

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijck, het college
(gemachtigde: mr. B.M.E. Mallens).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van het college van 18 maart 2024 waarin het overgaat tot invordering van in totaal
€ 9.000,00 aan verbeurde dwangsommen.
1.1.
Met het bestreden besluit van 19 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres [naam], de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of het college tot invordering van de verbeurde dwangsommen mocht overgaan. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Overgangsrecht
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom en de invordering daarvan het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
4.1.
Bij besluit van 13 oktober 2021 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd en bij besluit van 18 maart 2024 is besloten tot invordering van de verbeurde dwangsommen. Dat betekent dat in dit geval het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Vooraf
5. Eiseres is gevestigd op het [adres] en exploiteert daar een landbouwexploitatiebedrijf. Eiseres heeft op deze locatie een mestverwerkingsloods staan, die wordt aangedreven door een propaangasgestookte installatie. Ten tijde van het bestreden besluit was deze installatie niet gekeurd door een hiervoor gecertificeerd bedrijf. Dit geldt eveneens voor de brandstoftoevoerleiding naar deze installatie. Op 3 augustus 2020 heeft het college eiseres medegedeeld dat zij de stookinstallatie en de brandstoftoevoerleiding moest laten keuren. Deze keuring heeft toen niet plaatsgevonden. Bij besluit van 13 oktober 2021 zijn lasten onder dwangsom opgelegd vanwege het overtreden van het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer met een begunstigingstermijn van drie maanden. Dit besluit is niet in bezwaar aangevochten en is inmiddels onherroepelijk.
6. Op verzoek van eiseres is de begunstigingstermijn vijf keer verlengd met als laatste datum 1 april 2023. Op 1 april 2023 heeft eiseres bij e-mail nog een update gegeven, inhoudend dat de herinspectie vanwege diverse redenen nog niet had plaatsgevonden. Eiseres heeft vervolgens aangegeven de week erop meer duidelijkheid te hebben over wanneer de herinspectie zou plaatsvinden, en zou het college daarvan op de hoogte te brengen. Eiseres heeft tijdens dit bericht niet opnieuw om verlenging verzocht. Eiseres heeft op een later tijdstip ook geen informatie meer verstrekt. Bij e-mail van 18 april 2023 heeft het college laten weten dat zij op 17 april 2023 een controle heeft verricht, en dat hieruit is gebleken dat de op 13 oktober 2021 geconstateerde overtredingen nog steeds niet zijn beëindigd, en dat daarom dwangsommen zijn verbeurd en dat zij overgaat tot invordering daarvan. Op 18 maart 2024 heeft het college vervolgens het invorderingsbesluit genomen.
Op 9 juni 2023 zijn de propaangestookte installatie en de brandstoftoevoerleiding naar deze installatie gekeurd en afgemeld in het SCIOS-portaal.
Beoordeling van de beroepsgronden
7. Eiseres betoogt dat het college ten onrechte heeft besloten tot invordering van de verbeurde dwangsommen, omdat zij geen rekening heeft gehouden met de bijzondere omstandigheden van eiseres. Ten eerste heeft het college geen rekening gehouden met het feit dat eiseres alles heeft gedaan wat binnen haar vermogen lag om de bewuste installatie tijdig gekeurd te krijgen. Er zijn geen alternatieve keurfirma’s dus zij was verplicht naar deze firma te gaan. Dat vervolgens deze firma de afspraken niet nakwam, is niet te wijten aan eiseres. Er is in zoverre sprake van overmacht aan de zijde van eisers, zo stelt zij.
Verder betoogt eiseres dat sprake is van bijzondere omstandigheden om van invordering af te zien of de hoogte van de dwangsom te matigen. Eiseres stelt dat nu in dezelfde situatie zit als wanneer zij geen actie zou hebben ondernomen en zij vindt dat niet eerlijk, omdat zij echt heeft geprobeerd aan de last te voldoen en door omstandigheden die zij gelegen buiten haar macht, niet tijdig aan de lasten is voldaan. Verder vindt eiseres het niet juist dat in het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde advies van de bezwaarschriftencommissie is opgenomen dat het college haar vaak tegemoet is gekomen en dat daarom bij overschrijding van de laatste termijn meteen sprake is van nalatigheid. In die omstandigheid zou naar de mening van eiseres juist moeten blijken dat duidelijk was dat eiseres zich inspande om aan de last te voldoen en daarin zou reden gevonden moeten worden om de dwangsom te matigen.
7.1.
Het college stelt dat eiseres te lang heeft gewacht met het zoeken naar een keuringsinstantie, terwijl zij wist dat zij overtreding moest beëindigen. Daarnaast heeft het college de begunstingstermijn meermaals verlengd en had eiseres daar nogmaals om kunnen vragen als zij kon onderbouwen waarom verlenging noodzakelijk was.
7.2.
De rechtbank merkt ten eerste op dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat de belanghebbende in een procedure tegen de invorderingsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren kan brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan alleen in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is. [1] Van deze situatie is in dit geval geen sprake. Het standpunt van eiseres dat de dwangsom te hoog is, kan in deze procedure dan ook niet meer leiden tot een matiging van de dwangsom. De hoogte van de dwangsom had eiseres aan de orde kunnen stellen in een procedure over de last onder dwangsom. Dat is niet gebeurd. De last onder dwangsom - en daarmee de hoogte van de dwangsom - is onherroepelijk geworden. Niet in geschil is dat deze dwangsom ook is verbeurd.
7.3.
De rechtbank overweegt verder dat als een dwangsom eenmaal is verbeurd, een bestuursorgaan in beginsel gehouden is om over te gaan tot invordering. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [2] moet bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat moet uitgaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Dat maakt dat een bestuursorgaan slechts onder bijzondere omstandigheden geheel of gedeeltelijk van invordering kan afzien.
7.4.
In de omstandigheden die eisers naar voren brengt, zoet de rechtbank niet een dergelijke bijzondere omstandigheid. Weliswaar heeft eiseres op 24 maart 2023 opdracht gegeven tot keuren van de installaties, maar dat is ruim na de eerste milieucontrole van 9 juli 2020 en de eerste waarschuwingsbrief van 3 augustus 2020 en het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom van 13 oktober 2021 en kort voordat de begunstigingstermijn zou verstrijken. Met het verlenen van de opdracht kort voor het eindigen van de begunstigingstermijn, heeft eiseres een risico gelopen dat niet voor het einde voldaan zou zijn aan de last. De door eiseres aangevoerde omstandigheid dat het keuringsbedrijf buiten de schuld van eiseres om niet tijdig uitvoering heeft gegeven aan de opdracht, is een omstandigheid op grond waarvan verlenging van de begunstigingstermijn had kunnen worden verzocht. Eiseres had al meermalen verzocht om verlenging van de termijn en wist dus van het belang van de termijn en van de mogelijkheid om te verzoeken die te verlengen. Niet is gebleken dat dit niet tot de mogelijkheden behoorde. Dat eiseres dat niet gedaan heeft, behoort voor risico van eiseres te blijven. Het college hoefde in deze omstandigheden geen reden te zien om van invordering af te zien of deze te matigen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het voor eiseres lastig te accepteren is dat zij in dezelfde positie verkeert als wanneer zij zich helemaal geen moeite had getroost om te voldoen aan de last, is dat geen reden voor matiging. Het college heeft in dit geval het zwaarwegende belang van invordering dan ook mogen laten prevaleren boven het belang van eiseres.
7.5.
De beroepsgronden van eiseres tegen de invordering van de verbeurde dwangsom slagen dus niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het invorderingsbesluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kleijn Hesselink, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Duin, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3627, r.o. 4 en uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1306, overweging 5 en de uitspraak van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466, overweging 2.1.