Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
Rechtbank Overijssel
In dit kort geding staat de vraag centraal of eiser zijn arbeidsovereenkomst met gedaagde rechtsgeldig heeft opgezegd en of hij daaraan gehouden kan worden als hij later terugkomt op die opzegging.
Eiser was sinds juni 2022 in dienst voor een jaar en had in november 2022 een aanpassing van zijn werkweek en salaris afgesproken. Op 29 december 2022 zei hij mondeling op, maar zonder schriftelijke bevestiging en zonder duidelijke einddatum. Na ziekte en een verzoek van zijn moeder om de opzegging terug te draaien, bevestigde gedaagde het ontslag per 1 februari 2023.
De kantonrechter stelt vast dat de opzegging niet schriftelijk is gedaan zoals contractueel vereist en dat de datum van beëindiging niet vaststaat. Ook is aannemelijk dat eiser op het moment van opzegging mogelijk al overspannen was, waardoor gedaagde mogelijk had moeten terugkomen op de opzegging. Daarom is de kans groot dat eiser in een bodemprocedure gelijk krijgt.
De voorlopige voorziening wordt toegewezen: gedaagde moet het loon vanaf februari 2023 betalen met rente en loonspecificaties verstrekken. De proceskosten komen voor rekening van gedaagde.
Uitkomst: De werkgever is veroordeeld tot loonbetaling vanaf februari 2023 met rente en het verstrekken van loonspecificaties.