ECLI:NL:RBOVE:2025:6107

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
20 oktober 2025
Publicatiedatum
16 oktober 2025
Zaaknummer
83.234468.21 / 2
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 lid 1 SvArt. 2 lid 2 SvArt. 1.2.2 lid 1 Vuurwerkbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd wegens eerdere vervolging bij rechtbank Rotterdam

De rechtbank Overijssel behandelde een zaak tegen verdachte die werd verdacht van het opslaan en voorhanden hebben van professioneel vuurwerk in een woning te Herwijnen op 22 oktober 2019. De dagvaarding was geldig, maar de rechtbank moest beoordelen of zij bevoegd was om van de zaak kennis te nemen.

De verdediging stelde dat de rechtbank Overijssel onbevoegd was omdat de vervolging reeds was ingesteld bij de rechtbank Rotterdam, waar op 24 januari 2020 een machtiging voor een Strafrechtelijk Financieel Onderzoek (SFO) was afgegeven. De officier van justitie betoogde dat de machtiging SFO geen aanvang van vervolging betekende en dat de zaak losstond van het SFO.

De rechtbank oordeelde dat de machtiging SFO als een daad van vervolging wordt aangemerkt en dat de vervolging dus was aangevangen bij de rechtbank Rotterdam. Er was geen bewijs van overdracht van de vervolging aan de rechtbank Overijssel. Daarom verklaarde de rechtbank Overijssel zich onbevoegd om van de tenlastelegging kennis te nemen.

Het vonnis werd uitgesproken op 20 oktober 2025 door de meervoudige economische kamer in Zwolle, onder voorzitterschap van mr. D. ten Boer, met mr. R.P. van Eerde en mr. H. Manuel als rechters.

Uitkomst: De rechtbank Overijssel verklaart zich onbevoegd omdat de vervolging reeds was aangevangen bij de rechtbank Rotterdam.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige economische kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 83.234468.21
Datum vonnis: 20 oktober 2025
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 6 oktober 2025.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door de raadsman mr. B.J.W. Tijkotte, advocaat in Koog aan de Zaan, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging van 6 oktober 2025, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 22 oktober 2019 professioneel vuurwerk in een woning heeft opgeslagen en voorhanden heeft gehad.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij, op of omstreeks 22 oktober 2019 te Herwijnen, gemeente West Betuwe, in elk geval in Nederland, opzettelijk, professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, te weten
- één of meer stuks Flowerbed(s) (XB4107 en/of XB4108) (in een woning aan de [adres]) heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad.
( art 1.2.2 lid 1 Vuurwerkbesluit )

3.De bevoegdheid

3.1
Geldigheid van de dagvaarding
De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is.
3.2
De bevoegdheid van de rechtbank
Verdachte is gedagvaard voor de meervoudige economische strafkamer van deze rechtbank.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank Overijssel onbevoegd is tot kennisneming van de tenlastelegging, omdat er sprake is van een gelijktijdige vervolging in de zin van artikel 2 lid 2 Wetboek Pro van Strafvordering (Sv). In januari 2020 heeft de rechter-commissaris in Rotterdam op vordering van de officier van justitie een machtiging afgegeven voor een Strafrechtelijk Financieel Onderzoek (SFO). Niet is gebleken van een overdracht van de vervolging aan (de rechter-commissaris in) de rechtbank Zwolle. Dit betekent volgens de raadsman dat de vervolging in Rotterdam formeel nog open staat en dat uitsluitend de rechtbank Rotterdam als de rechtbank waar de vervolging het eerst is ingesteld, bevoegd is (en blijft).
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank Overijssel wel bevoegd is tot kennisneming van de tenlastelegging, omdat met de afgifte van de machtiging voor het SFO door de rechter-commissaris in Rotterdam de vervolging niet is aangevangen. Bovendien heeft het SFO enkel betrekking op de vordering ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en staat dus los van deze strafzaak.
De rechtbank overweegt het volgende.
Het gaat in deze zaak om een strafbaar feit waarvan de officier van justitie bij het functioneel parket met de vervolging is belast. Op grond van artikel 2 lid 1 Sv Pro, voor zover in deze zaak van belang, zijn de rechtbank Overijssel en de rechtbank Rotterdam gelijkelijk bevoegd. In geval van gelijktijdige vervolging bij beide rechtbanken nemen zij in de rangschikking van de relatief bevoegde rechtbanken zoals opgenomen in artikel 2 lid 1 Sv Pro dezelfde plaats in. Voor die situatie bepaalt artikel 2 lid 2 Sv Pro dat de rechtbank waarbij de vervolging het eerst is ingesteld uitsluitend bevoegd blijft.
De rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam heeft op vordering van de officier van justitie ter zake van (onder meer) het in deze zaak aan verdachte ten laste gelegde strafbare feit op 24 januari 2020 een machtiging SFO verleend. [1]
Op 17 juni 2025 is aan verdachte de dagvaarding uitgereikt om ter zake van de verdenking van dat feit op 6 oktober 2025 voor de meervoudige economische kamer van deze rechtbank te verschijnen.
In het kader van de beoordeling van het gevoerde bevoegdheidsverweer rijst dan de vraag bij welke rechtbank de vervolging het eerst is aangevangen. Uit jurisprudentie volgt dat (indiening van een vordering tot verlening van) een machtiging SFO als een daad van vervolging wordt aangemerkt. [2] Nu de machtiging SFO al in januari 2020 bij de rechtbank Rotterdam was gevorderd en verleend, was de vervolging van verdachte al aangevangen voordat verdachte voor de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, was gedagvaard ter zake van hetzelfde feit waarop ook de machtiging SFO ziet.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat de bij de rechtbank Rotterdam aangevangen vervolging van verdachte formeel is geëindigd. Evenmin bevat het dossier een document waaruit blijkt van een beslissing om de vervolging ter zake van het onderhavige feit over te dragen aan, dan wel voort te zetten bij de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle.
Bij deze stand van zaken is de slotsom dat de vervolging van verdachte voor het eerst is ingesteld bij de rechtbank Rotterdam, die dan uitsluitend bevoegd is (gebleven) om van deze zaak kennis te nemen. Deze rechtbank zal zich dan ook onbevoegd verklaren om van het ten laste gelegde feit kennis te nemen.

4.De beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de tenlastelegging.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. ten Boer, voorzitter, mr. R.P van Eerde en mr. H. Manuel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Broeks, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2025.
Buiten staat
Mr. H. Manuel is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Een geschrift, zijnde de vordering en machtiging SFO d.d. 24 januari 2020, genummerd als pagina 7 en 8 als bijlagen bij het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling, met dossiernummer PL1700-2019318215 (onderzoek Elgar) van de Politie eenheid Rotterdam, dienst regionale recherche, team Milieu.
2.Vgl. HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1910, r.o. 2.2.2 jº 2.5. Dat de machtiging SFO als een daad van vervolging wordt aangemerkt, werd al eerder aangenomen, zie ECLI:NL:PHR:2018:33, overwegingen 3.14 en 3.15, met verwijzing naar parlementaire geschiedenis.