ECLI:NL:RBOBR:2026:675

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
25/1699
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet waardering onroerende zakenArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling WOZ-waarde woning en vergelijkingsmethode door rechtbank Oost-Brabant

Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, een twee-onder-een-kapwoning uit 1947, met een oppervlakte van 91 m² en diverse bijgebouwen, gelegen op een perceel van 355 m². De heffingsambtenaar stelde de waarde voor het kalenderjaar 2025 vast op €455.000 en handhaafde deze na bezwaar. Eiser stelde een lagere waarde van €410.000 voor, onderbouwd met een eigen waardematrix.

De rechtbank beoordeelt dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. De heffingsambtenaar baseerde zich op een taxatierapport van een deskundige, waarin de vergelijkingsmethode werd toegepast met drie vergelijkingsobjecten. Correcties voor kwaliteit en onderhoud zijn volgens de rechtbank voldoende en begrijpelijk onderbouwd.

Eisers eigen taxatie zaait geen twijfel over de juistheid van de vastgestelde waarde, omdat deze niet inzichtelijk is opgebouwd, geen deskundigheid van de opsteller blijkt en essentiële onderdelen zoals grondwaarde en bijgebouwen onvoldoende zijn onderbouwd. De rechtbank sluit het onderzoek zonder zitting en verklaart het beroep ongegrond, waarbij eiser geen griffierecht of proceskosten vergoed krijgt.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de waarde van €455.000 blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1699

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. R.W.B. van Middelaar),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Veldhoven, de heffingsambtenaar

([naam]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem vastgestelde WOZ [1] -waarde van de woning aan de [adres] in [woonplaats] (de woning) niet te hoog is.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning met de beschikking van 21 februari 2025 vastgesteld voor het kalenderjaar 2025 op € 455.000. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum waarbij ook de aanslag onroerendezaakbelastingen (OZB) is bekendgemaakt.
1.2.
Met de uitspraak op bezwaar van 4 juni 2025 heeft de heffingsambtenaar de vastgestelde waarde gehandhaafd.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Feiten

2. Eiser is eigenaar van de woning. Dit is een twee-onder-een-kapwoning met bouwjaar 1947. De woning bestaat uit een hoofdbouw van 91 m², twee dakkapellen van in totaal 3 m², een hobbyruimte van 48 m², een aanbouw woonruimte van 11 m², een tuinhuis/blokhut van 5 m² en een overkapping van 21 m². De grond bij de woning heeft een oppervlakte van 355 m².

Beoordeling door de rechtbank

3. In beroep is het aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de heffingsambtenaar hierin geslaagd.
3.1.
De heffingsambtenaar verwijst ter onderbouwing van de vastgestelde waarde naar de getaxeerde waarde van € 464.000, zoals opgenomen in het door hem overgelegde taxatierapport dat op 4 november 2025 is opgesteld door taxateur P.H.A. Hermans. Daarin is de vergelijkingsmethode toegepast. Dat betekent in dit geval dat de woning is vergeleken met drie andere woningen, te weten [adres], [adres] en [adres], alle in [woonplaats]. Deze woningen worden de vergelijkingsobjecten genoemd. In de waardematrix heeft de heffingsambtenaar de uit de transactiecijfers van de vergelijkingsobjecten afgeleide m²-prijzen gecorrigeerd voor de door hem benoemde waarderelevante verschillen.
3.2.
Eiser vindt dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met de verminderde kwaliteit van de woning en de verminderde staat van onderhoud van de woning.
3.2.1.
Eiser doet een beroep op feiten en omstandigheden die volgens hem tot een lagere waardering van de woning leiden. Dan is het aan hem te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat dergelijke feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan. Slaagt eiser daarin, dan moet de heffingsambtenaar aannemelijk maken dat met die feiten en omstandigheden bij het vaststellen van de waarde voldoende rekening is gehouden. [2] De rechtbank kan vaststelling van de consequenties van genoemde feiten en omstandigheden door een taxateur – zoals in een taxatie tot uitdrukking kan worden gebracht in een correctie(factor) – niet op ‘juistheid’ beoordelen. Dit is een taxatie-technische waardering en de vaststelling daarvan ligt op het terrein van een taxateur als de deskundige. De rechtbank waardeert een taxatierapport (als bewijsstuk) wel en kan de vaststelling – voor zover deze wordt betwist en wat in het kader van die betwisting wordt aangevoerd – bijvoorbeeld beoordelen op begrijpelijkheid. [3]
3.2.2.
De heffingsambtenaar wijst erop dat eiser stelt dat de kwaliteit verminderd zou zijn, maar dat hij geen feiten stelt waaruit dat zou blijken. Voor zover eiser hiermee doelt op het energielabel F van de woning, wijst de heffingsambtenaar erop dat het energielabel is afgegeven op 14 januari 2019. De woning is door eiser gekocht op 5 juni 2019 en na aankoop voorzien van dubbel glas waardoor energielabel F niet meer correct is. De heffingsambtenaar is overigens wel van mening dat de kwaliteit van de woning minder dan gemiddeld is en heeft hier ook rekening mee gehouden door in zijn taxatie uit te gaan van een matige kwaliteit (correctiefactor 2). De rechtbank kan dat volgen.
3.2.3.
De heffingsambtenaar wijst erop dat eiser stelt dat het onderhoud verminderd zou zijn, maar dat hij geen feiten stelt waaruit dat zou blijken. Eiser heeft wel (in zijn hierna in overweging 3.3. te bespreken taxatierapport) een aantal foto’s van zijn woning overgelegd, maar volgens de heffingsambtenaar geeft wat op die foto’s is te zien geen aanleiding om uit te gaan van een minder dan gemiddeld onderhoudsniveau. Daarbij merkt de heffingsambtenaar nog op dat eiser zelf heeft aangeven dat de woning 0 tot 5 jaar geleden nog van buiten is geschilderd. Ook is bij de vergelijkingsobjecten sprake van een gemiddeld onderhoudsniveau. In het taxatierapport van de heffingsambtenaar is het onderhoudsniveau van zowel de woning als de vergelijkingsobjecten gewaardeerd als gemiddeld (correctiefactor 3). De heffingsambtenaar vindt dat op deze manier voldoende rekening is gehouden met het onderhoudsniveau van de woning en de rechtbank kan dat volgen.
3.3.
Eiser bepleit een lagere waarde van € 410.000. Ter onderbouwing van dit waardestandpunt verwijst eiser naar de door hem overgelegde waardematrix die is opgesteld door Woning Waarderingsmeesters B.V. Ook daarin is de vergelijkingsmethode toegepast. De woning is vergeleken met drie andere woningen, te weten [adres], [adres] en [adres], alle in [woonplaats]. In de waardematrix zijn de uit de transactiecijfers van de vergelijkingsobjecten afgeleide m²-prijzen gecorrigeerd voor de aldaar benoemde waarderelevante verschillen. Naar het oordeel van de rechtbank zaait eiser met dit waardestandpunt en de onderbouwing daarvan geen twijfel over de juistheid van de vastgestelde waarde. Allereerst blijkt uit de waardematrix niet door wie deze is opgesteld en dus of de opsteller wel een deskundige (taxateur) is. En zelfs als dat laatste het geval is, dan overtuigt de taxatie van de heffingsambtenaar meer dan die van eiser. Dat heeft met name te maken met het (gebrek aan) inzichtelijkheid van eisers taxatie. In de waardematrix van eiser is niet inzichtelijk gemaakt hoe de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten doorwerken in de prijs per eenheid (ofwel prijs per m²). Voor de waarde van de bijgebouwen is een verder niet onderbouwd totaalbedrag opgenomen en ook de grondwaarde is niet inzichtelijk opgebouwd. Evenmin is duidelijk op basis van welke uitgangspunten de indexering van de verkoopcijfers van de vergelijkingsobjecten heeft plaatsgevonden. De taxatie van de heffingsambtenaar biedt dit inzicht wel.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van
mr. Y. Mutsaers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.

Voetnoten

1.Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ).
2.Hoge Raad 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7597, overweging 3.2.4, Hoge Raad 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1776, overweging 2.4, en Hoge Raad 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:571, overweging 4.2.3.
3.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 9 november 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3914, overweging 4.5.