ECLI:NL:RBOVE:2017:110

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
12 januari 2017
Publicatiedatum
12 januari 2017
Zaaknummer
AWB 16/1873
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Recyclingbedrijf moet opruimkosten betalen voor gestort afval op openbare weg

Een recyclingbedrijf uit Staphorst had afval gestort op de openbare weg, waarop de gemeente Staphorst bestuursdwang toepaste en het bedrijf verplichtte het afval te verwijderen. Het bedrijf maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar te laat was ingediend.

De rechtbank beoordeelde of de termijnoverschrijding verschoonbaar was, maar oordeelde dat het recyclingbedrijf geen gegronde redenen had aangevoerd om het late bezwaar te rechtvaardigen. De stelling dat het bedrijf te druk was, werd niet als voldoende erkend om het verzuim te verontschuldigen.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigde dat het recyclingbedrijf de kosten van het opruimen van het afval moest dragen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

De uitspraak werd gedaan door rechter W.R.H. Lutjes en griffier A. van der Weij op 12 januari 2017. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van het recyclingbedrijf wordt ongegrond verklaard en het bedrijf moet de opruimkosten betalen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 16/1873

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] h.o.d.n. [bedrijf], te Staphorst, eiser,
gemachtigde: mr. A.A.E. Ferdinandusse, te Naarden.
en
het college van burgemeester en wethouders van Staphorst, verweerder,
gemachtigde: mr. W.E.M. Klostermann, te Zwolle.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser de last onder bestuursdwang opgelegd om met onmiddellijke ingang de geplaatste objecten en gestorte afvalstoffen van de Westerparallelweg en de Burg. Janssenstraat te Staphorst te verwijderen en nadien verwijderd te houden, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- voor elke keer dat geconstateerd wordt dat afvalstoffen en/of andere objecten daar zijn geplaatst, met een maximum van € 50.000,--.
Bij besluit van 14 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2016.
Eiser is verschenen, vergezeld van [naam] , bijgestaan door mr. A.A.E. Ferdinandusse. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Bakker en M.H. van den Beld, bijgestaan door mr. W.E.M. Klostermann. Tevens zijn verschenen de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] .

Overwegingen

1. De rechtbank zal beoordelen of verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hierbij geldt het volgende wettelijk kader.
2.1
Artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken bedraagt. Deze termijn vangt, ingevolge het bepaalde in artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
2.2
Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is een bezwaar- of beroepschrift bij verzending per post tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
2.3
Artikel 6:11 van Pro de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3.1
Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat eisers bezwaar eerst op 3 augustus 2016 is ontvangen. De termijn waarbinnen bezwaar kon worden gemaakt was op dat moment al verstreken. Het bezwaarschrift is op 30 juli 2015, eveneens na afloop van deze termijn, verzonden.
3.2
De rechtbank is van oordeel dat eiser geen omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat eiser niet in verzuim is geweest. De omstandigheid dat eiser, naar hij stelt, te druk was om eerder dan 30 juli 2015 bezwaar te maken, kan niet leiden tot het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was. Niet valt in te zien dat eiser niet tenminste pro forma bezwaar had kunnen maken binnen de wettelijke bezwaartermijn van zes weken.
4. Verweerder heeft het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
5. Het beroep is daarom ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R.H. Lutjes, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.