Eiseres is van Kampen naar Zwolle verhuisd en ontving een bijstandsuitkering die met 33,33% werd verlaagd voor een periode van drie maanden vanwege het niet naar vermogen trachten te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid in Zwolle voorafgaand aan de verhuizing.
De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 18, vierde lid, aanhef en onder c, van de Participatiewet eiseres verplicht was om in Zwolle naar arbeid te zoeken voordat zij verhuisde. De rechtbank oordeelt dat deze verplichting niet is nagekomen, ondanks dat eiseres slechts een inschrijving bij een uitzendbureau in Harderwijk kon aantonen en overige sollicitaties niet kon onderbouwen.
De rechtbank kwalificeert de opgelegde maatregel als een bestraffende sanctie, waardoor artikel 6, tweede lid, EVRM van toepassing is. Verweerder heeft aan zijn bewijslast voldaan. De rechtbank wijst het beroep af op grond van onvoldoende bewijs voor de stelling van eiseres dat zij wel voldoende had gesolliciteerd.
Wel acht de rechtbank de maatregel in de opgelegde vorm disproportioneel en beperkt zij de verlaging tot 33,33% voor één maand in plaats van drie maanden. Tevens oordeelt de rechtbank dat de hoorplicht niet onherstelbaar is geschonden en veroordeelt verweerder tot vergoeding van proceskosten.