ECLI:NL:RBOVE:2018:1620
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.R. Schimmel
- W.F. Bijloo
- W.M.B. Elferink
- Rechtspraak.nl
Afwijzing te late aanvraag WW-uitkering wegens ontbreken bijzonder geval
Eiseres diende een aanvraag in voor een WW-uitkering met ingang van 23 november 2004, maar deze aanvraag werd afgewezen omdat zij deze niet binnen de wettelijke termijn van 26 weken had ingediend. Verweerder stelde dat eiseres op de hoogte was of had kunnen zijn dat haar WAO-uitkering sinds die datum onterecht werd doorbetaald en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een uitzondering rechtvaardigden.
Eiseres voerde aan dat zij pas eind 2015, na het overlijden van haar echtgenoot, bij het opruimen van de administratie bekend werd met een brief waarin werd meegedeeld dat zij geen recht meer had op de WAO-uitkering. Pas na het besluit van 14 februari 2017 waarbij de WAO-uitkering werd teruggevorderd, was zij zich bewust van de onterechte betaling. Zij stelde dat het de verantwoordelijkheid van verweerder is om fouten in de uitkeringssystemen te voorkomen.
De rechtbank overwoog dat op eiseres de bewijslast rust om aan te tonen dat sprake is van een bijzonder geval dat afwijking van de wettelijke termijn rechtvaardigt. Uit de stukken en getuigenverklaringen bleek dat eiseres wel degelijk op de hoogte was of had kunnen zijn van de onterechte betaling. Er was geen grond om een bijzonder geval aan te nemen, zodat de afwijzing van de aanvraag terecht was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de te late WW-aanvraag wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van een bijzonder geval.