IPP en DCN hadden een samenwerkingsovereenkomst waarbij personeel werd uitgeleend. Care nam deze overeenkomst over en nam het personeel over, inclusief de reserveringen die in tripartiete overeenkomsten waren vastgelegd. IPP betaalde per abuis de reserveringen aan het personeel uit en probeerde dit deels te corrigeren door terugvorderingen. IPP vorderde betaling van het resterende bedrag bij Care en DCN.
De rechtbank stelde vast dat Care de contractsovername had gedaan, waardoor DCN geen partij meer was. De gemaakte afspraken en tripartiete overeenkomsten bepaalden dat Care de reserveringen overnam en deze bij IPP in rekening mocht brengen. Hierdoor kon Care verrekenen met openstaande facturen, wat resulteerde in een vordering van IPP van €38.724,06.
Het beroep van IPP op betaling van het niet teruggevorderde bedrag van de werknemers bij Care werd afgewezen. Ook het beroep van Care op opschorting faalde wegens gebrek aan onderbouwing van schade. De rechtbank kende wettelijke handelsrente toe vanaf 27 juni 2019, wees administratiekosten af wegens onredelijkheid, maar kende buitengerechtelijke incassokosten toe. Care werd veroordeeld tot betaling van het toegekende bedrag, rente, incassokosten en proceskosten.