Conclusie
Het tweede middel
overwegendin het ongelijk is gesteld, geldt voor de toepassing van het artikel als de partij die in het ongelijk is gesteld. [23] Maar hoe zit het als de vordering voor een belangrijk deel is afgewezen? Van Schaick stelt dat er dan een door de rechter te bepalen “omslagpunt” is waarbij geoordeeld moet worden dat beide partijen gedeeltelijk in het gelijk en het ongelijk zijn gesteld. In dat geval kan de rechter bepalen dat de proceskosten worden gecompenseerd (art. 237 lid Pro 1, tweede volzin, Rv). Van Schaick voegt daaraan toe dat er “natuurlijk” een tweede omslagpunt is, waarbij de eiser wiens vordering grotendeels is afgewezen, moet gelden als de in het ongelijk gestelde partij en dat het “inderdaad” voorkomt dat een eiser wiens vordering deels is toegewezen, in de proceskosten wordt veroordeeld. [24] Waarop Van Schaick deze stellingen baseert, is echter niet duidelijk. [25] Zelf heb ik daarvoor in de feitenrechtspraak geen bevestiging kunnen vinden.
toe te passen. De impliciete verwachting lijkt aldus te zijn dat de rechter zich aan het liquidatietarief houdt en dat er reden moet zijn om daarvan af te wijken. Als het om het civiele proces gaat, kan men daarmee vrede hebben, omdat het liquidatietarief op dat proces is toegesneden. Met betrekking tot de gevoegde behandeling van de vordering van de benadeelde partij in het strafgeding ligt dat anders, juist omdat het liquidatietarief daarop niet is toegesneden (zie de punten 4.11-4.13 en 4.21). Een ijzerenheinige toepassing van het liquidatietarief kan hier gemakkelijk tot een onredelijk hoge veroordeling in de proceskosten leiden. De vraag is dan ook of hier niet zozeer de afwijking, als wel de toepassing van het liquidatietarief kritisch moet worden bezien en of niet in voorkomende gevallen moet worden verlangd dat die toepassing wordt gemotiveerd. Daarmee bepleit ik niet een algemene plicht om de proceskostenbeslissing te motiveren, maar wel een iets indringender toets op de begrijpelijkheid van die beslissing dan de Hoge Raad tot nu voor juist lijkt te houden. Daarbij kan het oordeel dan zijn dat de beslissing zonder motivering niet begrijpelijk is.