Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
Stichting Leefbaar Buitengebieden
[eiser 1], uit Geerdijk respectievelijk uit
[eiser 2]uit [woonplaats 2] ,
[eiser 3], uit [woonplaats 3] ,
het college van burgemeester en wethouders van Ommen, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
alleomgevingsrechtelijke besluiten dit verdrag van toepassing is. Tevens is de vergunde activiteit genoemd bij de activiteiten, opgenomen in bijlage I bij dit verdrag, aldus eisers. De besluitvorming is volgens eisers in strijd met dit verdrag. Op grond van dit verdrag is inspraak verplicht, wat evenwel niet heeft plaatsgevonden. Er is weliswaar een bezwaarfase geweest maar dat is wat anders dan inspraak in de zin van dit verdrag, aldus eisers. Ook is de toegang tot de rechter aan anderen dan eisers ontzegd. Eisers hebben de rechtbank verzocht het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) hierover prejudiciële vragen te stellen.
alleomgevingsrechtelijke besluiten (dus ongeacht de voorbereidingsprocedure die van toepassing is) ‘automatisch’ onder de werkingssfeer van het Verdrag van Aarhus vallen - is niet juist. De door de Afdeling geformuleerde aanname heeft immers enkel betrekking op omgevingsrechtelijke besluiten die
welzijn voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Omdat in deze zaak een omgevingsrechtelijk besluit voorligt dat
nietis voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, is het Verdrag van Aarhus niet ‘automatisch’ van toepassing op de verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van de beoogde droogzetvoorziening.
kanzijn op een omgevingsrechtelijk besluit dat
nietis voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, zoals in deze zaak het geval is. Hiervan is pas sprake indien dit besluit onder de werkingssfeer van artikel 6 van Pro dit verdrag valt. Hierbij gaat het om besluiten over het al dan niet toestaan van activiteiten vermeld in bijlage I bij het verdrag (artikel 6, eerste lid, onder a) en om besluiten over niet in bijlage I vermelde activiteiten die een aanzienlijk effect op het milieu kunnen hebben (artikel 6, eerste lid, onder b).