ECLI:NL:RBOBR:2026:756
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning met vergelijkingsmethode en taxatie
De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van een twee-onder-een-kapwoning uit 1959 vastgesteld op €411.000 voor het kalenderjaar 2025. Eiser, eigenaar van de woning, betwist deze waarde en stelt een lagere waarde van €372.000 voor, onderbouwd met een eigen taxatie.
De rechtbank beoordeelt dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. De waardering is gebaseerd op de vergelijkingsmethode waarbij drie vergelijkingsobjecten in dezelfde plaats zijn gebruikt. De heffingsambtenaar heeft per object toelichting gegeven op verschillen in bouwkwaliteit, staat en voorzieningen, en deze correct verwerkt in de waardematrix.
Eiser heeft onvoldoende feiten gesteld die zijn lagere waardering ondersteunen en zijn taxatie is niet inzichtelijk genoeg, met name wat betreft de prijsopbouw per m², de waarde van bijgebouwen en de grondwaarde. De rechtbank kan de taxatie niet op juistheid toetsen maar wel op begrijpelijkheid en vindt de onderbouwing van eiser onvoldoende.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, wijst het verzoek tot terugbetaling van griffierecht af en kent geen proceskostenvergoeding toe. De uitspraak is gedaan door rechter A.F. Vink en griffier Y. Mutsaers op 6 februari 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de waarde van €411.000 blijft gehandhaafd.