ECLI:NL:CRVB:2025:353
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering WAO-uitkering wegens schending inlichtingenplicht en oplegging boete
Appellant ontving sinds 1995 een WAO-uitkering en werd door het UWV onderzocht vanwege vermoedelijke niet gemelde werkzaamheden en inkomsten in de periode van 26 februari 2018 tot 6 september 2020. Het UWV stelde vast dat appellant werkzaamheden verrichtte die niet waren gemeld, en legde een herziening en terugvordering van €8.121,09 op, samen met een boete van €3.249,85 wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank had de boete verlaagd tot €1.200,-, maar het UWV ging in hoger beroep tegen deze verlaging. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV voldoende bewijs had geleverd, waaronder manurenstaten, bankafschriften en gespreksverslagen, waaruit bleek dat appellant daadwerkelijk werkte en inkomsten ontving zonder dit te melden. De stellingen van appellant over misbruik van zijn persoonsgegevens en het gebruik van zijn pinpas door zijn dochter werden niet geloofd.
De Raad verwierp het beroep van appellant en bevestigde dat de boete proportioneel is, mede gelet op de draagkracht van appellant en de betalingsregeling. De herziening, terugvordering en boete blijven derhalve in stand. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van de inlichtingenplicht en de zorgvuldigheid van het UWV-onderzoek.
Uitkomst: De Raad bevestigt de herziening en terugvordering van de WAO-uitkering en handhaaft de boete van €3.249,85.