ECLI:NL:RBOVE:2020:4634
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gemachtigde tegen proceskostenvergoeding in bestuursrechtelijke verkeerszaken
De gemachtigde ging in beroep tegen de door de officier van justitie toegekende proceskostenvergoeding in 38 bestuursrechtelijke verkeerszaken betreffende overtredingen van een geslotenverklaring in Enschede. In drie zaken was een telefonische hoorzitting gehouden, in 35 zaken niet. De kantonrechter stelde vast dat de officier van justitie onvoldoende informatie had om de sancties te handhaven en vernietigde de sanctiebeschikkingen.
De gemachtigde stelde dat voor de hoorzitting volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht een vergoeding van één punt moest worden toegekend en dat de samenhang tussen de 35 zaken onterecht was vastgesteld. De kantonrechter oordeelde dat voor telefonische hoorzittingen in beginsel ook één punt toekomt, maar matigde dit tot een halve punt vanwege de geringere inspanning.
De samenhang tussen de 35 zaken werd bevestigd vanwege de gelijke gedraging, dezelfde gemachtigde en het feit dat de beroepschriften grotendeels identiek waren. De kantonrechter oordeelde dat het wachten tot het einde van de beslistermijn geen schending van beginselen van behoorlijk bestuur of fair play oplevert.
Uiteindelijk werd het beroep in alle zaken gegrond verklaard en de beslissingen vernietigd, maar de proceskostenvergoeding bleef gelijk aan het door de officier van justitie toegekende bedrag. Een vergoeding voor de fase bij de kantonrechter werd afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep van de gemachtigde wordt gegrond verklaard en de beslissingen van de officier van justitie vernietigd, maar de proceskostenvergoeding blijft gelijk en een vergoeding voor de fase bij de kantonrechter wordt afgewezen.