ECLI:NL:RBOVE:2025:5402

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
2 september 2025
Publicatiedatum
2 september 2025
Zaaknummer
ak_24_2824
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:106 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging UWV-besluit over WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering psychische klachten

De rechtbank Overijssel behandelde het beroep van eiser tegen het UWV inzake de herziening van zijn WAO-uitkering. Het UWV had de uitkering verlaagd op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage dat was gebaseerd op medische rapportages, waaronder een rapport van Birdview. De rechtbank oordeelde in een eerdere tussenuitspraak dat het UWV de informatie uit het Birdview-rapport onvoldoende had betrokken, met name de psychische klachten en persoonlijkheidsproblematiek van eiser.

Het UWV nam daarop een nieuw besluit, maar de rechtbank vond dat ook dit besluit niet voldeed aan het motiveringsbeginsel. De verzekeringsarts had onvoldoende gemotiveerd waarom de beperkingen zoals beschreven in het Birdview-rapport niet tot een verdergaande urenbeperking leidden. De rechtbank benadrukte dat de beoordeling zich moest richten op de beperkingen op de datum in geschil, zonder vooruit te lopen op mogelijke toekomstige verbetering door behandeling.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg het UWV op binnen twee weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de psychische stoornissen en persoonlijkheidsproblematiek van eiser in acht worden genomen. Tevens werd het betaalde griffierecht en proceskosten aan eiser toegewezen.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het UWV-besluit en draagt op tot een nieuw besluit met inachtneming van psychische beperkingen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/2824

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.J.M. Sanders),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: W. Prins).

Procesverloop

1.1
Bij besluit van 9 augustus 2024 (primair besluit) heeft het UWV eisers uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van
9 november 2021 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%. Aan eiser is een voorschot verstrekt op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. De WAO-uitkering wordt met ingang van 1 september 2023 verlaagd.
1.2
Met bestreden besluit I van 8 mei 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dat besluit gebleven.
1.3
Bij bestreden besluit II van 17 september 2024 heeft verweerder het besluit van 8 mei 2024 gewijzigd in die zin dat eiser thans een uitkering krijgt per 9 november 2021 gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 55-65 %.
1.4
Desgevraagd heeft eiser aangegeven het beroep te willen handhaven. Voorts heeft hij aanvullende gronden overgelegd.
1.5
Verweerder heeft een verweerschrift uitgebracht.
1.6
De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1.7
In de tussenuitspraak van 2 april 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het UWV in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
1.8
Het UWV heeft in reactie op de tussenuitspraak een nieuw besluit genomen van 13 mei 2025 (bestreden besluit III). Daarbij heeft hij het besluit van 17 september 2024 gewijzigd in die zin dat eiser thans per 9 november 2021 een uitkering krijgt gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 67,71%.
1.9
Eiser heeft bij brief van 30 juni 2025 gereageerd op het nieuwe besluit van het UWV.
1.1
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).
2.1
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat de bestreden besluiten I en II in strijd zijn met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.
Daarvoor zijn de samengevat weergegeven de volgende redenen gegeven.
2.2
De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportages die ten grondslag liggen aan de bestreden besluiten en in zijn aanvullende rapportage onvoldoende de informatie die naar voren komt in de rapportage van Birdview heeft betrokken. De rechtbank heeft daarbij met name gewezen op een aantal passages in de Birdview rapportage, onder meer op pagina’s 3, 7, 10 en 11.
Uit de passages kan worden afgeleid dat eiser (mogelijk) meer beperkt is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is aangenomen, met name in de rubrieken 1 en 2 en voor wat betreft de urenbeperking.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het rapport van Birdview onvoldoende in zijn afwegingen betrokken. Zo blijkt uit voornoemde onder meer dat bij eiser een onderliggende persoonlijkheidsproblematiek en depressieve klachten aan de orde zijn, (vergaande) vermoeidheidsklachten spelen en er ook uitdrukkelijk energetische en mentale/psychische belemmeringen naar voren komen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het samenstel van deze gegevens onvoldoende bij zijn afwegingen betrokken, zodat het voor de rechtbank onduidelijk is waarom de klachten zoals beschreven door Birdview niet tot verdergaande beperkingen zouden moeten leiden. Het standpunt dat een persisterende stemmingsstoornis van een lichter kaliber is, is niet afdoende, omdat daarmee de concrete klachten die in de rapportage van Birdview worden beschreven niet in de beoordeling zijn betrokken. Dat wegens het ontbreken van een behandelwens, de indruk zou worden gewekt dat de lijdensdruk laag zou zijn, is verder onbegrijpelijk. Temeer nu uit de rapportage van Birdview juist kan worden afgeleid dat de persoonlijkheidskenmerken van eiser beperkend kunnen zijn in een depressiebehandeling en mogelijk oorzaak zijn van stagneren van een dergelijke behandeling. Van een lage lijdensdruk blijkt uit de rapportage geenszins. Bovendien kan uit pagina 2 van de rapportage juist worden afgeleid dat het ontbreken van een behandelwens het gevolg is van een beperkt ziekte inzicht en dus niet zozeer van een lage lijdensdruk.
Al deze gegevens tezamen maken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet heeft kunnen volstaan met een algemene overweging zonder in te gaan op hetgeen is opgemerkt in de rapportage van Birdview omtrent eisers vermoeidheid, psychische klachten en onderliggende persoonlijkheidsproblematiek.
3.1
Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen in deze tussenuitspraak en gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit III gegrond. Het UWV heeft naar het oordeel van de rechtbank met bestreden besluit III de geconstateerde gebreken niet volledig hersteld. De rechtbank wijst daartoe met name op het volgende.
3.2
In bestreden besluit III heeft het UWV zich onder meer gebaseerd op de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 mei 2025.
Onder 4 van de rapportage is opgenomen:

De expertise in het kader van het arbeidspsychologisch en psychiatrisch onderzoek vond door middel van beeldbellen plaats en niet door middel van een fysiek onderzoek. De in het voornoemde onderzoek gebruikte Symptom Checklist-90, TeleScreen 5.0, Beck's Depression Inventory-II-NL-R, Utrechtse Burn-Out Schaal - Algemeen, Resilience Scale-NL,Utrechtse Coping Lijst en de Core Capability Set zijn zelfrapportagelijsten. Deze lijsten meten klachten.”
De rechtbank acht niet relevant voor de beoordeling dat de expertise van Birdview heeft plaatsgevonden door beeldbellen en wijst er in dit kader op dat het UWV zelf ook regelmatig onderzoek doet door middel van beeldbellen. Dat aan een onderzoek dat is gedaan door middel van beeldbellen minder waarde zou moeten worden toegekend wordt dan ook niet gevolgd.
Ten aanzien van de zelfrapportagelijsten wordt overwogen dat deze door Birdview niet in isolatie worden beschouwd, maar in samenhang met eigen waarnemingen en reeds bekende feiten en omstandigheden van eiser.
Dit wordt ook bevestigd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep waar hij aanhaalt dat in de rapportage van 5 oktober 2021 psycholoog M. van den Bosch en psychiater D. Neumann onder kopje 'II. Inrichting onderzoek' zelf ook aangeven dat aan de testresultaten geen absolute waarde mag worden toegekend en dat de gegevens geïnterpreteerd moeten worden binnen de bredere onderzoekcontext. Dat de expertise niet geïnterpreteerd zou zijn binnen een bredere onderzoekcontext is door de verzekeringsarts niet onderbouwd en wordt daarom niet gevolgd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarmee de gestelde diagnose van Birdview onvoldoende gemotiveerd weerlegd. De rechtbank heeft tegen die achtergrond ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de analyse van Birdview. Dit betekent dat het UWV er daarom vanuit dient te gaan dat bij eiser sprake is van een persisterende stemmingsstoornis in combinatie met onderliggende persoonlijkheidsproblematiek.
3.3
De persoonlijkheidskenmerken kunnen blijkens het rapport van Birdview beperkend zijn in een depressiebehandeling en mogelijk oorzaak zijn van het stagneren van een dergelijke behandeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep merkt ten aanzien van dit laatste op dat van belang is dat ook de onderzoekers aangeven dat het volgen van een passende behandeling mogelijk zal zorgen voor klachtenreductie, waardoor de psychische belastbaarheid van eiser zal toenemen. Hij ziet hier mede reden in om geen verdergaande urenbeperking aan te nemen. De rechtbank kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin niet te volgen. Daartoe wordt als eerste opgemerkt dat het gaat om de beperkingen van eiser op de datum in geding. Dat een behandeling op termijn kan zorgen voor een klachtenreductie en een mogelijke verbeterde psychische belastbaarheid valt daar buiten. Daar komt bij dat dit ook geen zeker gegeven is, uit het rapport van Birdview komt immers naar voren dat bij eiser persoonlijkheidskenmerken aanwezig zijn die mogelijk beperkend zijn in de depressiebehandeling en dus is allerminst zeker dat zijn belastbaarheid in dat opzicht valt te verbeteren.
3.4
Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangegeven dat eiser vanwege de beschreven psychische stoornissen gebaat is bij afgebakende werktijden wat maakt dat hij niet geschikt is om in de avonden te werken en hij gemiddeld ongeveer 8 uur per dag en gemiddeld ongeveer 40 uur per week kan werken. Een nog verdergaande urenbeperking is volgens de verzekeringsarts vanuit medisch oogpunt niet wenselijk gezien het risico op verdere deconditionering en is bovendien onnodig medicaliserend.
De rechtbank acht ook dit standpunt onvoldoende gemotiveerd. Daartoe wordt gewezen op de DSM V diagnose van Birdview in samenhang met hetgeen reeds in de tussenuitspraak is opgenomen ten aanzien van Birdsview rapportage:

Op pagina’s 7 en 10 staat nog het volgende vermeld:
“Daarnaast heeft betrokkene last van slaapproblemen. Hij ligt doorgaans twee uur wakker in bed voor hij kan slapen.”(pagina 7)
“(..) is bleek in het gelaat en maakt een vermoeide indruk.
(..)
Bij afronding van het onderzoek maakt hij echter een vermoeide indruk en benoemt zelf vermoeid te zijn.” (pagina 10).”
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er op generlei wijze blijk van gegeven bovenstaande te hebben betrokken bij zijn beoordeling. Gelet op de rapportage van Birdview en bovenstaande citaten acht de rechtbank juist aannemelijk dat eiser aangewezen is op een verdergaande urenbeperking dan thans aangenomen.
4. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit III wegens strijd met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat op basis van de overgelegde rapporten de precieze omvang van de beperkingen niet door de rechtbank kan worden vastgesteld. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een tweede bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Het UWV moet daarom een nieuw besluit nemen waarbij deze uitspraak en de tussenuitspraak in acht moeten worden genomen. Dit betekent dat bij de besluitvorming dient te worden betrokken dat bij eiser sprake is van een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis en een persisterende depressieve stoornis. Als gevolg daarvan dient, naast de reeds aangenomen beperkingen in bestreden besluit III, in ieder geval een verdergaande urenbeperking aangenomen te worden
De rechtbank stelt hiervoor een termijn van twee weken na afloop van de hoger beroepstermijn, dan wel indien hoger beroep wordt ingesteld, na de beslissing op het hoger beroep (artikel 8:106 Awb Pro).
5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
6. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Het UWV moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 907,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.267,50.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluiten I, II en III gegrond;
- vernietigt de bestreden besluit I, II en III;
- draagt het UWV op binnen twee weken na de in artikel 8:106 Awb Pro bedoelde termijn een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.267,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.