3.3Deze bewezenverklaring berust op bewijsmiddelen die in de aanvulling op het verkorte arrest van het hof zijn opgenomen. In dat verkorte arrest heeft het hof voorts overwegingen aan het bewijs gewijd die ik hier met weglating van de voetnoten weergeef.
“A.
De verdediging heeft bepleit dat de handelwijze van verdachte als bedreiging dient te worden gekwalificeerd en dat verdachte van de primair ten laste gelegde poging tot moord dan wel poging tot doodslag dient te worden vrijgesproken.
Verdachte heeft onder meer verklaard dat hem is gevraagd om tegen betaling aangever [slachtoffer] (hof: hierna telkens: [slachtoffer] ) bang te maken. Verdachte moest met [slachtoffer] een gesprek aangaan om hem te waarschuwen dat hij moest stoppen met de ruzie in zijn directe omgeving. Aan verdachte is toen een vuurwapen gegeven waarvan hem op voorhand is getoond dat het niet werkte en dat er geen patronen in zaten. Verdachte heeft verklaard dat hij dat wapen alleen bij zich had om dit aan [slachtoffer] te tonen wanneer het uit de hand zou lopen. [slachtoffer] zou namelijk niet bang zijn aangelegd. Verdachte zou vervolgens tegen [slachtoffer] hebben gezegd “dat hij weg moest met zijn bedrijf” en “dat hij moest ophouden met pesterijen in zijn directe omgeving”. Omdat [slachtoffer] van deze woorden niet onder de indruk zou zijn geraakt en agressief jegens verdachte zou hebben gereageerd, heeft verdachte het wapen op [slachtoffer] gericht en daaraan handelingen verricht enkel met het doel [slachtoffer] schrik aan te jagen en niet met de bedoeling hem te doden, hetgeen ook niet mogelijk was omdat het wapen niet functioneerde en geen kogels bevatte.
B.
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde dient te worden vastgesteld of verdachte het voornemen had om [slachtoffer] van het leven te beroven, of sprake was van voorbedachte raad en of het voornemen van verdachte zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard.
C.
Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen:
Uit het proces-verbaal van aangifte blijkt dat aangever [slachtoffer] eigenaar is van een varkensbedrijf/veehouderij met verschillende vestigingen in [vestigingsplaats] en omgeving.
Op 15 augustus 2015 is [slachtoffer] omstreeks 13:15 uur naar de vestiging gegaan die is gelegen aan [a-straat 1] te [vestigingsplaats] . Omstreeks 14:24 uur heeft [slachtoffer] besloten naar huis te gaan. [slachtoffer] is in zijn auto gestapt, heeft de auto buiten de poort van zijn bedrijf gezet en is uitgestapt om de poort ‘op automatisch’ te zetten. Op het moment dat [slachtoffer] de poort uitreed zag hij buiten de poort op ongeveer 5 meter afstand een man bij een scooter staan. Op het moment dat [slachtoffer] met de poort bezig was zag hij dat die man op hem af kwam lopen. Deze man sprak [slachtoffer] aan en zei dat zijn scooter het niet meer deed en vroeg aan [slachtoffer] of deze misschien een kabeltje voor zijn scooter had.
[slachtoffer] is met de man naar diens scooter gelopen. De man liep voorop en [slachtoffer] liep op ongeveer twee meter achter hem. [slachtoffer] zag dat het zadel van de scooter openstond en kon daarin een witte doek zien liggen.
[slachtoffer] zag vervolgens dat die man meteen naar die doek greep en een wapen dat volgens [slachtoffer] leek op een Uzi, eronder vandaan haalde. [slachtoffer] zag duidelijk een langere patroonhouder aan de onderzijde van het wapen. De man hield direct het wapen voor zijn borst met de loop in de richting van [slachtoffer] . [slachtoffer] zag dat de man verwoede pogingen deed om het wapen kennelijk door te laden. De man probeerde meerdere malen een pin aan de zijkant van het wapen naar achteren te trekken. De man zei niets meer, de man heeft geen woord meer gezegd. [slachtoffer] schrok en dacht dat hij ‘eraan ging’. [slachtoffer] is via de achterzijde van de auto naar de rechterkant van zijn auto gelopen en vervolgens de weg overgestoken en het maïsveld ingerend. Toen [slachtoffer] de man op de scooter hoorde wegrijden heeft hij 112 gebeld.
[slachtoffer] heeft voorts verklaard dat vanaf het moment dat de man naar diens scooter liep, de man geen woord meer tegen [slachtoffer] heeft gezegd. De man heeft zich omgedraaid en [slachtoffer] zag meteen dat de man een wapen vast had en dat hij probeerde het wapen door te laden. De man heeft geen woord gezegd en was alleen maar met het wapen bezig. Toen [slachtoffer] is weggerend, zag hij dat de man een stukje met hem meeliep en hoorde hij dat de man maar bleef proberen het wapen door te laden. Het hof heeft geen reden om aan de voor het bewijs gebruikte verklaring van aangever [slachtoffer] te twijfelen.
Uit het proces-verbaal van verhoor van verdachte en uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat hij op 15 augustus 2015 met zijn scooter naar [vestigingsplaats] is gereden en daar van een persoon een wapen, gewikkeld in een kussensloop, heeft ontvangen. Verdachte heeft die kussensloop met daarin het wapen in de buddyseat van zijn scooter gestopt en is vervolgens naar het adres van aangever gereden. Verdachte heeft bij het bedrijf van [slachtoffer] rondgereden totdat hij [slachtoffer] zag (blz. 5). Toen verdachte [slachtoffer] het terrein van zijn bedrijf zag oprijden, heeft hij gewacht totdat [slachtoffer] terugkwam (blz. 6). Toen verdachte op [slachtoffer] aan het wachten was, heeft hij de buddyseat van zijn scooter geopend en het wapen uit de kussensloop gehaald en onder de kussensloop weer in de buddyseat teruggelegd, zodat hij het wapen sneller en makkelijker kon pakken. Verdachte is, toen hij [slachtoffer] uit zijn auto zag stappen, op hem toegelopen en heeft hem gevraagd of hij een kabeltje voor zijn scooter had. Dit deed hij met het doel om [slachtoffer] dichter bij de scooter en het daarin gereed liggende wapen te krijgen. Verdachte heeft, toen hij bij de scooter kwam, het wapen uit de buddyseat gepakt en vervolgens op [slachtoffer] gericht en heeft toen meermalen daarmee handelingen verricht door aan een pin aan de zijkant van het wapen te trekken. Na het incident is verdachte weggereden en heeft het wapen en de scooter in een oud-ijzervemietiger gezet.
C.
Uit het vorenstaande volgt dat verdachte:
- met een wapen gehuld in een kussensloop in de buddyseat van zijn scooter naar het bedrijf van [slachtoffer] is gereden;
- daar net zolang op zijn scooter heeft rondgereden totdat hij [slachtoffer] zag;
- enige tijd op [slachtoffer] heeft staan wachten;
- gedurende dit wachten het wapen uit de kussensloop heeft gehaald en onder de kussensloop in de buddyseat van zijn scooter heeft gelegd en de buddyseat van zijn scooter open heeft laten staan zodat hij dit wapen makkelijker en sneller kon pakken;
- nadat [slachtoffer] uit zijn auto was gestapt op [slachtoffer] is toegelopen en, met het doel om [slachtoffer] dichter bij zijn scooter en het daarin gelegen wapen te krijgen, [slachtoffer] met een smoes heeft meegelokt naar zijn scooter;
- onderweg naar zijn scooter niets meer tegen [slachtoffer] heeft gezegd;
- aangekomen bij de scooter direct en zonder iets te zeggen het wapen uit de buddyseat heeft gepakt, de loop op [slachtoffer] heeft gericht en daarbij meerdere malen handelingen aan het wapen heeft verricht die door [slachtoffer] worden omschreven als het trachten het wapen door te laden;
- tijdens deze handelingen niets tegen [slachtoffer] heeft gezegd;
- nadat [slachtoffer] was weggevlucht nog een klein stukje achter hem is aangegaan, ondertussen trachtend zijn wapen door te laden;
- hierna op de scooter is weggereden en dezelfde dag de scooter en het wapen in een oud-ijzervemietiger heeft gezet.
Het hof is van oordeel dat voormelde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm dienen te worden aangemerkt als een poging om [slachtoffer] van het leven te beroven en dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.
Uit het pakken van het vuurwapen uit de openstaande buddyseat, het richten van dat wapen op [slachtoffer] en het meerdere malen verrichten van handelingen aan dat wapen die door [slachtoffer] worden beschreven als het trachten het wapen door te laden, leidt het hof af dat verdachte voornemens was [slachtoffer] van het leven te beroven maar dat het wapen op dat moment weigerde.
Uit de omstandigheid dat verdachte zich vooraf heeft voorzien van een vuurwapen, met het wapen naar de plaats van het delict is gereden, [slachtoffer] heeft opgewacht, het wapen voor direct gebruik in de geopende buddyseat van zijn scooter gereed heeft gelegd en [slachtoffer] bewust naar de scooter en daarmee naar het gereed liggende wapen heeft gelokt om vervolgens het wapen te pakken, op [slachtoffer] te richten en te trachten het wapen door te laden, leidt het hof af dat verdachte heeft gehandeld ‘na kalm beraad en rustig overleg’ en daarmee met de voor een bewezenverklaring van moord vereiste voorbedachte raad. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Aan de door de raadsman gestelde contra-indicaties (samengevat) dat verdachte niet wist hoe [slachtoffer] eruit zag, verdachte op een gewone scooter en niet op een motorscooter reed, geen helm droeg, niet bekwaam was voor zo’n opdracht, oogcontact maakte met voorbijgangers, ‘en plein public’ stond en […] met een mogelijk motief niet zover zou gaan om verdachte in te schakelen, kent het hof geen dusdanig gewicht toe dat deze moeten leiden tot een andersluidende conclusie.
Het voorgaande houdt in dat het hof geen geloof hecht aan de verklaring van verdachte dat hij naar [slachtoffer] is gegaan enkel om deze te bedreigen, dat hij daarvoor een niet-functionerend en ongeladen wapen heeft meegenomen en dat hij dat wapen enkel op [slachtoffer] heeft gericht omdat deze niet onder de indruk zou zijn van zijn dreigementen en agressief jegens verdachte zou hebben gereageerd.
Verdachte komt met deze verklaring pas nadat hij door de rechtbank is veroordeeld voor een poging tot moord. Verdachte heeft, na daarover meerdere malen bevraagd te zijn, geweigerd de naam van de opdrachtgever te noemen zodat zijn verklaring op geen enkele wijze verifieerbaar is. Voorts stelt verdachte dat hij het wapen heeft weggemaakt zodat ook in dit opzicht zijn verklaring dat het wapen niet zou functioneren en geen patronen zou bevatten, niet kan worden getoetst. Verdachte is bovendien weinig specifiek omtrent de gestelde dreigementen. Op vragen van het hof is verdachte daarover in algemeenheden blijven steken. Bovendien is zijn verklaring over het uiten van de dreigementen regelrecht in strijd met de verklaring van [slachtoffer] dat verdachte, toen hij bij de scooter kwam, niets heeft gezegd en onmiddellijk het wapen uit de buddyseat heeft gepakt en op [slachtoffer] heeft gericht. Verdachte was enkel bezig met het trachten het wapen door te laden en is nog achter [slachtoffer] aan gelopen.
Nu het hof geen geloof hecht aan de verklaring van verdachte dat hij enkel de bedoeling had [slachtoffer] te bedreigen verwerpt het hof het hierover gevoerde verweer. Hetgeen de verdediging overigens heeft aangevoerd brengt het hof niet tot een ander oordeel.
D.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging en acht, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de primair ten laste gelegde poging tot moord heeft begaan.”