ECLI:NL:RBOVE:2025:7391

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
ak_25_725
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen bestuurlijke boete wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen

Deze uitspraak betreft een beroep van [eiser], de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, tegen de oplegging van een bestuurlijke boete wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De rechtbank Overijssel heeft op 16 december 2025 uitspraak gedaan in deze zaak. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht een boete heeft opgelegd, maar dat het boetebedrag van € 3.000,- te hoog is. De rechtbank komt tot de conclusie dat de minister niet voldoende heeft gemotiveerd waarom er sprake was van grove schuld bij [eiser]. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de boete vastgesteld op € 2.000,-. De rechtbank heeft ook bepaald dat de minister het griffierecht en proceskosten aan [eiser] moet vergoeden. De uitspraak is openbaar uitgesproken en partijen zijn op de hoogte gesteld van hun recht om in hoger beroep te gaan.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/725

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser]

(gemachtigde: mr. E. Schriemer),
en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

(gemachtigde: mr. L.G. Rissema van Haren).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de bestuurlijke boete die de minister aan [eiser] heeft opgelegd wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). [eiser] is het niet eens met de boete. Hij voert aan dat de minister niet bevoegd was de boete op te leggen en dat de hoogte van de boete te hoog is. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister de boete terecht heeft opgelegd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht een boete heeft opgelegd, maar dat het boetebedrag te hoog is. [eiser] krijgt dus deels gelijk en zijn beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 8 november 2023 hebben twee toezichthouders de [bedrijf] , de onderneming van [eiser] , aan de [adres] bezocht. Hier hebben zij geconstateerd dat een man met twee klanten in gesprek was en hen adviseerde over een product, waarna de klanten het product kochten. Gebleken is dat deze man, [naam] , niet in het bezit is van een geldige verblijfstitel en/of een tewerkstellingsvergunning. De toezichthouders hebben vervolgens [naam] gehoord als getuige en [eiser] gehoord als overtreder.
2.1.
Op 4 maart 2024 is een boeterapport opgemaakt, waarin is geconcludeerd dat [eiser] artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft overtreden, omdat [naam] arbeid verrichtte zonder tewerkstellingsvergunning.
2.2.
De minister heeft op 18 juli 2024 het voornemen kenbaar gemaakt om aan [eiser] een boete op te leggen van € 3.000,-.
2.3.
[eiser] heeft een zienswijze ingediend.
2.4.
Met het primaire besluit van 27 augustus 2024 heeft de minister aan [eiser] een boete opgelegd van € 3.000,- wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav.
2.5.
[eiser] heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.6.
Met het bestreden besluit van 8 januari 2025 heeft de minister de opgelegde boete gehandhaafd.
2.7.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] , de gemachtigde van [eiser] en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat zij bevoegd is de boete op te leggen aan [eiser] , omdat terecht een overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav is vastgesteld. Volgens de minister kon niet worden volstaan met een waarschuwing, omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in de Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2020 (Beleidsregel) zijn genoemd. De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat sprake is van grove schuld bij [eiser] . De minister heeft de hoogte van de boete daarom vastgesteld op € 3.000,-, ofwel 75% van het boetenormbedrag van € 4.000,- zoals opgenomen in de Beleidsregel.
Bevoegdheid opleggen boete
4. [eiser] voert aan dat de minister niet bevoegd was om de boete op te leggen. Volgens [eiser] is niet vast komen te staan dat hij de Wav heeft overtreden. Er is niet concreet vastgesteld dat [naam] aan het werk was. Volgens [eiser] is een enkele waarneming van een adviesgesprek onvoldoende om te concluderen tot werkzaamheden. Er zijn ook geen aanvullende objectieve bewijzen waaruit de overtreding blijkt. Daarnaast stelt [eiser] dat hij niet kan worden aangemerkt als overtreder. Volgens [eiser] was [naam] in de winkel, omdat [naam] wordt ondersteund door [stichting] , dat op hetzelfde adres is gevestigd als de [bedrijf] . Bovendien heeft [eiser] er juist alles aan gedaan om een eventuele overtreding te voorkomen. In dat kader wijst [eiser] erop dat hij schriftelijke afspraken heeft gemaakt met [naam] .
4.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [1] mag de minister in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed of -belofte opgemaakt boeterapport. Het boeterapport is opgemaakt op ambtsbelofte. In het boeterapport is opgenomen dat de toezichthouders hebben gezien en gehoord dat [naam] advies gaf over een product aan twee klanten en dat deze klanten dit product vervolgens hebben gekocht. Vervolgens hebben zij [naam] gehoord en heeft hij onder meer verklaard dat hij vrijwilligerswerk doet, thee en koffie zet voor ouderen, de boodschappen recht zet, klanten helpt met vertalen en geregeld schoonmaakt. Ook heeft hij verklaard dat hij, als het kan, elke dag komt en dat hij geen geld krijgt voor zijn werkzaamheden.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft mogen uitgaan van de waarnemingen van de toezichthouders, zoals opgenomen in het boeterapport en op basis daarvan heeft mogen concluderen dat sprake is geweest van arbeid. Hieruit blijkt immers dat [naam] advies heeft gegeven over een product. Daarnaast heeft [naam] zelf verklaard dat hij meer werkzaamheden (heeft) verricht. De rechtbank acht ook van belang dat [eiser] in zijn zienswijze zelf heeft erkend dat [naam] zich eerder heeft voorgedaan als werknemer van de [bedrijf] . Daarmee is voldoende vast komen te staan dat sprake is van het verrichten van arbeid. De minister heeft [eiser] ook terecht aangemerkt als overtreder. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling wordt immers het enkel mogelijk maken van het verrichten van arbeid en het niet verhinderen daarvan, opgevat als het laten verrichten van arbeid. [2] De omstandigheid dat [stichting] op hetzelfde adres is gevestigd als de [bedrijf] , maakt dit niet anders. De minister heeft daarom terecht vastgesteld dat [eiser] artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft overtreden. De minister was daarom bevoegd om een boete op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.
Hoogte boete
5. Volgens [eiser] had de minister moeten volstaan met een waarschuwing. [eiser] voert subsidiair aan dat de boete te hoog is, omdat de minister ten onrechte is uitgegaan van grove schuld. [eiser] stelt dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Het is immers een klein bedrijf, er is slechts eenmalig een overtreding geconstateerd en [eiser] heeft geprobeerd een overtreding van de Wav te voorkomen door vooraf afspraken te maken met [naam] .
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een waarschuwing. In de Beleidsregel boeteoplegging Wav 2020 [3] is opgenomen in welke situaties wordt volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing bij een overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav. [eiser] heeft niet onderbouwd dat voldaan is aan deze voorwaarden en dit is de rechtbank ook niet gebleken.
5.2.
De rechtbank overweegt verder als volgt. In de uitspraak van 13 juli 2022 [4] heeft de Afdeling overwogen dat bij overtreding van de Wav in beginsel mag worden uitgegaan van normale verwijtbaarheid. Dat de Wav als zodanig bekend wordt verondersteld en dat deze is overtreden, brengt nog niet met zich dat de werkgever in kwestie de overtreding opzettelijk heeft begaan of grove schuld heeft. De Afdeling neemt 100% van het boetenormbedrag – zoals opgenomen in de Beleidsregel – als uitgangspunt bij opzettelijke overtreding, 75% bij grove schuld, 50% bij normale verwijtbaarheid en 25% bij verminderde verwijtbaarheid.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom is uitgegaan van grove schuld bij [eiser] . Het enkele verwijt dat [eiser] extra alert had moeten zijn omdat [naam] zich eerder ten onrechte zou hebben voorgedaan als medewerker, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank acht daarbij ook van belang dat sprake is van een marginale constatering van de overtreding en dat – anders dan uit [naam] eigen verklaring – niet is gebleken dat [naam] vaak in de [bedrijf] aanwezig is. De minister heeft dus onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van een mate van verwijtbaarheid die de normale verwijtbaarheid overstijgt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister de boete ten onrechte heeft vastgesteld op 75% van het boetenormbedrag.
5.4.
De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om de boete zelf vast te stellen op € 2.000,-. De rechtbank gaat daarbij uit van het uitgangspunt dat geldt bij normale verwijtbaarheid, dus 50% van het boetenormbedrag van € 4.000,-.
Conclusie en gevolgen
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister aan [eiser] terecht een boete heeft opgelegd wegens overtreding van de Wav. De minister heeft het boetebedrag echter ten onrechte vastgesteld op € 3.000,-, omdat de minister in het kader van de verwijtbaarheid ten onrechte is uitgegaan van grove schuld. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor wat betreft de hoogte van de boete en herroept het besluit van 27 augustus 2024 in zoverre.
6.1.
De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf een beslissing. Zij stelt de hoogte van de boete vast op € 2.000,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan [eiser] vergoeden en krijgt [eiser] ook een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van [eiser] een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 8 januari 2025 voor zover deze ziet op de hoogte van de boete;
- herroept het besluit van 27 augustus 2024 voor zover deze ziet op de hoogte van de boete;
- bepaalt dat de boete wordt vastgesteld op € 2.000,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 385,- aan [eiser] moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan [eiser] .
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Diele, griffier, uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3252.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3879.
3.Artikel 12.