Eiser exploiteert een agrarisch bedrijf op een perceel waar al jaren diverse materialen en afvalstoffen aanwezig zijn, ondanks eerdere handhavingsmaatregelen en uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die de opgelegde lasten onder dwangsom in stand hielden.
In juli 2022 legde het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen aan eiser meerdere lasten onder dwangsom op om de overtredingen te beëindigen, waaronder het verwijderen van materialen, het laten saneren van opslagtanks en het uitvoeren van een bodemonderzoek. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze besluiten en het invorderingsbesluit van de verbeurde dwangsommen.
De rechtbank oordeelt dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de overtredingen nog steeds bestaan en dat handhavend optreden gerechtvaardigd en proportioneel is. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die afzien van handhaving rechtvaardigen. Ook de hoogte van de dwangsommen is passend gezien de ernst en herhaling van de overtredingen.
Ten aanzien van het invorderingsbesluit stelt de rechtbank vast dat het beroep mede tegen dit besluit gericht is en dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij niet in staat is de dwangsommen te betalen. Daarom blijft het invorderingsbesluit in stand.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de lasten onder dwangsom en het invorderingsbesluit gehandhaafd blijven.