Verzoekster heeft op 26 november 2020 een verzoek ingediend om de strafzaak tegen haar te beëindigen op grond van artikel 29f Sv, omdat zij de vervolging als een zware belasting ervaart en het OM volgens haar voldoende tijd heeft gehad om de zaak af te ronden.
De strafzaak betreft een verdenking van witwassen in het kader van het grootschalige onderzoek Hera naar hennepteelt, waarbij ook de echtgenoot van verzoekster als hoofdverdachte is veroordeeld. Het OM heeft aangegeven dat de prioriteit lag bij de hoofdverdachten en dat verzoekster zal worden gedagvaard wegens voldoende bewijs. Tevens is een aanbod tot buitengerechtelijke afdoening gedaan, maar geweigerd.
De rechtbank stelt vast dat het verzoek tijdig is ingediend en dat de strafzaak niet onredelijk lang stilligt. De maatstaf van artikel 29f Sv vereist dat vervolging niet wordt voortgezet of ingesteld vanwege onredelijke vertraging, maar hier is sprake van een bijna definitief dossier en een geplande terechtzitting vóór 1 oktober 2021.
Daarom wijst de raadkamer het verzoek af en bepaalt dat de strafzaak tegen verzoekster op de terechtzitting vóór 1 oktober 2021 moet worden aangebracht.