ECLI:NL:RBOBR:2026:749
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning met vergelijkingsmethode en taxatie-inzichten
De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een twee-onder-een-kapwoning uit 1959 vast op €397.000 voor het kalenderjaar 2025. Eiser, eigenaar van de woning, betwistte deze waarde en stelde een lagere waarde van €318.000 voor, onderbouwd met een eigen taxatie.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. De waardering is gebaseerd op de vergelijkingsmethode waarbij drie vergelijkingsobjecten in dezelfde plaats zijn gebruikt, met correcties voor relevante verschillen. De rechtbank vond dat de heffingsambtenaar voldoende rekening hield met bouwkwaliteit, onderhoud en andere factoren.
Eiser stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met bouwkundige staat, maar stelde geen concrete feiten die deze conclusies ondersteunen, waardoor hij niet aan zijn stelplicht voldeed. De eigen taxatie van eiser was onvoldoende inzichtelijk, met name wat betreft de prijsopbouw en waardering van bijgebouwen en grond.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is, waardoor de vastgestelde WOZ-waarde blijft gehandhaafd. Eiser krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. De uitspraak is gedaan zonder zitting, na overleg met partijen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de waarde van €397.000 blijft gehandhaafd.