ECLI:NL:RBOVE:2021:939

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
4 maart 2021
Publicatiedatum
4 maart 2021
Zaaknummer
8957719 \ EJ VERZ 21-3
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:677 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot schadevergoeding wegens onterecht ontslag op staande voet

In deze zaak vordert de verzoekster een schadevergoeding van €13.230,00 bruto wegens een door haar gestelde dringende reden die het ontslag op staande voet van de verweerder zou rechtvaardigen.

De rechtbank heeft bij een gelijktijdige beschikking geoordeeld dat er geen sprake is van een dringende reden die het ontslag op staande voet rechtvaardigt. Hierdoor bestaat geen grond voor schadevergoeding op basis van artikel 7:677 lid 2 BW Pro.

De procedure vond plaats via een Skype-vergadering waarbij beide partijen en hun gemachtigden aanwezig waren. De kantonrechter wijst het verzoek af en veroordeelt de verzoekster tot betaling van de proceskosten aan de zijde van verweerder, begroot op €498,00. De beschikking is op 4 maart 2021 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het verzoek tot schadevergoeding wegens onterecht ontslag op staande voet wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer : 8957719 \ EJ VERZ 21-3
Beschikking van de kantonrechter van 4 maart 2021
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoekende partij, hierna te noemen [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. A. Bekius,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partij, hierna te noemen [verweerder] ,
gemachtigde: mr. Bonestroo – van Zon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van [verzoekster] met daarbij producties 1 tot en met 4
- het verweerschrift van [verweerder] met daarbij producties 1 tot en met 15.
1.2.
Op 4 februari 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden door middel van een Skype-vergadering. Bij die vergadering waren beide partijen, vergezeld van hun gemachtigden, aanwezig. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.
1.3.
Hierna is beschikking bepaald.

2.Het verzoek en verweer

2.1.
[verzoekster] verzoekt [verweerder] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 13.230,00 bruto, vermeerderd met wettelijke rente, met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.
2.2.
[verweerder] verweert zich en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen.
2.3.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.
[verzoekster] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat [verweerder] haar door opzet of schuld een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst die [verweerder] met haar heeft onverwijld op te zeggen en dat [verweerder] daarom conform artikel 7:677 lid 2 jo Pro lid 3 a BW een schadevergoeding aan haar is verschuldigd.
3.2.
Bij beschikking van heden (zaaknummer 8929240 \ EJ VERZ 20-438) is geoordeeld dat geen sprake is van een dringende reden die het ontslag op staande voet van [verweerder] rechtvaardigt. Dit betekent dat [verzoekster] geen recht heeft op een schadevergoeding uit hoofde van 7:677 lid 2 BW. Het verzoek van [verzoekster] dient te worden afgewezen.
3.3.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoekster] , omdat zij ongelijk krijgt. De kosten aan de zijde van [verweerder] worden mede gelet op de samenhang met het gelijktijdig behandelde voormelde andere verzoekschrift tot op heden begroot op een bedrag van € 498,00 aan salaris gemachtigde.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
wijst het verzoek af;
4.2.
veroordeelt [verzoekster] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op een bedrag van € 498,00;
4.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Koene, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2021.