ECLI:NL:RVS:2018:284
Raad van State
- Hoger beroep
- R.J.J.M. Pans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van last onder dwangsom wegens storten afval op Westerparallelweg te Staphorst
Appellant exploiteerde een inrichting voor het innemen, opslaan en verwerken van afvalstoffen op een perceel te Staphorst, gelegen naast een spoorweg. De Westerparallelweg liep langs het perceel en was ter hoogte daarvan onderbroken door de inrichting. De gemeente wilde de weg doortrekken, wat leidde tot een grondruil tussen appellant en de gemeente. Na deze ruil ontstond een conflict waarbij appellant meerdere keren afval stortte op het terrein dat hij had geruild en waarover de weg inmiddels was doorgetrokken.
Het college van burgemeester en wethouders legde op 17 juni 2015 een last onder dwangsom op aan appellant om te voorkomen dat hij opnieuw afval zou storten op de Westerparallelweg. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
Appellant voerde aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege de drukte en onzekerheid binnen zijn bedrijf veroorzaakt door de gemeente en provincie, waardoor hij geen tijd had om tijdig bezwaar te maken. De Raad van State oordeelde dat appellant binnen de bezwaartermijn pro forma bezwaar had kunnen maken en dat de omstandigheden dit niet onmogelijk maakten.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.