Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2022:502

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
21 februari 2022
Publicatiedatum
21 februari 2022
Zaaknummer
ak_21_367
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 IOAWArt. 20a IOAWArt. 2 lid 4 Boetebesluit socialezekerheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete wegens schending inlichtingenplicht bij IOAW-uitkering bevestigd

Eiser ontvangt sinds april 2014 een IOAW-uitkering en staat sinds oktober 2017 ingeschreven op een adres in Wijhe. Naar aanleiding van een fraudemelding heeft de sociale recherche een onderzoek uitgevoerd naar de woonsituatie van eiser, wat leidde tot een besluit tot intrekking van de uitkering over de periode oktober 2017 tot februari 2019. Dit besluit is in eerdere procedures bevestigd.

Verweerder legde vervolgens een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht, die na bezwaar werd verlaagd van €1.262,76 naar €631,32. Eiser stelde dat hij voldoende duidelijkheid had verschaft over zijn woonsituatie en betwistte de boete.

De rechtbank overweegt dat op grond van de IOAW en het Boetebesluit socialezekerheidswetten een boete terecht is opgelegd bij schending van de inlichtingenplicht. De schending is in eerdere rechtspraak vastgesteld en moet in het beroep tegen de boete opnieuw ten volle worden beoordeeld. De rechtbank oordeelt dat verweerder aan de bewijslast heeft voldaan en dat het had eiser duidelijk moeten zijn dat hij juiste gegevens moest verstrekken.

Er zijn geen verzachtende omstandigheden aangevoerd en de boete is passend afgestemd op de draagkracht van eiser. Er zijn geen dringende redenen om af te zien van de boete. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de boete wegens schending van de inlichtingenplicht wordt ongegrond verklaard en de boete van €631,32 bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 21/367

uitspraak van de enkelvoudige kamer] in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. G.J. de Kaste),
en

het college van burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe, verweerder

(gemachtigde: F.L.H. Deuzeman).

Procesverloop

In het besluit van 20 april 2020 (primair besluit) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 1.262,76.
In het besluit van 12 januari 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaard voor zover het betreft de hoogte van de boete. De hoogte van de boete is verlaagd en vastgesteld op € 631,32.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 11 januari 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. De gemachtigde van eiser is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Wat aan de besluitvorming is voorafgegaan
1.1.Eiser ontvangt vanaf april 2014 een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW).
1.2.
Eiser staat vanaf 17 oktober 2017 ingeschreven op het adres [adres] in Wijhe.
Naar aanleiding van een fraudemelding op 24 januari 2019 heeft de sociale recherche op verzoek van verweerder een onderzoek verricht naar eisers woonsituatie. Dit onderzoek bestond onder meer uit waarnemingen bij het uitkeringsadres en het opvragen van de meterstanden van gas, elektra en water en ledigingen afval. Ook is eiser gehoord en heeft aansluitend aan dit gesprek een huisbezoek op het uitkeringsadres plaatsgevonden.
De bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in een rapport van 5 maart 2019.
1.3.In het besluit van 4 april 2019 heeft verweerder eisers recht op uitkering herzien en ingetrokken over de periode van 17 oktober 2017 tot en met 28 februari 2019. Verweerder heeft het bezwaar van eiser in het besluit van 12 november 2019 ongegrond verklaard.
In de uitspraak van deze rechtbank van 20 oktober 2020 is het beroep ongegrond verklaard (AWB 19/2389). Tegen deze uitspraak heeft eiser hoger beroep ingesteld. Deze procedure loopt nog.
1.4.
Op 24 februari 2020 heeft verweerder eiser gemeld voornemens te zijn om hem een boete op te leggen wegens schending van de inlichtingenverplichting. Eiser is in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Met het antwoordformulier van 26 februari 2020 heeft eiser dat gedaan.
Hierna heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals uiteengezet in de rubriek ‘Procesverloop’ van deze uitspraak.
De standpunten van partijen
2. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden. Daarom is terecht een boete opgelegd. Bij het opleggen van de boete is uitgegaan van normale verwijtbaarheid. De boete bedraagt, na herziening in bezwaar,
€ 631,32.
3. Eiser voert samengevat weergegeven aan dat ten onrechte een boete is opgelegd. Hij heeft de inlichtingenplicht niet geschonden. Eiser vindt dat hij voldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn woonadres en de woonomstandigheden.
Beoordeling door de rechtbank
4.1.
Op grond van artikel 13, eerste lid, van de IOAW doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling en het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan hem wordt betaald.
4.2.
Op grond van artikel 20a van de IOAW in samenhang met artikel 2, vierde lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Boetebesluit) legt verweerder bij schending van de inlichtingenverplichting een boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag.
Ingevolge het tweede lid wordt in dit artikel - voor zover van belang - onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen.
Op grond van het zevende lid kan het college afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
4.3.
Het besluit tot intrekking van de IOAW-uitkering staat in rechte vast. Hoewel de rechtbank in haar uitspraak van 20 oktober 2020 heeft vastgesteld dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden, volgt uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) [1] dat de schending van een inlichtingenverplichting in beroep tegen een boetebesluit ten volle opnieuw moet worden beoordeeld. Verweerder dient dan ook aan te tonen dat voldaan is aan de voorwaarden om een boete op te leggen.
4.4.
De rechtbank verwijst naar de uitspraak van 20 oktober 2020 en de daarin opgenomen overwegingen over het aannemelijk zijn van de schending van de inlichtingenplicht. Hetgeen daar is overwogen is ook voldoende voor het oordeel dat verweerder heeft aangetoond dat eiser de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Verweerder heeft aan de bewijslast voldaan. Het had eiser redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat hij aan verweerder de juiste gegevens over zijn woonsituatie had moeten geven. De beroepsgrond dat hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden en er geen reden bestond om aan hem een boete op te leggen, slaagt daarom niet. Eiser kan van de schending van de inlichtingenverplichting een verwijt worden gemaakt. Verweerder was daarom verplicht een boete op te leggen.
4.5.
Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan in zijn geval geen of verminderde verwijtbaarheid is aan te nemen. Verweerder is daarom terecht uitgegaan van normale verwijtbaarheid.
4.6.
Verweerder heeft, gelet op de uitspraak van de CRvB van 4 augustus 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:1525), in bezwaar de boete verlaagd naar € 631,32. Dit is het bedrag dat eiser op basis van de draagkracht bij een inkomen op bijstandsniveau in maximaal 12 maanden kan voldoen. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om van een ander bedrag uit te gaan. De rechtbank acht een boete van € 631,32, die is afgestemd op de draagkracht van eiser, evenredig aan de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid.
4.7.
Tot slot is gesteld noch gebleken dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan verweerder van het opleggen van een boete had moeten afzien.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Banda, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Knol, griffier, op
De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.