ECLI:NL:RBOBR:2026:678
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning met vergelijkingsmethode en voorzieningenniveau
Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €815.000 voor het kalenderjaar 2025. De heffingsambtenaar baseert deze waarde op een taxatierapport waarin de vergelijkingsmethode is toegepast met vier vergelijkingsobjecten. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.
Eiser voert aan dat onvoldoende rekening is gehouden met het verminderde voorzieningenniveau van de woning en legt een eigen taxatie aan met een lagere waarde van €753.000. De rechtbank stelt dat eiser onvoldoende feiten en bewijs aanvoert om zijn stelling te onderbouwen en dat zijn taxatie niet inzichtelijk is, onder meer door het ontbreken van een deskundige opsteller en onduidelijke waarderingsgrondslagen.
De rechtbank volgt de heffingsambtenaar in diens waardering van het voorzieningenniveau als matig en vindt dat hiermee voldoende rekening is gehouden. De taxatie van de heffingsambtenaar is transparant en onderbouwd, waardoor het beroep ongegrond wordt verklaard. Eiser krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de waarde van €815.000 blijft gehandhaafd.