ECLI:NL:RBOBR:2026:928

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
25/663
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:84 AwbArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering huurtoeslag wegens minimale overschrijding vermogensgrens niet onredelijk

De Dienst Toeslagen heeft de huurtoeslag van eiser over 2023 definitief vastgesteld op nul vanwege een vermogen van €33.844, dat de wettelijke grens van €33.748 overschrijdt. Hierdoor moet eiser €2.818 terugbetalen, wat hij betwistte met bezwaar en beroep.

Eiser voerde aan dat hij het vermogen had opgebouwd voor noodzakelijke uitgaven zoals medische kosten, energiekosten en woningisolatie, en dat hij slechts AOW-inkomen heeft. Ook wees hij op zijn beperkte taalvaardigheid en de geringe overschrijding van €96. De rechtbank oordeelt dat de wetgever de vermogensgrens stelt en dat de rechter deze niet mag oprekken, ook niet bij minimale overschrijding.

De rechtbank stelt dat het vermogen van eiser juist is vastgesteld en dat het feit dat hij sober leeft en het geld voor noodzakelijke uitgaven wil gebruiken, geen reden is om de terugvordering te matigen. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat terugvordering onevenredig is. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst op de mogelijkheid van een betalingsregeling en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de terugvordering van te veel ontvangen huurtoeslag wegens minimale overschrijding van de vermogensgrens.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/663

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

10 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,

en

de Dienst Toeslagen

(gemachtigden: [naam] en mr. A.R. Sheikchote).

Zitting

De rechtbank heeft het beroep van eiser op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de zoon van eiser [naam] en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen deelgenomen.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Motivering

1. Met het besluit van 10 januari 2025 heeft de Dienst Toeslagen de huurtoeslag van eiser over 2023 definitief berekend op € 0. Eiser heeft € 2.818 te veel aan voorschot huurtoeslag ontvangen en moet dat bedrag terugbetalen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt, maar de Dienst Toeslagen heeft dat met het besluit van 7 maart 2025 ongegrond verklaard. Eiser had in 2023 een vermogen van € 33.844. Dat was meer dan de wettelijke vermogensgrens van € 33.748, zodat er geen recht op huurtoeslag bestaat.
2. Eiser is het niet eens met het besluit van 7 maart 2025 en heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Eiser vindt dat er rekening mee moet worden gehouden dat hij de afgelopen jaren geld heeft gespaard voor medische kosten, de aanschaf van een elektrische scooter, (isolatie)werkzaamheden aan zijn woning en (de fors gestegen) energiekosten. Verder heeft hij slechts inkomen uit een AOW-uitkering en woont zijn studerende meerderjarige zoon bij hem in die geen eigen inkomen heeft. Hij koopt daarom tweedehands kleding en goedkope levensmiddelen om zijn kosten te drukken. Eiser is de Nederlandse taal nauwelijks machtig en was daardoor niet op de hoogte van de vermogensgrens voor de huurtoeslag. Tot slot zegt eiser dat hij die grens met maar € 96 heeft overschreden. Als al tot een terugvordering moet worden overgegaan, dan mag die vanwege genoemde omstandigheden niet het volledige bedrag van de huurtoeslag zijn.
3. De Dienst Toeslagen heeft in het verweerschrift toegelicht waarom die vindt dat de volledige terugvordering nog altijd terecht is. Wat de Dienst Toeslagen daartoe aanvoert zal, voor zover nodig, hierna worden besproken.
4. De rechtbank vindt dat de Dienst Toeslagen voor 2023 terecht is uitgegaan van een vermogen van eiser van € 33.844. Eiser heeft op de zitting bevestigd dat dit bedrag juist is. Dat bedrag kan vervolgens niet worden verlaagd doordat eiser dit vermogen heeft opgebouwd door sober te leven en dit vermogen heeft bestemd voor noodzakelijke en ook onvoorziene uitgaven. De wetgever heeft met het stellen van de vermogensgrens namelijk het belang van sparen ook erkend en biedt daar dus ook ruimte voor. Tegelijkertijd is de huurtoeslag bedoeld voor mensen die onvoldoende vermogen en inkomen hebben om zelf de huur te betalen. Als het vermogen of het inkomen van iemand over de daarvoor door de wetgever bepaalde grens heengaat, mag worden aangenomen dat diegene over voldoende geld beschikt om wel zelf de huur te kunnen betalen. [1] Het trekken van zo’n grens heeft altijd een zekere hardheid in zich, maar daar is niet aan te ontkomen. Die hardheid voelt extra hard als die grens minimaal wordt overschreden, zoals in het geval van eiser. Maar ook dat is inherent aan het trekken van een grens; er zullen altijd gevallen zijn die daar net over heengaan.
5. Omdat het vermogen van eiser boven de daaraan gestelde wettelijke grens uitkomt, heeft eiser geen recht op huurtoeslag. Eiser heeft echter wel een voorschot ontvangen. Het uitgangspunt is dan dat dit voorschot moet worden terugbetaald vanwege het algemeen belang dat gemeenschapsgeld op een juiste wijze moet worden besteed.
6. In een bijzonder geval kan van het uitgangspunt worden afgeweken. Degene die stelt dat sprake is van een bijzonder geval – in dit geval: eiser – moet dat aannemelijk maken. Daarin is eiser niet geslaagd. Het niet op de hoogte zijn van de vermogensgrens is geen reden om van terugvordering af te zien, omdat het iemands eigen verantwoordelijkheid is om zich van de voorwaarden op de hoogte te stellen. [2] Het minimaal overschrijden van de vermogensgrens is in algemene zin geen reden om van terugvordering af te zien, want dat zou erop neerkomen dat de rechter (via het evenredigheidsbeginsel) de wettelijke vermogensgrens zonder aanziens des persoons oprekt. Dat laatste is echter niet aan de rechter, maar aan de wetgever. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt waarom het in zijn specifieke situatie onevenredig zou zijn om tot volledige terugvordering over te gaan. Dat eiser zijn vermogen wil besteden aan nuttige en noodzakelijke zaken, maakt de terugvordering niet onevenredig. Eiser heeft op de zitting wel gezegd dat zijn vermogen inmiddels minder bedraagt, maar eiser heeft niet gezegd (en onderbouwd) dat zijn vermogen dusdanig is geslonken dat de terugvordering hem in de financiële problemen brengt. De Dienst Toeslagen merkt daarbij nog op dat eiser een persoonlijke betalingsregeling kan aanvragen als zijn actuele financiële situatie het inmiddels niet toelaat om de te veel ontvangen toeslag terug te betalen.
De rechter deelt mede dat van deze uitspraak een proces-verbaal wordt opgemaakt dat binnen twee weken aan partijen zal worden toegestuurd.
De rechter wijst erop dat partijen het recht hebben om tegen deze uitspraak hoger beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hoger beroep moet zijn ingesteld binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Mutsaers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4469.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 9 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1577, overweging 3.1.