ECLI:NL:RBOVE:2023:3966
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wlz-aanvraag wegens onvoldoende vaststelling verstandelijke handicap bij minderjarige
De rechtbank Overijssel behandelde het beroep van een minderjarige tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). De aanvraag was door het CIZ afgewezen omdat de grondslag verstandelijke handicap bij de minderjarige nog niet kon worden vastgesteld. De medisch adviseurs concludeerden dat ondanks de diagnose licht verstandelijke beperking, het IQ en adaptief functioneren onvoldoende duidelijk waren om te voldoen aan de beleidsregels voor Wlz-zorg.
De moeder van de minderjarige voerde aan dat de diagnose licht verstandelijke beperking was gesteld en dat er levenslange zorg nodig is. De rechtbank oordeelde echter dat op basis van de beschikbare rapporten, IQ-onderzoeken en het uitstroomprofiel nog geen sprake was van een definitieve verstandelijke handicap zoals vereist voor Wlz-zorg. De psychische problematiek kan de IQ-testen beïnvloeden en de ontwikkeling is nog niet afgerond.
De rechtbank erkende de noodzaak van zorg en het tekortschieten van de huidige Jeugdwetvoorzieningen, maar stelde dat dit geen grond is voor Wlz-toegang. Het CIZ werd aanbevolen samen met de gemeente overleg te voeren om passende Jeugdwet-zorg te waarborgen. Het beroep werd ongegrond verklaard en de moeder kreeg het griffierecht niet terug.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de Wlz-aanvraag wegens onvoldoende vaststelling van een verstandelijke handicap.