ECLI:NL:RVS:2021:1306
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering dwangsommen wegens strijd met bestemmingsplan recreatiewoningen
Appellant is eigenaar van een perceel in Soesterberg waar een park met recreatiewoningen wordt geëxploiteerd. Vier van deze woningen liggen geheel of gedeeltelijk op gronden met de bestemming "Bos-Bostuin", in strijd met het bestemmingsplan "Landelijk Gebied". Het college van burgemeester en wethouders van Soest heeft appellant bij besluiten van 7 mei 2018 en later dwangsommen opgelegd en ingevorderd wegens het niet verwijderen van deze woningen.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de invordering van de dwangsommen en is in eerste aanleg door de rechtbank afgewezen. Hij stelde in hoger beroep dat het college onredelijk handelde, het vertrouwensbeginsel schond en dat de invordering disproportioneel was. De Raad van State overweegt dat dergelijke bezwaren al in de eerdere procedure aan de orde hadden kunnen komen en dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking rechtvaardigen.
De Raad van State wijst het hoger beroep af en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt eveneens afgewezen. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de invordering van dwangsommen wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.