Eiser, sinds 1994 werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), kreeg op 20 december 2019 een disciplinaire straf opgelegd bestaande uit voorwaardelijk ontslag en overplaatsing wegens plichtsverzuim. Dit volgde op een onderzoek naar zijn handelen waarbij hij beslissingen op bezwaar nam over zaken waarin hij ook het primaire besluit had genomen, zonder toestemming van collega’s, in strijd met interne werkwijzen en de wet.
Eiser voerde aan dat hij niet schuldig was aan plichtsverzuim, dat het besluit onzorgvuldig en onbevoegd was genomen, en dat hij niet goed is gehoord. De rechtbank stelde vast dat eiser zijn zienswijze tijdig had ingediend, maar dat dit niet in de besluitvorming was betrokken, wat een schending van de Awb opleverde. Dit gebrek werd echter gepasseerd omdat eiser in de bezwaarprocedure zijn visie kon geven.
De rechtbank oordeelde dat eiser de verweten gedragingen heeft begaan, dat deze aan hem kunnen worden toegerekend en dat de opgelegde straf proportioneel is. Ook werd geoordeeld dat de interne integriteitscommissie geen wettelijke basis had, maar dat dit de belangen van eiser niet schaadde. Het beroep werd ongegrond verklaard en verweerder werd opgedragen het griffierecht aan eiser te vergoeden.