ECLI:NL:RBOBR:2026:754
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde tussenhuis en grondwaarde in bezwaar en beroep
Eiser is eigenaar van een tussenhuis in een rijwoning uit 1900, waarvan de WOZ-waarde voor 2025 door de heffingsambtenaar is vastgesteld op € 812.000, later verlaagd naar € 533.000 na bezwaar. Eiser betwist de waarde en voert aan dat de toestand van de woning slechter is dan door de heffingsambtenaar beoordeeld en dat de grondwaarde onjuist is vastgesteld.
De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar de waarde heeft onderbouwd met een taxatierapport waarin de vergelijkingsmethode is toegepast op drie vergelijkbare woningen. De toestand van de woning is beoordeeld met een correctiefactor op een tienpuntschaal, waarbij kwaliteit, onderhoud en luxe als slecht zijn gewaardeerd. De rechtbank oordeelt dat de taxatie begrijpelijk en deskundig is en dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat de waarde te hoog is.
Ten aanzien van de grondwaarde merkt de rechtbank op dat de heffingsambtenaar onvoldoende heeft gereageerd op het betoog van eiser over de wijziging van de grondclassificatie. Echter, zelfs bij toepassing van de door eiser voorgestelde lagere grondwaarde blijft de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van het tussenhuis wordt ongegrond verklaard en de waarde blijft gehandhaafd op € 533.000.