ECLI:NL:RBOVE:2026:1099

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
ak_24_3738
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 36a WAOArt. 57 WAOArt. 80 WAOArt. 29a WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering en terugvordering wegens niet gemelde werkzaamheden in autohandel

Eiser ontving sinds 2000 een WAO-uitkering en werd door het UWV beticht van het niet melden van werkzaamheden en inkomsten uit autohandel tussen 12 april 2021 en 9 februari 2023. Het UWV trok de uitkering in, vorderde €31.143,58 terug en legde een boete op van €5.800, later gematigd tot €2.016.

De rechtbank oordeelt dat het UWV voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte, mede door zijn rol als gevolmachtigde en het gebruik van zijn telefoonnummer in het bedrijf van zijn zoon. Ondanks eisers medische beperkingen en betwisting van de feiten, is onvoldoende tegenbewijs geleverd.

De rechtbank bevestigt dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden en dat de terugvordering terecht is, ook al is het niet mogelijk de exacte inkomsten per maand vast te stellen. De belangenafweging leidt tot het oordeel dat geen dringende redenen bestaan om van terugvordering af te zien.

De boete is verlaagd vanwege het draagkrachtbeginsel en een betalingsregeling. De rechtbank verklaart het beroep gegrond voor zover het de boete betreft en ongegrond voor de rest, en veroordeelt het UWV tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering en terugvordering blijven in stand, de boete wordt verlaagd naar €2.016.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/3738

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigden: mr. M. Berkel en mr. V.C.D. Klaassen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder (het UWV)
(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de intrekking en terugvordering van eisers uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en het opleggen van een boete. Eiser is het er niet mee eens dat het UWV eisers WAO-uitkering van 12 april 2021 tot en met 9 februari 2023 heeft ingetrokken, de over die periode uitbetaalde uitkering tot een bedrag van bruto € 31.143,58 heeft teruggevorderd en hem een boete van € 2.016,- heeft opgelegd. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de intrekking, de terugvordering en de boete terecht zijn.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de intrekking, de terugvordering en de boete in stand kunnen blijven. Eiser krijgt geen gelijk. Omdat de boete tijdens de beroepsprocedure is verlaagd is het beroep voor zover het gaat om de hoogte van de boete gegrond. Voor het overige is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Het UWV heeft met het besluit van 13 mei 2024 aan eiser een boete van € 5.800,- opgelegd. Met een besluit van 14 mei 2024 heeft het UWV aan eiser gemeld dat zijn WAO-uitkering vanaf 12 april 2021 tot en met 9 februari 2023 wordt ingetrokken en dat van hem de over die periode te veel ontvangen WAO-uitkering tot een bedrag van bruto € 31.143,58 wordt teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 24 september 2024 op het bezwaar van eiser (hierna: bestreden besluit 1) is het UWV bij de besluiten van 13 en 14 mei 2024 gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1.
2.3.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Het UWV heeft met een besluit van 22 oktober 2025 (hierna: bestreden besluit 2) de beslissing op bezwaar van
24 september 2024 gewijzigd. Met bestreden besluit 2 heeft het UWV de aan eiser opgelegde boete gematigd naar € 2.016,-.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. V.C.D. Klaassen als gemachtigde van eiser via een beeldverbinding en de gemachtigde van het UWV. De rechtbank heeft partijen gedurende vier weken de gelegenheid geboden om onderling tot een oplossing van het geschil te komen. Eiser heeft echter laten weten hiervoor niet open te staan.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3.1.
Eiser ontving met ingang van 12 september 2000 een arbeidsongeschiktheidsuitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. In 2007 of 2008 heeft het UWV eiser in aanmerking gebracht voor een (voorlopig) starterskrediet omdat hij een zelfstandige onderneming (autohandel) was gestart. Met een besluit van 8 december 2011 heeft het UWV eiser medegedeeld dat dit starterskrediet moet worden terugbetaald, maar met een brief van 12 december 2014 heeft het UWV aan eiser gemeld dat hem de aflossing van het starterskrediet wordt kwijtgescholden.
3.2.
Op 28 oktober 2022 heeft het UWV een anonieme melding ontvangen. Volgens de melder zou eiser zich bezighouden met onder andere autohandel. Op 27 maart 2023 heeft het UWV nog een melding ontvangen over onder meer autohandel door eiser. Het UWV heeft op 27 maart 2023 ook een melding ontvangen van de arbeidsinspectie. Volgens de melding zou eiser nagenoeg dagelijks onder invloed van drugs in diverse voertuigen rijden. Eiser zou handelen in sloopauto's, waarvoor hij dagelijks op pad gaat. Het UWV heeft onderzoek verricht. Dit heeft geleid tot een onderzoeksrapport Handhaving van
1 maart 2024. Met een brief van 4 april 2024 heeft het UWV aan eiser gemeld dat hij in de periode 12 april 2021 tot en met 9 februari 2023 mogelijk bruto € 31.143,58 te veel uitkering heeft ontvangen, dat, als de informatie van het UWV juist is, eiser dit bedrag moet terugbetalen en dat het UWV voornemens is hem een boete van € 5.800,- op te leggen. Eiser had tot 18 april 2024 de gelegenheid om hierop te reageren. Met een brief van 12 april 2024 heeft het UWV deze termijn verlengd tot 25 april 2024. Op 22 april 2024 hebben eiser, zijn partner en zijn begeleider een gesprek gehad met een medewerker van het UWV. Daarop heeft de besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.
Standpunten van partijen
Standpunt UWV
4.1.
Het UWV stelt zich op het standpunt dat eiser zich niet aan de informatieplicht heeft gehouden. Eiser heeft niet doorgegeven dat hij vanaf 12 april 2021 tot en met
9 februari 2023 werkzaamheden heeft verricht en hieruit inkomsten heeft gehad. Eiser handelde in auto's en oud ijzer. Het UWV is van mening dat de werkzaamheden het hobbymatige karakter overschreden en dat sprake was van op geld waardeerbare activiteiten.
4.2.
Daarom trekt het UWV de WAO-uitkering over de periode van 12 april 2021 tot en met
9 februari 2023 in. Het UWV kan de rechtmatigheid van eisers uitkering niet beoordelen, omdat eiser geen administratie kan of wil overleggen. Eiser heeft niet aangetoond welke inkomsten hij daadwerkelijk uit de werkzaamheden heeft ontvangen. Het UWV kan daarom het recht op uitkering niet vaststellen. Het UWV is dan ook verplicht eisers uitkering over de periode van 12 april 2021 tot en met 9 februari 2023 als onverschuldigde betaling terug te vorderen. Het gaat om een bedrag van bruto € 31.143,58. Volgens het UWV is geen sprake van omstandigheden of een dringende reden op basis waarvan het UWV zou kunnen afzien van terugvordering.
4.3.
Het UWV heeft in verband met het schenden van de inlichtingenplicht aan eiser ook een boete opgelegd. De hoogte van de boete is € 5.800,-. Het UWV is uitgegaan van normale verwijtbaarheid, zodat de boete in beginsel 50% is van het bedrag dat eiser te veel heeft ontvangen. Omdat de boete hiermee hoger zou zijn dan het maximale boetebedrag bij normale verwijtbaarheid, bedraagt de boete € 5.800,-.
Standpunt eiser.
5.1.
Eiser stelt zich op het standpunt dat de terugvordering onterecht is. Hij is van mening dat hij van 12 april 2021 tot en met 9 februari 2023 recht had op betaling van zijn WAO-uitkering.
5.2.
De periode van 12 april 2021 tot en met 9 februari 2023 is volgens eiser onzuiver. Eiser wijst erop dat de specificatie uitgaat van 1 april 2021 tot en met 28 februari 2023 en dat het UWV ondubbelzinnig moet vermelden welke maanden het betreft en per maand het bewijs moet leveren. Verder stelt eiser dat gegevens van buiten de periode zijn gebruikt. Het gaat om contante opnames die doorlopen tot november 2023 en brandstofuitgaven tot
december 2023. Volgens eiser kunnen deze gegevens het oordeel over de periode 2021 tot begin 2023 niet dragen.
5.3.
Eiser is ook van mening dat de feitelijke grondslag voor het standpunt van het UWV onvoldoende is en dat het UWV het bestreden besluit niet heeft gebaseerd op concrete werkzaamheden/inkomsten. Het UWV noemt volgens eiser geen enkele transactie, geen uren, geen facturen of bankontvangsten op zijn naam. Eiser wijst erop dat contante opnames uitgaven zijn en geen inkomsten en dat RDW-registraties [1] zien op tenaamstelling en niet op verkoopwinst. Het feit dat het telefoonnummer van eiser als contactnummer stond geregistreerd, volgt rechtstreeks uit zijn rol als wettelijke vertegenwoordiger voor de minderjarige zoon en is volgens eiser op zichzelf geen bewijs van verdiensten. Eiser merkt op dat de door het UWV genoemde bedrijfsauto/autoambulance niets zegt over wie feitelijk reed, noch over inkomsten van eiser. Dit past volgens eiser binnen de hobby-/opleidingscontext voor de zoon en is bovendien moeilijk verenigbaar met eisers mobiliteitsbeperkingen. Verwijzingen naar gebeurtenissen in 2014 en 2007 dienen volgens eiser alleen als sfeerzetting. Eiser is van mening dat deze feiten niet aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen worden gelegd en dat ze de objectiviteit van de beoordeling ondergraven.
5.4.
Eiser voert verder aan dat de kwalificatie ‘structurele, op geld waardeerbare arbeid’ zonder verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige duiding onhoudbaar en in ieder geval gezien de medische situatie niet reëel is. Hij wijst erop dat rond de start van de periode in geding sprake was van acute verslechtering met zwaar sederende medicatie en functionele beperkingen. Tijdens de zitting heeft eiser toegelicht dat hij, toen zijn zoon zijn bedrijf startte, een auto-ongeluk heeft gehad met flink letsel tot gevolg. Dit letsel heeft ertoe geleid dat eiser een scootmobiel moest aanvragen. Eiser heeft maanden gerevalideerd. De transacties die in die periode plaatsvonden werden door eisers zoon verricht, niet door eiser zelf.
5.5.
Tijdens de zitting heeft eiser erop gewezen dat het ging om een bedrijf en activiteiten van zijn zoon. Eiser had geen inkomsten daarvan.
5.6.
Eiser is ook van mening dat de volledige terugvordering in strijd is met de evenredigheid. Het UWV is niet serieus nagegaan welk recht op uitkering eiser had. Het UWV heeft geen analysematrix per maand gemaakt, geen verificatie gevraagd bij de boekhouder of administratie van de zoon en niet getoetst of sprake was van eventuele incidentele hulp of structureel werk.
5.7.
Eiser stelt daarnaast dat de boete niet in stand kan blijven. Primair is hij van mening dat de grondslag voor de boete ontbreekt, omdat de terugvordering onterecht is. Subsidiair stelt eiser dat de boete te hoog is, omdat geen sprake is van verwijtbaarheid of op zijn minst sprake is van een aanzienlijk verminderde verwijtbaarheid. Eiser wijst op de langdurige WAO-situatie, het ongeval, de sedatie, een Wmo-scootmobiel en de ouderrol voor een minderjarige ondernemer. Daarom kon van eiser niet worden verlangd dat hij inzag dat incidentele hulp aan zijn zoon meldingplichtige arbeid zou vormen.
5.8.
Eiser brengt ook in dat ten onrechte geen draagkrachtbeoordeling heeft plaatsgevonden.
5.9.
Eiser heeft zijn standpunt onderbouwd met een journaal van zijn huisarts over de periode 15 maart 2021 tot en met 7 juni 2021 en een besluit van 23 september 2024 tot toekenning van een scootmobiel.
Reactie UWV
6.1.
In het verweerschrift heeft het UWV op het beroepschrift gereageerd.
6.2.
Met bestreden besluit 2 heeft het UWV de hoogte van de boete gematigd naar € 2.016,-. Het UWV heeft het bedrag van de boete verlaagd, omdat in bestreden besluit 1 ten onrechte geen rekening was gehouden met het draagkrachtbeginsel.
Overwegingen van de rechtbank
Toetsingskader
7. De wet- en regelgeving die voor deze zaak van belang is, staat in de bijlage bij deze uitspraak.
Omvang geschil
8.1.
Met bestreden besluit 2 heeft het UWV bestreden besluit 1 gewijzigd. De boete is gematigd van € 5.800,- naar € 2.016,-. Dit is voor de rechtbank aanleiding om het beroep tegen bestreden besluit 1, voor zover het gaat om de hoogte van de boete van € 5.800,-, gegrond te verklaren en dit besluit in zoverre te vernietigen.
8.2.
Bestreden besluit 2 is een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de rechtbank bestreden besluit 2 in de procedure betrekt. Eiser heeft nog belang bij een inhoudelijke beoordeling van bestreden besluit 1, voor zover het gaat om de intrekking en de terugvordering. Voor zover het gaat om de hoogte van de boete beoordeelt de rechtbank bestreden besluit 2.
Intrekking en terugvordering van de WAO-uitkering
9.1.
Het besluit tot intrekking en terugvordering van de WAO-uitkering van eiser is een belastend besluit, waarbij het aan het UWV is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het UWV rust. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het UWV in dit geval feiten moet aandragen die aannemelijk maken dat eiser in de periode van 12 april 2021 tot en met
9 februari 2023 werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft verkregen en dat hij door dit niet te melden de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Als het UWV aan deze bewijslast heeft voldaan, ligt het vervolgens op de weg van eiser om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken. [2]
9.2.
Het UWV heeft zijn besluitvorming gebaseerd op het onderzoeksrapport Handhaving van 1 maart 2024, de daarbij behorende bijlagen en het verslag van het gesprek met eiser op 22 april 2024. De rechtbank is van oordeel dat het UWV hiermee aannemelijk heeft gemaakt dat eiser in de periode van 12 april 2021 tot en met 9 februari 2023 ondernemersactiviteiten heeft verricht die op geld waardeerbaar zijn.
9.2.1.
De rechtbank is het met eiser eens dat de gebeurtenissen in 2007 en 2014 niet van belang zijn. Ze hebben namelijk geen betrekking op de periode in geding. Maar dat neemt niet weg, dat uit het dossier voldoende blijkt dat sprake was van op geld waardeerbare activiteiten.
9.2.2.
De jongste zoon van eiser had een bedrijf op zijn naam, met als hoofdactiviteit een groothandel in ijzer- en staalschroot en oude non-ferrometalen. Eiser heeft verteld dat zijn zoon via internet sloopauto’s kocht zonder apk voor bruikbare onderdelen voor zijn autocrosshobby. Wat van een sloopvoertuig overbleef ging de recycling in. Tijdens de periode 12 april 2021 tot en met 9 februari 2023 was eiser gevolmachtigde bij het bedrijf van zijn zoon. Ook werd eisers telefoonnummer als contactnummer gebruikt voor dit bedrijf.
9.2.3.
Bij de woning van eiser stonden regelmatig autoambulances, aanhangers en personenauto's. De wijkagent heeft regelmatig gezien dat eiser en zijn oudste zoon met personenauto's bezig waren bij de woning van eiser. Eiser heeft erkend dat hij zijn jongste zoon hielp met de start van zijn bedrijf en daarvoor ook activiteiten verrichtte. Eiser heeft zijn zoon geadviseerd en sprak ook met klanten. Hij reed zijn zoon, toen deze nog geen rijbewijs had, en begeleidde hem later. En in de periode van 28 juli 2014 tot en met 10 oktober 2023 stonden zo’n 75 voertuigen op het adres van eiser geregistreerd. De in geding zijnde periode 12 april 2021 tot en met 9 februari 2023 valt hierbinnen. Tot 2022 stonden gemiddeld 6 tot 11 voertuigen per jaar op naam van eiser. Vanaf het jaar 2022 stonden 24 voertuigen een korte periode op naam van eiser en zijn zonen. De meeste van de voertuigen stonden op naam van eiser. Uit al deze feiten in onderlinge samenhang leidt de rechtbank af dat eiser in de handel een belangrijke rol vervulde.
9.2.4.
Eiser heeft voor de op zijn naam geregistreerde auto’s als verklaring gegeven, dat het soms praktisch was om auto’s even op zijn naam te zetten. Maar de rechtbank merkt op dat de zonen van eiser vanaf hun achttiende jaar, dus vanaf [geboortedatum 1] 2022 en
[geboortedatum 2] 2022 [3] , zelf auto’s op hun naam konden zetten, ook al hadden ze nog geen rijbewijs. [4] Vanaf [geboortedatum 1] 2022 was het dus niet meer nodig om voertuigen op naam van eiser te zetten, maar vanaf 2022 nam het aantal auto’s op zijn naam juist toe.
9.2.5.
Dat eiser de activiteiten deed om zijn zoon te helpen en als hobby zag, maakt, gelet op de inhoud en omvang ervan, niet dat geen sprake was van op geld waardeerbare werkzaamheden. De verklaring van eiser op 22 april 2024 dat hij de laatste jaren geen reparaties heeft verricht aan voertuigen en zich niet bezig heeft gehouden met de aan- en verkoop van voertuigen en dat alleen zijn jongste zoon dit deed vindt de rechtbank niet geloofwaardig. Uit de gegevens blijkt dat, hoewel het bedrijf op naam van de jongste zoon van eiser stond, eiser een groot aandeel had in de ondernemersactiviteiten.
9.2.6.
Dat eiser het werk niet kon doen door zijn mobiliteitsbeperkingen heeft hij onvoldoende met medische gegevens onderbouwd. Uit de informatie van de huisarts blijkt wel dat eiser in april en mei 2021 medische problemen had, maar niet dat deze zodanig waren dat hij de activiteiten voor het bedrijf van zijn zoon niet kon doen. Daarbij komt dat deze informatie slechts betrekking heeft op een deel van de periode waar het hier om gaat. Dat eiser door zijn gezondheidsproblemen de werkzaamheden in het bedrijf van zijn zoon niet kon doen, blijkt ook niet uit het dossier en uit wat eiser zelf heeft verklaard. Uit het dossier kan worden afgeleid dat op naam van eiser na het ongeluk in maart 2021 transacties met auto’s hebben plaatsgevonden. Weliswaar stelt eiser dat zijn zoon deze transacties heeft uitgevoerd met de DigiD van eiser, maar dat neemt niet weg dat eiser ook in die tijd bij de handelsactiviteiten betrokken is geweest.
9.3.
Eiser heeft gezegd dat in de autohandel vooral contant geld omging. Maar uit de bankafschriften blijken ook kosten en inkomsten uit de autohandel. Dat alleen de jongste zoon van eiser inkomsten had en eiser niet, wordt niet ondersteund door de bankafschriften. Met deze bankafschriften heeft het UWV aannemelijk gemaakt dat eiser uit de werkzaamheden in de periode van 12 april 2021 tot en met 9 februari 2023 inkomsten heeft verkregen.
9.4.
Vast staat dat eiser de verrichte op geld waardeerbare werkzaamheden en de inkomsten daaruit niet aan het UWV heeft doorgegeven. Dat betekent dat hij de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden. Eiser had redelijkerwijs kunnen weten dat deze werkzaamheden van invloed konden zijn op het recht op, de hoogte van of de betaling van zijn WAO-uitkering. Eiser heeft niet met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk gemaakt dat hij de inlichtingenplicht heeft nageleefd.
9.5.
De omvang van de door eiser verrichte werkzaamheden en de inkomsten daaruit zijn niet vast te stellen. Eiser heeft namelijk verklaard dat de autohandel voornamelijk met contant geld gebeurde, dat hij en zijn zoon geen administratie hebben bijgehouden en dat hij niet weet hoeveel uren hij en zijn zoon bezig waren met reparatie, de in- en verkoop van voertuigen en de handel in metalen. Dat betekent dat eisers recht op uitkering in de periode van 12 april 2021 tot en met 9 februari 2023 niet is vast te stellen.
9.6.
Het UWV was verplicht de in de periode van 12 april 2021 tot en met 9 februari 2023 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering van eiser terug te vorderen. Het is niet mogelijk om per maand te bepalen hoe hoog de WAO-uitkering was waar eiser recht op had. In het bedrijf ging namelijk veel contant geld om en eiser heeft geen administratie overgelegd waaruit blijkt welke inkomsten hij elke maand had. Uit de bankafschriften is dit ook niet af te leiden. Het UWV heeft in het verweerschrift terecht gesteld dat het niet bijhouden van een duidelijke en verifieerbare administratie voor rekening en risico van eiser komt.
9.7.
Dat brengt de rechtbank tot de conclusie dat het UWV de WAO-uitkering van eiser in de periode van 12 april 2021 tot en met 9 februari 2023 mocht terugvorderen. De specificatie bij het terugvorderingsbesluit van 14 mei 2024 ziet op de periode 1 april 2021 tot en met 28 februari 2023. Uit die specificatie blijkt dat de WAO-uitkering in de maanden april 2021 en februari 2023 niet geheel wordt teruggevorderd. Dit is correct omdat de periode van terugvordering slechts ziet op een deel van die maanden, namelijk vanaf 12 april 2021 en tot en met 9 februari 2023. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de specificatie en het teruggevorderde brutobedrag van € 31.143,58 onjuist zijn.
Dringende redenen en evenredigheid
9.8.
Het UWV is op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO in beginsel verplicht de te veel ontvangen WAO-uitkering van eiser terug te vorderen. Dit is slechts anders indien sprake is van dringende redenen zoals bedoeld in artikel 57, zesde lid, van de WAO. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft zijn rechtspraak met betrekking tot het begrip ‘dringende redenen’ gewijzigd. [5] De CRvB legt dit begrip voortaan ruimer uit, waarbij betekenis toekomt aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bij het nemen van een besluit over intrekking of terugvordering is het UWV verplicht om een belangenafweging te maken waarvan de uitkomst niet onevenredig mag zijn.
9.9.
Eiser heeft in beroep geen omstandigheden genoemd die kunnen worden aangemerkt als dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van intrekking en terugvordering af te zien. Het UWV heeft er in het verweerschrift op gewezen dat het geen aandeel heeft gehad in het ontstaan van de intrekking en terugvordering, omdat deze zijn ontstaan doordat eiser heeft nagelaten het UWV te informeren dat hij werkzaamheden heeft verricht in de handel van auto's. Het UWV heeft ook geen aanwijzingen dat de terugvordering leidt tot onaanvaardbare financiële gevolgen. Wat betreft de financiële gevolgen van de terugvordering wijst het UWV erop dat deze zich in het algemeen pas voordoen bij de invordering of verrekening.
9.10.
De rechtbank is van oordeel dat deze belangenafweging niet onevenredig is. Dat eiser al vanaf 12 september 2000 een WAO-uitkering ontving, het ongeval in maart 2021, de gezondheidsproblemen ten gevolge daarvan en de ouderrol die eiser vervulde, maken dit niet anders. Deze omstandigheden maken niet dat eiser zijn activiteiten voor het bedrijf niet hoefde te melden en leiden er evenmin toe dat de gevolgen van de intrekking en de terugvordering in de situatie van eiser onevenredig uitpakken. Het UWV heeft zich op basis van de belangenafweging terecht op het standpunt gesteld dat er in dit geval geen aanleiding is om te concluderen dat op grond van een dringende reden van de herziening en de terugvordering moet worden afgezien.
Boete
9.11.
Volgens vaste rechtspraak is de bewijslast voor het opleggen van een boete zwaarder dan die bij de toepassing van de bevoegdheid tot beëindiging, herziening of intrekking van een uitkering op de grond dat de inlichtingenplicht is geschonden en van de bevoegdheid tot terugvordering wegens onterecht of tot een te hoog bedrag ontvangen uitkering. [6] Met het rapport van 1 maart 2024 en de daaraan ten grondslag liggende onderzoeksbevindingen en het verslag van het gesprek op 22 april 2024 heeft het UWV aangetoond dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden. De rechtbank verwijst naar wat zij hiervoor heeft overwogen.
9.12.
Met bestreden besluit 2 heeft het UWV de boete gematigd naar € 2.016,-. Daarmee heeft het UWV rekening gehouden met het draagkrachtbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat deze boete evenredig is. Het UWV is terecht uitgegaan van normale verwijtbaarheid bij eiser. Dat eiser al vanaf 12 september 2000 een WAO-uitkering ontving, het ongeval in maart 2021, de gezondheidsproblemen ten gevolge daarvan en de ouderrol die eiser vervulde, leiden niet tot verminderde verwijtbaarheid. Deze omstandigheden nemen namelijk niet weg dat eiser redelijkerwijs kon weten dat hij de werkzaamheden aan het UWV moest melden. Het UWV heeft eisers aflossingscapaciteit berekend en vastgesteld op € 168,- per maand. Eiser heeft geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat dit onjuist is. Dit bedrag vermenigvuldigd met 12 leidt tot een boete van € 2.016,-. Dit is in overeenstemming met artikel 6 van Pro de Beleidsregel boete werknemer 2017. Uit bestreden besluit 2 blijkt dat met eiser een betalingsregeling is afgesproken, waarbij eiser € 50,- per maand aflost. Uit rechtspraak volgt dat bij het bepalen van de hoogte van de boete mag worden uitgegaan van de aflossingscapaciteit en dat een afgesproken betalingsregeling daar niet aan af doet. [7]
Slotsom
9.13.
Dit alles leidt de rechtbank tot de conclusie dat de intrekking van eisers WAO-uitkering vanaf 12 april 2021 tot en met 9 februari 2023, de terugvordering van
bruto € 31.143,58 en de boete van € 2.016,- in stand kunnen blijven.

Conclusie en gevolgen

10.1.
Het beroep tegen bestreden besluit 1, voor zover het gaat om de hoogte van de boete, is gegrond. Voor het overige is het beroep ongegrond. Dat betekent dat de intrekking van eisers WAO-uitkering vanaf 12 april 2021 tot en met 9 februari 2023, de terugvordering van
bruto € 31.143,58 en de boete van € 2.016,- in stand blijven.
10.2.
Omdat het beroep tegen de hoogte van de boete in bestreden besluit 1 gegrond is, moet het UWV wel het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser krijgt daarom ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Met bestreden besluit 2 heeft het UWV aan eiser een vergoeding van de proceskosten in bezwaar toegekend. Verder is niet gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond, voor zover het betreft de hoogte van de boete en vernietigt bestreden besluit 1 in zoverre;
- verklaart het beroep tegen de bestreden besluiten 1 en 2 voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving.

Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 6:19
1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
2. Het eerste lid geldt ook indien het bezwaar is gemaakt of het beroep is ingesteld nadat het bestuursorgaan het bestreden besluit heeft ingetrokken, gewijzigd of vervangen.
3. Het bestuursorgaan stelt het nieuwe besluit onverwijld ter beschikking aan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is.
4. Indien een ander orgaan een bezwaar- of beroepschrift tegen het nieuwe besluit ontvangt, zendt het dit met toepassing van artikel 6:15, eerste en tweede lid, door.
5. De bestuursrechter kan het beroep tegen het nieuwe besluit echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is.
6 Intrekking of vervanging van het bestreden besluit staat niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Artikel 36a, eerste lid, van de WAO bepaalt dat, onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een beschikking tot toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering en terzake van weigering van een zodanige uitkering, het UWV een dergelijke beschikking herziet of intrekt:
a. ter uitvoering van een beschikking als bedoeld in artikel 30;
b. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 25, 28 of 80 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;
c. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
d. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 25, 28 of 80 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.
Artikel 36a, tweede lid, van de WAO bepaalt dat, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn het UWV kan besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking als bedoeld in het eerste lid af te zien.
Artikel 57, eerste lid, van de WAO bepaalt, voor zover hier van belang, dat de uitkering, die als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 36a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het UWV wordt teruggevorderd.
Artikel 57, zesde lid, van de WAO bepaalt dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn het UWV kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Artikel 80, eerste lid, van de WAO bepaalt, voor zover hier van belang, dat degene, in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering verplicht is aan het UWV, op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden, waarvan het hem of haar redelijkerwijs duidelijk is, dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag, dat daarvan wordt uitbetaald.
Artikel 29a, eerste lid, van de WAO bepaalt dat het UWV een bestuurlijke boete oplegt van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 80. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 80, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 80, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding niet opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 29a, tweede lid, van de WAO bepaalt dat in dit artikel onder benadelingsbedrag wordt verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 80, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen.
Artikel 29a, achtste lid, van de WAO bepaalt dat het UWV kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Beleidsregel boete werknemer 2017
1. Indien de financiële omstandigheden waarin een betrokkene verkeert daartoe aanleiding geven, verlaagt het UWV de bestuurlijke boete.
2. Verlaging van de bestuurlijke boete vindt plaats door de aflossingscapaciteit per maand te vermenigvuldigen met het aantal maanden, gerelateerd aan de mate van verwijtbaarheid. Dit aantal is:
a. in geval van opzet 24 maanden;
b. in geval van grove schuld 18 maanden;
c. in geval van verwijtbaarheid 12 maanden;
d. in geval van verminderde verwijtbaarheid 6 maanden;
e. in geval van geringe verwijtbaarheid 2 maanden.
3. Van een situatie als bedoeld in het eerste lid, is in ieder geval sprake indien betrokkene aannemelijk maakt dat hij de voorgenomen bestuurlijke boete niet zou kunnen voldoen binnen de aan de mate van verwijtbaarheid gerelateerde termijn.
4. Wanneer het UWV heeft vastgesteld dat betrokkene geen of een geringe aflossingscapaciteit heeft, wordt een bestuurlijke boete van € 40,– opgelegd.
Wegenverkeerswet
Artikel 48, eerste lid, onder a, van de Wegenverkeerswet bepaalt dat inschrijving in het kentekenregister en tenaamstelling, tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van de daarvoor door deze dienst vastgestelde tarieven, plaatsvinden op aanvraag van in Nederland woonachtige natuurlijke personen die de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt.
Regeling legitimatievoorschriften tenaamstelling en kentekenplaten
Artikel 2, eerste lid, van de Regeling legitimatievoorschriften tenaamstelling en kentekenplaten bepaalt dat indien de aanvraag van een tenaamstelling wordt ingediend door een natuurlijke persoon, bij of een daartoe door de Dienst Wegverkeer aangewezen vestiging van deze dienst, het volgende legitimatiebewijs wordt overgelegd:
a. een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van Pro de wet,
b. een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 108, eerste lid onderdeel h, van de wet,
c. een geldig document als bedoeld in artikel 2, eerste of tweede lid, van de Paspoortwet,
d. een geldig buitenlands nationaal paspoort, dienstpaspoort, diplomatiek paspoort, reisdocument voor vluchtelingen of reisdocument voor vreemdelingen,
e. een geldige buitenlandse identiteitskaart, afgegeven door een bevoegde autoriteit in een andere lidstaat van de Europese Unie, of
f. een geldig persoonlijk identiteitsbewijs als bedoeld in artikel III, tweede lid, onderdeel a, van het Verdrag tussen de staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten (Londen, 19 juni 1951, Trb. 1951, 114) met daarbij een geldig, ten behoeve van de aanvraag door de bevoegde commandant van een NATO-basis ingevuld en ondertekend, certificaat van stationering, dat niet ouder is dan tien dagen.
Artikel 2, tweede lid, van de Regeling legitimatievoorschriften tenaamstelling en kentekenplaten bepaalt dat indien de aanvraag van een tenaamstelling wordt ingediend door een erkend bedrijf tenaamstellen voertuigen bedrijfsvoorraad of importeursvoorraad namens een natuurlijke persoon, wordt door de natuurlijke persoon een geldig Nederlands rijbewijs, als bedoeld in artikel 107 van Pro de wet, als mede een machtiging, als bedoeld in artikel 15, eerste lid van de Regeling erkenningen wegverkeer overgelegd aan het erkende bedrijf.

Voetnoten

1.Registraties van de Dienst Wegverkeer.
2.Zie Centrale Raad van Beroep (CRvB) 6 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:353.
3.geboortedatum oudste zoon: [geboortedatum 1] 2004 en geboortedatum jongste zoon: [geboortedatum 2] 2004
4.Zie artikel 48, eerste lid, onder a, van de Wegenverkeerswet en artikel 2, eerste lid, van de Regeling legitimatievoorschriften tenaamstelling en kentekenplaten. Uit het rapport van 1 maart 2024 blijkt dat geen sprake was van voertuigen die verzekerd waren op grond van een
5.Zie CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726 en CRvB 8 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:123.
6.Zie bijvoorbeeld CRvB 6 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:353.
7.Zie opnieuw CRvB 6 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:353.