Uitspraak
tussenuitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
het college van Gedeputeerde Staten van Overijssel (het college), verweerder
[bedrijf] B.V.uit [vestigingsplaats] ( [bedrijf] ) (gemachtigde: ing. B.H. Wopereis).
Rechtbank Overijssel
Deze tussenuitspraak betreft het verzoek van MOB om de natuurvergunning van een veehouderij gedeeltelijk in te trekken vanwege stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden-Reggegebied. De rechtbank stelt vast dat het gebied stikstofoverbelast is en dat de veehouderij bijdraagt aan een dreigende verslechtering van de natuurwaarden.
Eisers stellen dat het college onvoldoende heeft onderzocht of intrekking noodzakelijk is, mede omdat de melkrundveetak feitelijk is beëindigd en het PAS-vergunningenstelsel ondeugdelijk is. Het college voert aan dat passende maatregelen worden getroffen via het Provinciaal Programma Landelijk Gebied (PPLG) en landelijke regelingen zoals de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijen (Lbv) en Lbv-plus.
De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom intrekking niet nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. De verwijzing naar het PPLG is te algemeen en de effecten en tijdspad van de maatregelen zijn onvoldoende toegelicht. Ook is onvoldoende duidelijk gemaakt dat de Lbv en Lbv-plus daadwerkelijk binnen afzienbare termijn leiden tot de noodzakelijke stikstofreductie op het Natura 2000-gebied.
De rechtbank geeft het college daarom de gelegenheid om binnen twaalf weken het gebrek in de motivering te herstellen. Tot die tijd worden verdere beslissingen aangehouden. De uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzitter, en mr. W.J.B. Cornelissen en mr. drs. F. Onrust, leden.
Uitkomst: Het college krijgt twaalf weken de gelegenheid om het gebrek in de motivering van de weigering tot gedeeltelijke intrekking van de natuurvergunning te herstellen.