ECLI:NL:RBOVE:2025:6645

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
C/08/339240 / KG ZA 25-241
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:166 BWArt. 3:174 BWArt. 3:300 BWArt. 6:119 BWArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging verkoop gezamenlijke woning en exclusief gebruik toegekend aan moeder na beëindiging samenleving

Partijen A en B waren informeel samenwonend en mede-eigenaar van een woning, samen ouders van drie kinderen. Na beëindiging van de samenleving woont partij A met de kinderen deels in de woning, partij B elders. De woning staat te koop sinds oktober 2024, maar verkoop stagneert door gebrek aan medewerking van partij B.

Partij A verzoekt machtiging tot verkoop en exclusief gebruik van de woning, partij B verzet zich tegen verkoop onder de voorgestelde voorwaarden en vordert onder meer toegang tot de woning voor herstelwerkzaamheden. De voorzieningenrechter oordeelt dat partij A het meeste belang heeft bij verkoop en kent haar de machtiging toe. Tevens krijgt zij het exclusieve gebruiksrecht voor zes maanden toegekend, met een dwangsom bij betreding door partij B.

De vordering tot verdeling van de verkoopopbrengst wordt afgewezen wegens declaratoir karakter. De vorderingen van partij B worden afgewezen. Proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Partij A krijgt machtiging tot verkoop en exclusief gebruik van de woning, partij B wordt veroordeeld tot medewerking aan verkoop en levering.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/339240 / KG ZA 25-241
Vonnis in kort geding van 12 november 2025
in de zaak van
[partij A],
te [woonplaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A],
advocaat: mr. W.F.A. Zwart-Peters,
tegen
[partij B],
te [woonplaats 2],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B],
advocaat: mr. K. Eliyo.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 9 oktober 2025 met producties 1 – 9,
- het bericht van [partij B], waarmee hij de producties 1 – 3 in deze procedure brengt en een eis in reconventie instelt,
- het bericht van [partij A], waarmee zij de producties 10 en 11 in deze procedure brengt,
- de mondelinge behandeling van 3 november 2025, waarbij partijen en hun advocaten zijn verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht, mede aan de hand van spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de mondelinge behandeling.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaken in het kort

2.1.
[partij A] en [partij B] zijn informeel samenlevenden geweest en zij zijn ouders van drie kinderen. Zij zijn daarnaast eigenaar van een woning in [plaats]. Partijen hebben de samenleving beëindigd. [partij A] woont samen met de kinderen (deels) in de gezamenlijke woning en [partij B] woont (tijdelijk) elders. Over en weer verzoeken partijen de voorzieningenrechter aan haar/hem een machtiging tot verkoop van de gezamenlijke woning te verlenen en te bepalen dat de ander zijn/haar medewerking verleent aan de notariële levering van de woning en dat de verkoopopbrengst die resteert na voldoening van de kosten bij helfte aan partijen wordt uitgekeerd. Daarnaast verzoekt [partij A] in conventie het uitsluitend gebruik van de woning aan haar toe te kennen.
2.2.
De voorzieningenrechter oordeelt dat [partij A] de meest gerede partij is tot verkoop van de woning. De voorzieningenrechter zal [partij A] een machtiging tot verkoop van de woning verlenen en hij zal [partij B] veroordelen om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning. Als [partij B] zijn medewerking niet verleent, zal dit vonnis in de plaats treden van de vereiste medewerking. De voorzieningenrechter wijst de vordering tot verdeling van de resterende verkoopopbrengst af. De voorzieningenrechter zal de proceskosten tussen partijen compenseren.

3.De feiten

3.1.
[partij A] en [partij B] zijn informeel samenlevenden geweest. Dit betekent dat zij de (vermogensrechtelijke) gevolgen van hun samenleving niet in een samenlevingsovereenkomst hebben vastgelegd. Partijen zijn ouders van drie kinderen. Verder zijn [partij A] en [partij B], ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van de woning in [plaats]. De aankoop van de woning is gefinancierd met een hypothecaire geldlening bij de Rabobank.
3.2.
[partij A] en [partij B] hebben hun samenleving in de zomer van 2023 beëindigd. [partij A] is in de gezamenlijke woning blijven wonen. [partij B] woont sinds 2021 elders. De kinderen van partijen wonen bij [partij A] en staan onder toezicht van Jeugdzorg.
3.3.
Partijen hebben in augustus 2024 met [bedrijf 1] een overeenkomst van opdracht tot verkoop van de gezamenlijke woning gesloten. [naam] is de dienstdoende makelaar. De woning staat sinds 10 oktober 2024 te koop voor een vraagprijs van € 965.000,00 k.k. In de overeenkomst van opdracht is bepaald dat de woning wordt bewoond door [partij A].
3.4.
Mr. Stekelenburg, advocaat bij Stekelenburg advocaten, heeft namens [partij A] en [partij B] onderhandeld met de Rabobank over de door de Rabobank te betalen vergoeding aan partijen inzake overcreditering en kosten. De Rabobank heeft partijen bij brief van 22 augustus 2024 een aanbod gedaan om boven op de vergoeding ter hoogte van € 143.000,00 waar partijen aanspraak op konden maken wegens overcreditering, een aanvullend bedrag van € 57.000,00 te betalen wegens gemaakte kosten, tegen algehele en finale kwijting. De Rabobank heeft een termijn verbonden aan de acceptatie van het aanbod. Deze termijn is een paar keer verlengd, voor het laatst tot 8 oktober 2024. Vanwege de hoofdelijke aansprakelijkheid dienden zowel [partij A] als [partij B] het aanbod te accepteren. Het aanbod is niet geaccepteerd.
3.5.
Mr. Stekelenburg heeft op 23 oktober 2024 aan [partij B] per e-mail een factuur verstuurd ter hoogte van € 8.904,39 inclusief btw voor de gedeclareerde uren tot en met 30 september 2024. De factuur is gericht aan [bedrijf 2] B.V., een besloten vennootschap waarvan [partij B] direct dan wel indirect bestuurder is. In de begeleidende e-mail staat daarnaast dat een oude declaratie niet volledig is voldaan. Het openstaande bedrag is € 878,46.
3.6.
De Rabobank heeft partijen bij brief van 28 november 2024 een voorstel gedaan, inhoudende dat de Rabobank de door partijen te ontvangen vergoeding zal worden verrekend met de totale achterstand en het bedrag wat daarna resteert, zal in mindering worden gebracht op de hoofdsom van de hypothecaire geldlening. In de brief staat verder dat de totale maandlasten € 1.867,65 bedragen indien partijen hun medewerking verlenen aan het voorstel. Indien partijen geen medewerking verlenen, zullen de totale maandlasten € 2.459,52 bedragen.
3.7.
Naar aanleiding van de voorstellen van de Rabobank hebben (de (voormalig) advocaten van) partijen over en weer met elkaar gemaild.
3.8.
Van Ommen Taxaties heeft in opdracht van de Rabobank de woning van [partij A] en [partij B] getaxeerd. Van Ommen Taxaties heeft daarvoor op 2 december 2024 een taxatierapport uitgebracht. In het taxatierapport staat dat de marktwaarde van de woning op 18 november 2024 een bedrag van € 900.000,00 bedraagt. Bij een executoriale verkoop van de woning wordt uitgegaan van een vermoedelijke verkoopopbrengst van € 720.000,00 in onverhuurde staat.
3.9.
De Rabobank heeft meermaals brieven verstuurd aan partijen over de achterstand op de hypothecaire geldlening. De Rabobank heeft de hypothecaire geldlening bij brief van 30 september 2025 opgeëist. In de brief is het volgende bepaald:
‘[…]
U heeft bij ons
-
een lening[…]
met een oorspronkelijk bedrag van € 400.000,00.[…]
-
een lening[…]
met een oorspronkelijk bedrag van € 240.000,00.[…]
[…]
U heeft sinds 01-03-2022 een achterstand op uw lening. Sinds 2019 zijn er betalingsproblemen bekend bij de bank. U heeft meerdere brieven ontvangen waarin staat dat we uw lening opzeggen als u de achterstand niet terugbetaalt.
Er is geen oplossing gevonden. Daarom zeggen wij uw lening nu op. Dat betekent dat u de schuld van € 523.452,89 plus rente, in één keer moet terugbetalen.
Betaal € 523.452,89 voor 15-10-2025
[…]
Het bedrag bestaat uit deze kosten
Leningnummer[…]
Restant hoofdsom
260.242,42
Achterstallige rente tot 01-09-2025
12.870,47
[…]
Leningnummer[…]
Restant hoofdsom
240.000,00
Achterstallige rente vanaf 01-09-2025
10.340,00
[…]
Totaal
523.452,89 + P.M.
Wat gebeurt er als u niet betaalt?
Dan veilen we uw woning(en). Dit is openbaar verkopen en kost minimaal € 6.000,00. Deze kosten betaalt u.
Is de verkoopopbrengst niet genoeg om uw schuld terug te betalen? Dan blijft er een restschuld over. Deze restschuld moet u ook terugbetalen.
[…]’
3.10.
[partij A] en [partij B] hebben de schuld van € 523.452,89 plus rente niet betaald aan de Rabobank. De gezamenlijke woning is niet verkocht.

4.Het geschil

in conventie
4.1.
[partij A] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad [1] :
I. bepaalt dat [partij A] bij uitsluiting van [partij B] is gerechtigd tot het gebruik van de gezamenlijke woning, met bepaling dat [partij B] de woning niet mag betreden op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per keer met een maximum van € 100.000,00;
II. [partij A] machtigt om mede namens [partij B] de gezamenlijke woning te verkopen met behulp van één van de makelaars bij [bedrijf 1] in [plaats] tegen een door [partij A] en de makelaar redelijk geachte prijs en daarbij te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van [partij B] als deze, na het bereiken van overeenstemming over de verkoop met (een) koper(s), nalaat om binnen een door de makelaar te stellen redelijke termijn de koopovereenkomst te ondertekenen en/of andere vormen van medewerking te verlenen;
III. [partij B] veroordeelt om na de verkoop van de gezamenlijke woning zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de notariële levering van de woning aan de koper(s), met bepaling dat indien [partij B], na daartoe te zijn uitgenodigd door de transporterend notaris, niet tijdig de naar het oordeel van de notaris noodzakelijke medewerking verleent, dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van [partij B];
IV. bepaalt dat aan ieder der partijen, na aflossing op de hypothecaire geldlening bij de Rabobank, betaling van de verkoopkosten en van de openstaande schuld bij Stekelenburg van € 9.782,85, en na verrekening van de proceskostenveroordeling in deze procedure, de helft van de resterende verkoopopbrengst wordt uitgekeerd;
V. [partij B] veroordeelt tot betaling van de werkelijke kosten van deze procedure van € 6.000,00, bij begroting volgens het liquidatietarief te vermeerderen met de nakosten, en deze kosten te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) als deze kosten niet binnen veertien dagen na dit vonnis zijn voldaan.
4.2.
[partij B] voert verweer. [partij B] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij A], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij A], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] in de kosten van deze procedure.
in reconventie
4.3.
[partij B] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [2] :
Primair
I. [partij A] veroordeelt om [partij B] binnen drie dagen na dit vonnis toegang te verlenen tot de woning om daar de benodigde verbeteringen en/of herstelwerkzaamheden te verrichten;
II. [partij A] veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 500,00 voor iedere overtreding van het onder I. gevorderde, met een maximum van € 25.000,00, althans een bedrag dat de voorzieningenrechter rechtens juist acht;
III. [partij B] machtigt tot het te gelde maken van de gezamenlijke woning met alles wat daartoe nodig en noodzakelijk is, waaronder het voor gemeenschappelijke rekening (laten) verrichten van noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden, inschakeling van de makelaar, notarieel transport van de woning aan de koper;
IV. voor zover [partij A] weigert mee te werken aan redelijke en noodzakelijke beslissingen omtrent de verkoop, bepaalt dat [partij B] wordt gemachtigd om namens beide partijen de woning te koop aan te bieden en te verkopen, met inschakeling van een onafhankelijke makelaar, onder gebruikelijke marktvoorwaarden en onder toezicht van de notaris;
V. bepaalt dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake de verkoop en levering te dragen;
VI. bepaalt dat de hypothecaire geldlening(en) bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zullen worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de gezamenlijke woning;
VII. bepaalt dat het eventueel aan de hypothecaire geldlening(en) verbonden polis(sen) van levensverzekeringen worden afgekocht en verrekend met de eventuele negatieve opbrengst uit verkoop;
VIII. bepaalt dat de netto-verkoopopbrengst gelijk tussen partijen dient te worden verdeeld, met in achtneming van hetgeen partijen over en weer nog van elkaar te vorderen hebben.
Subsidiair
IX. [partij A] veroordeelt om [partij B] binnen drie dagen na dit vonnis toegang te verlenen tot de woning om daar de benodigde verbeteringen en/of herstelwerkzaamheden te verrichten;
X. [partij A] veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 500,00 voor iedere overtreding van het onder IX. gevorderde, met een maximum van € 25.000,00, althans een bedrag dat de voorzieningenrechter rechtens juist acht;
XI. bepaalt dat beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan het notarieel transport van de woning aan de koper;
XII. bepaalt dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake de verkoop en levering te dragen;
XIII. bepaalt dat de hypothecaire geldlening(en) bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zal (zullen) worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de gezamenlijke woning;
XIV. bepaalt dat het eventueel aan de hypothecaire geldlening(en) verbonden polis(sen) van levensverzekeringen worden afgekocht en verrekend met de eventuele negatieve opbrengst uit verkoop;
XV. bepaalt dat de netto-verkoopopbrengst gelijk tussen partijen dient te worden verdeeld, dan wel dat ieder van partijen de helft van de restschuld zal dragen en betalen.
Meer subsidiair
I. bepaalt dat wanneer [partij A] niet (volledig) haar medewerking verleent aan, dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW Pro in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [partij A] die nodig is voor respectievelijk de verkoopopdracht, de verkoop en de levering en het notariële transport van de woning, mits die verkoopopdracht en/of koopovereenkomst en/of notariële akte geen bepalingen inhoudt/inhouden die afwijken van wat in de gegeven omstandigheden gebruikelijk is, zulks ter beoordeling van de makelaar en/of de notaris ten overstaan van wie de betreffende akte gepasseerd wordt.
[partij B] vordert tot slot zowel primair, subsidiair als meer subsidiair dat [partij A] de kosten van deze procedure betaalt.
4.4.
[partij A] voert verweer. [partij A] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij B], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij B], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij B] in de kosten van deze procedure.

5.De beoordeling

5.1.
[partij A] en [partij B] zijn samen eigenaar van de woning in [plaats]. De relatie tussen partijen is beëindigd. Over en weer verzoeken partijen de voorzieningenrechter aan haar/hem een machtiging tot verkoop van de gezamenlijke woning te verlenen en te bepalen dat de ander zijn/haar medewerking verleent aan de notariële levering van de woning en dat de verkoopopbrengst die resteert na voldoening van de kosten, bij helfte aan partijen wordt uitgekeerd. Daarnaast verzoekt [partij A] in conventie het uitsluitend gebruik van de woning aan haar toe te kennen. Gelet op de samenhang tussen de vordering in conventie en de vordering in reconventie, zullen de vorderingen tezamen worden beoordeeld.
[partij A] wordt gemachtigd tot verkoop van de woning
5.2.
[partij A] onderbouwt haar vorderingen met de stelling dat de gezamenlijke woning sinds 10 oktober 2024 in opdracht van partijen door [bedrijf 1] te koop wordt aangeboden. Partijen hebben afgesproken dat [partij A] met de kinderen in de woning blijft wonen totdat deze is verkocht aan derden. Volgens [partij A] werkt [partij B] niet mee aan de verkoop en verhindert hij dat er verkoophandelingen worden verricht. [partij B] is onder meer niet bereid om conform het advies van de makelaar de vraagprijs te verlagen, hij geeft geen toestemming voor bezichtigingen en verhindert dat een potentiële koper een bouwkundig onderzoek kan laten uitvoeren aan de woning.
[partij A] voert verder aan dat zij woont met en zorgdraagt voor de kinderen van partijen. In de weekenden woont [partij A] met de kinderen in de gezamenlijke woning en doordeweeks in een tijdelijk appartement in Apeldoorn. De meerderjarige dochter van partijen woont sinds 1 september 2025 doordeweeks in de gezamenlijke woning, omdat de vriendinnen met wie zij naar school gaat in [plaats] woonachtig zijn. [partij B] stelt zich volgens [partij A] dreigend op tegenover onder meer de kinderen, haarzelf en haar advocate, en de makelaar. [partij A] heeft om veiligheidsredenen andere sloten op de deuren in de gezamenlijke woning gezet. Maar volgens [partij A] zijn er recent twee incidenten geweest waarbij [partij B] heeft geprobeerd te woning te betreden. De meerderjarige dochter was bij één van die incidenten in de woning. Dit was voor haar traumatiserend. De politie is bij beide incidenten betrokken en er is aangifte gedaan wegens stalking.
[partij A] voert tot slot aan dat sprake is van een forse betalingsachterstand op de hypothecaire geldlening waarvoor beide partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn. De achterstand van alleen al de rente over de hypothecaire geldlening bedraagt per 1 september 2025 een bedrag van € 25.586,62. Beide partijen zijn financieel niet in staat om de maandelijkse hypotheeklasten te betalen. Volgens [partij A] heeft de houding van [partij B] er tevens toe geleid dat de huidige maandlasten in plaats van de door de Rabobank aangeboden € 1.867,65 per maand thans € 2.459,52 bedragen. De Rabobank heeft de hypothecaire geldlening inmiddels opgeëist en dreigt met een executieverkoop. [partij A] stelt daarmee een spoedeisend belang bij de door haar gevorderde voorziening te hebben.
5.3.
[partij B] voert verweer. Hij betwist dat [partij A] een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. De Rabobank heeft weliswaar de executie van de woning aangekondigd, maar zij heeft nog geen daadwerkelijke executiedatum bepaald. Volgens [partij B] kunnen partijen alsnog in overleg met de Rabobank tot een regeling komen. [partij B] verzet zich tegen de wijze waarop [partij A] nu wil handelen. De door haar gevraagde voorzieningen gaan verder dan nodig is en deze tasten zijn eigendomsrecht en het recht op gelijke zeggenschap als mede-eigenaar van de woning ernstig aan. [partij B] is niet tegen verkoop van de woning, maar hij verzet zich tegen verkoop onder ongunstige (financiële) voorwaarden. Volgens [partij B] is het juist de slechte staat van de woning en niet zijn houding die een redelijke verkoopprijs belemmert. [partij A] weigert noodzakelijke werkzaamheden aan de woning te verrichten of medewerking te verlenen aan overleg over het onderhoud aan de woning. Hierdoor wordt het [partij B] onmogelijk gemaakt om zijn verantwoordelijk als mede-eigenaar te nemen. Het weigeren van een te lage verkoopprijs is volgens [partij B] geen onredelijke opstelling gezien de waarde van de woning en de aanwezige investeringen, maar een legitiem zakelijk standpunt. [partij B] voert aan dat [partij A] sinds juli 2024 elk overleg weigert en dat hij meermaals heeft gepoogd om via de makelaar tot gezamenlijke besluitvorming te komen maar dat hij hier geen reactie op heeft ontvangen. [partij B] vindt het dan ook onbegrijpelijk dat hij nu medewerking dient te verlenen aan de verkoop van de woning, terwijl [partij A] elk overleg weigert. Ook worden de door [partij A] gestelde incidenten volgens [partij B] overdreven gepresenteerd. Hij ontkent dat sprake is van bedreiging of stalking. Hij wilde als mede-eigenaar de toegang tot de woning behouden en hij heeft de politie vooraf ook geïnformeerd over het mogelijke geschil tussen partijen. [partij B] wilde de situatie op een normale wijze oplossen en heeft zeker niet de intentie om zijn dochter een angstig gevoel te geven.
5.4.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag wie van partijen het meeste belang heeft bij het verlenen van een machtiging tot verkoop van de woning waarvan [partij A] en [partij B] eigenaar zijn. Partijen zijn tijdens de samenleving geen samenlevingsovereenkomst aangegaan, zodat tussen hen ten aanzien van de woning een eenvoudige gemeenschap als bedoeld in artikel 3:166 BW Pro bestaat. [partij A] en [partij B] hebben samen met hun kinderen in de woning gewoond. Nadat zij de samenleving in 2023 hebben beëindigd, is [partij A] met de kinderen deels in de woning blijven wonen en woont [partij B] (tijdelijk) elders. Vaststaat dat de Rabobank de hypothecaire geldleningsovereenkomst heeft opgezegd en de lening van € 523.452,89 plus rente heeft opgeëist. De Rabobank heeft weliswaar nog geen datum bepaald voor de executoriale verkoop van de woning, maar dat een executoriale verkoop kan volgen als de hypothecaire geldlening niet op korte termijn wordt voldaan, heeft [partij A] voldoende aannemelijk gemaakt. Dat partijen in overleg met de Rabobank alsnog tot een regeling kunnen komen, heeft [partij B] onvoldoende onderbouwd en dit blijkt ook niet uit de door partijen overgelegde stukken. Hoewel er een overwaarde op de woning zit, zal een executoriale verkoop negatieve gevolgen hebben voor partijen nu dit doorgaans tot een lagere verkoopopbrengst leidt. De voorzieningenrechter is daarmee van oordeel dat partijen een spoedeisend belang hebben bij de vorderingen. Dit betekent dat partijen ontvankelijk zijn in hun vorderingen en dat deze inhoudelijk kunnen worden beoordeeld.
De voorzieningenrechter kan onder deze spoedeisende omstandigheden een machtiging verlenen tot het te gelde maken van de woning als bedoeld in artikel 3:174, lid 1, BW als het aannemelijk is dat de bodemrechter een dergelijke machtiging zou hebben verleend als daarom wordt verzocht. [3] De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit het geval is. [partij A] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van gewichtige redenen in de zin van artikel 3:174, lid 1, BW, zodat de voorzieningenrechter [partij A] een machtiging zal verlenen tot verkoop van de woning. Hij motiveert zijn oordeel als volgt.
5.5.
Bij de beoordeling van de vorderingen staat het belang van de kinderen van partijen voorop. [4] Niet in geschil is dat de kinderen bij [partij A] verblijven. [partij B] heeft daarnaast niet weersproken dat de meerderjarige dochter van partijen doordeweeks in de gezamenlijke woning woont. Verder staat als niet weersproken vast dat de gezamenlijke woning in opdracht van partijen sinds 10 oktober 2024 te koop wordt aangeboden door [bedrijf 1]. Het is tot nu toe niet gelukt om de woning te verkopen. Partijen wijzen hiervoor beide een andere oorzaak aan. De woning staat te koop voor een vraagprijs van € 965.000,00 k.k. [partij A] heeft bij de mondelinge behandeling gezegd dat er op dit moment twee geïnteresseerde kopers zijn: de ene koper wil de woning eind januari 2025 afnemen voor € 850.000,00 zonder financieringsvoorbehoud en de andere koper zegt een bod uit te willen brengen van € 900.000,00 maar het is nog onduidelijk of dit met of zonder financieringsvoorbehoud is en wanneer hij de woning wil afnemen. Volgens [partij A] is € 850.000,00 een redelijke vraagprijs, onder meer omdat er asbest in de woning aanwezig is. De makelaar adviseert om de vraagprijs te verlagen tot € 895.000,00. [partij B] verzet zich niet als zodanig tegen verkoop van de woning, maar hij acht deze verlaging van de vraagprijs financieel onverantwoord. De woning is volgens [partij B] € 950.000,00 waard. Maar de voorzieningenrechter is van oordeel dat [partij B] dit onvoldoende heeft onderbouwd. Hij heeft bijvoorbeeld niet onderbouwd dat de lekkende dakgoot en het gat in het plafond niet aanwezig waren op het moment dat de woning te koop is aangeboden (wat door [partij A] overigens ook wordt betwist) en hij heeft ook niet gemotiveerd welke herstelwerkzaamheden volgens hem verder verricht zouden moeten worden. [partij B] heeft niet weersproken dat hij het houden van bezichtigingen en het uitvoeren van een bouwtechnische keuring heeft verhinderd, terwijl dit wel op zijn weg had gelegen. De voorzieningenrechter is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat het belang van [partij A] bij verkoop van de woning zwaarder weegt dan het belang van [partij B]. Van [partij A] kan niet langer worden verlangd dat de onverdeeldheid nog veel langer zal duren, terwijl niet zeker is dat de woning op korte termijn zal worden verkocht voor een hogere vraagprijs dan de vraagprijs die de makelaar nu adviseert. Zeker nu een eventuele executoriale verkoop van de woning voor beide partijen negatieve gevolgen zal hebben.
5.6.
De voorzieningenrechter oordeelt dat [partij A] de meest gerede partij is tot verkoop van de woning. Bij dit oordeel weegt hij mee dat [partij A] op dit moment deels in de woning verblijft al dan niet met de kinderen en dat [partij A] onbetwist heeft aangevoerd met tussenkomst van haar advocate als enige contact te hebben met de Rabobank. De voorzieningenrechter zal de machtiging die [partij A] heeft gevorderd toewijzen, maar de voorzieningenrechter zal het bepalen van de vraagprijs van de woning aan de makelaar overlaten.
5.7.
De voorzieningenrechter zal [partij B] veroordelen om zijn medewerking te verlenen aan het tekenen van de verkoopovereenkomst en de notariële levering van de woning aan de koper(s), en de voorzieningenrechter zal hierbij bepalen dat dit vonnis op grond van artikel 3:300, lid 1, BW zo nodig in de plaats treedt van de instemmende wilsverklaring, medewerking en/of handtekening van [partij B] in het geval dat hij geen medewerking verleent aan de totstandkoming van deze overeenkomsten.
Het exclusieve gebruiksrecht wordt aan [partij A] toegekend
5.8.
Aan de orde is vervolgens de vraag of het exclusieve gebruiksrecht van de woning aan [partij A] kan worden toegekend. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de woning gemeenschappelijk eigendom is van partijen, zodat zij in beginsel even veel recht hebben op het gebruik daarvan. Het komt dus aan op een belangenafweging. Zoals de voorzieningenrechter hiervoor heeft overwogen, verblijven de kinderen van partijen bij [partij A]. Het is in het belang van de kinderen, de meerderjarige dochter in het bijzonder, dat zij in de woning kunnen blijven wonen en dan in de buurt van hun sociale leven zijn. De voorzieningenrechter wil wel aannemen dat [partij B] niet de intentie heeft de kinderen een gevoel van onveiligheid te geven. Maar de voorzieningenrechter acht het – zonder in te gaan op de juistheid van de gestelde incidenten – van belang dat er voor de kinderen rust gecreëerd wordt en dat zij zo min mogelijk worden geconfronteerd met de spanningen tussen partijen. Die rust kan worden gecreëerd doordat de kinderen in hun vertrouwde (woon)omgeving verblijven en [partij B] niet in de woning komt. [partij B] heeft bij de mondelinge behandeling gezegd dat [partij A] niet volledig in de woning verblijft en dat zij de financiële lasten niet althans niet volledig kan dragen. [partij B] voert aan dat zijn financiële positie op korte termijn zal verbeteren en dat hij slechts tijdelijke woonruimte heeft, zodat [partij B] juist een reëel belang heeft bij (gedeeltelijk) gebruik van de woning. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt niet. [partij B] heeft immers niet het exclusieve gebruiksrecht gevorderd, maar indien hij dit wel had gedaan, geldt nog steeds dat dit niet in het belang van de kinderen zou zijn.
5.9.
De voorzieningenrechter zal het exclusieve gebruiksrecht dat [partij A] heeft gevorderd toewijzen, maar de voorzieningenrechter zal daarbij bepalen dat dit gebruiksrecht geldt voor de duur van zes maanden. [partij B] mag de woning gedurende die periode niet betreden, anders dan voor het eventueel moeten weghalen van zijn spullen ten behoeve van de notariële levering. De voorzieningenrechter zal de gevorderde dwangsom beperken tot een bedrag van € 1.000,00 per keer dat [partij B] de woning betreedt met een maximum van € 25.000,00.
De verdeling van de verkoopopbrengst
5.10.
[partij A] vordert dat de voorzieningenrechter bepaalt dat aan ieder der partijen, na aflossing op de hypothecaire geldlening bij de Rabobank, betaling van de verkoopkosten en van de openstaande schuld bij mr. Stekelenburg van € 9.782,85 en na verrekening van de proceskostenveroordeling in deze procedure, de helft van de resterende verkoopopbrengst wordt uitgekeerd. Volgens [partij A] kan de woning worden verkocht voor € 850.000,00. De hypotheekschuld bedraagt volgens haar € 500.242,00. Na aftrek van de vergoeding wegens overcreditering van de Rabobank van € 143.000,00 en de overige kosten, resteert er volgens [partij A] nog een bedrag van € 446.500,00 dat bij helfte dient te worden verdeeld.
5.11.
[partij B] voert verweer. Hij voert daartoe aan dat er nog gezamenlijke schulden, fiscale verplichtingen en andere kostenposten zijn die eerst moeten worden verrekend. Daarnaast is de vergoeding wegens overcreditering van € 143.000,00 al verrekend met de hypothecaire schuld en deze vergoeding al is verdisconteerd in de € 500.242,00.
5.12.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Deze vordering heeft een declaratoir karakter. Een dergelijke vordering leent zich niet voor kort geding. [5] De voorzieningenrechter zal dit deel van de vordering daarom afwijzen.
De vorderingen in reconventie worden afgewezen
5.13.
[partij A] is op dit moment de meest gerede partij tot verkoop van de woning vanuit het feit dat zij nog wel eens in de woning verblijft al dan niet met de kinderen. De voorzieningenrechter heeft hiervoor beslist dat de vorderingen van [partij A] in conventie zullen worden toegewezen. Toewijzing van de conventionele vordering betekent in dit geval afwijzing van de reconventionele vordering, zodat de voorzieningenrechter de vorderingen in reconventie van [partij B] zal afwijzen.
De voorzieningenrechter compenseert de proceskosten
5.14.
[partij B] is grotendeels in het ongelijk gesteld. [partij A] vordert dat [partij B] wordt veroordeeld tot betaling van de werkelijke proceskosten ter hoogte van € 6.000,00. Volgens vaste jurisprudentie is een dergelijke vordering alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering of het voeren van verweer, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als een partij haar vordering of verweer baseert op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorgrond moest behoren te weten dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het voeren van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM Pro. [6]
5.15.
De voorzieningenrechter oordeelt dat [partij A] onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door [partij B]. De voorzieningenrechter wijst dit deel van de vordering om die reden af. Gelet op de relatie tussen partijen ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten in conventie en in reconventie tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
6.1.
bepaalt dat [partij A] bij uitsluiting van [partij B] is gerechtigd tot het gebruik van de woning aan de [adres] in [plaats] voor de duur van zes maanden na dit vonnis, met bepaling dat [partij B] deze woning gedurende die periode niet mag betreden anders dan voor het weghalen van zijn spullen ten behoeve van de notariële levering op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per keer met een maximum van € 25.000,00,
6.2.
machtigt [partij A] om mede namens [partij B] de woning aan de [adres] in [plaats] te verkopen met behulp van één van de makelaars bij [bedrijf 1] in [plaats] tegen een door de makelaar redelijk geachte prijs, met bepaling dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van [partij B] als deze, na het bereiken van overeenstemming over de verkoop met (een) koper(s), nalaat om binnen een door de makelaar te stellen redelijke termijn de koopovereenkomst te ondertekenen en/of andere vormen van medewerking te verlenen,
6.3.
veroordeelt [partij B] om na verkoop van de woning zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de notariële levering van de woning aan de koper(s), met bepaling dat indien [partij B], na daartoe te zijn uitgenodigd door de transporterend notaris, niet tijdig de naar het oordeel van de notaris noodzakelijke medewerking verleent, dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van [partij B],
6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.7.
wijst de vorderingen van [partij B] af,
6.8.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025.

Voetnoten

1.Dit betekent dat [partij A] de mogelijkheid wil krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
2.Dit betekent dat [partij B] de mogelijkheid wil krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
3.HR 21 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4380.
4.Artikel 8 EVRM Pro in samenhang met HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:25; artikel 3 IVRK Pro in samenhang met Committee on the Rights of the Children,
5.HR 14 februari 1946, ECLI:NL:HR:1946:49; HR 2 april 1976, ECLI:NL:HR:1976:AB6891; HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:503.
6.HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, rov. 5.1.