ECLI:NL:RBOVE:2026:1149

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
ak_24_3571 ak_24_4110
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:10 APV Ommen 2021Art. 1:1 APV Ommen 2021Art. 1 Wegenverkeerswet 1994Art. 4 WegenwetArt. 7 Wegenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Handhaving toegankelijkheid openbare weg Beukenlaan in Damsholte

De zaak betreft een handhavingsverzoek van eiseres gericht op het behoud van de toegankelijkheid van de Beukenlaan in Damsholte voor voetgangers, ruiters en fietsers. Het college van burgemeester en wethouders van Ommen had het verzoek aanvankelijk niet tijdig behandeld en vervolgens afgewezen met een dwangsom wegens de late beslissing.

Eiseres stelde dat de Beukenlaan een openbare weg is volgens de Wegenwet en dat afsluiting in strijd is met het bestemmingsplan. De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is omdat eiseres inmiddels het gewenste resultaat heeft bereikt. Het beroep tegen het handhavingsbesluit is gegrond omdat de Beukenlaan al meer dan 50 jaar als openbare weg geldt en de recente plaatsing van borden 'eigen weg' en 'privé terrein' niet binnen de wettelijke termijnen valt om de status te wijzigen.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het de afwijzing van het handhavingsverzoek betreft en bepaalt dat het college binnen vier weken opnieuw moet beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens moet het college het betaalde griffierecht aan eiseres vergoeden. Er zijn geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen het handhavingsbesluit is gegrond verklaard en het college moet opnieuw beslissen over het handhavingsverzoek omdat de Beukenlaan een openbare weg is.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 24/3571 en ZWO 24/4110

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats],

hierna: [eiseres]
en

het college van burgemeester en wethouders van Ommen,

hierna: het college.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het handhavingsverzoek dat [eiseres] heeft ingediend bij het college om de toegankelijkheid van de Beukenlaan in Damsholte (hierna: de Beukenlaan) voor passanten te voet, te paard of per rijwiel te handhaven. [eiseres] heeft beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op dit handhavingsverzoek door het college. Bij het bestreden besluit heeft het college alsnog op het handhavingsverzoek beslist en het handhavingsverzoek afgewezen. Hier is [eiseres] het niet mee eens. Zij voert daartoe aan dat de Beukenlaan een openbare weg in de zin van de Wegenwet is en dat afsluiting ervan in strijd is met het toepasselijke bestemmingsplan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het handhavingsverzoek door het college.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat [eiseres] geen belang meer heeft bij het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op het handhavingsverzoek en verklaart het beroep daarom in zoverre niet-ontvankelijk. Het beroep voor zover gericht tegen het alsnog genomen handhavingsbesluit verklaart de rechtbank gegrond omdat de Beukenlaan op grond van de Wegenwet een openbare weg is. Het college dient opnieuw op het handhavingsverzoek van [eiseres] te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. [eiseres] krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten en procesverloop

2.1.
Bij brief van 28 februari 2024 heeft [eiseres] een verzoek om informatie ingediend bij het college over de toegankelijkheid van de Beukenlaan.
2.2.
Bij e-mail van 22 april 2024 reageert een medewerker van de gemeente Ommen op het informatieverzoek door aan te geven dat de Beukenlaan op de wegenlegger staat en een openbare weg is.
2.3.
[eiseres] heeft vervolgens op 27 mei 2024 een verzoek gedaan bij het college om de toegankelijkheid van de Beukenlaan in Damsholte voor passanten te voet, te paard of per rijwiel te handhaven. Volgens [eiseres] is het afsluiten van de Beukenlaan in strijd met het geldende bestemmingsplan “Buitengebied, herziening Beukenlaan 1, Damsholte” (hierna: het bestemmingsplan).
2.4.
Bij e-mail van 14 september 2024 heeft [eiseres] het college in gebreke gesteld omdat er geen besluit is genomen op haar handhavingsverzoek.
2.5.
Een toezichthouder van de Omgevingsdienst IJsselland heeft op 17 september 2024 een controle uitgevoerd aan de Beukenlaan. Uit de foto’s blijkt dat ter hoogte van nummer 1 een wit hek op de laan staat waarop staat dat de Beukenlaan 1 toegankelijk is via de Lovenseweg. Aan de rechterkant staat een bord verboden toegang voor motorvoertuigen met daaronder een bord met de tekst “eigen weg”. Op een kleinere paal aan de rechterkant staat een bord met de tekst “privé terrein”.
2.6.
Bij brief van 25 september 2024 heeft het college laten weten voornemens te zijn het handhavingsverzoek af te wijzen. [eiseres] heeft hiertegen een zienswijze ingediend.
2.7.
[eiseres] heeft op 30 september 2024 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op het handhavingsverzoek door het college (dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer 24/3571). Het college heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.8.
Met het besluit van 11 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft het college het handhavingsverzoek alsnog afgewezen en aan [eiseres] een dwangsom toegekend van € 299,- wegens het niet tijdig beslissen.
2.9.
[eiseres] heeft op 17 oktober 2024 bezwaar gemaakt tegen dit besluit voor zover dit ziet op de afwijzing van het handhavingsverzoek en het college verzocht de zaak op grond van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te behandelen als beroep en direct door te sturen naar deze rechtbank. Het college heeft hiermee ingestemd (dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer 24/4110).
2.10.
De rechtbank heeft de beroepen op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hierbij was [eiseres] aanwezig en het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2].

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt het niet tijdig beslissen op het door [eiseres] ingediende handhavingsverzoek en het besluit tot afwijzing van het handhavingsverzoek.
Beroep niet tijdig beslissen (zaaknummer 24/3571)
4. De rechtbank stelt vast dat [eiseres] geen belang meer heeft bij een beoordeling van het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen. Het college heeft inmiddels besloten op het handhavingsverzoek en een dwangsom toegekend van
€ 299,- wegens het niet tijdig beslissen. [eiseres] heeft dan ook bereikt wat zij met het beroep niet tijdig beslissen wilde bereiken. De rechtbank zal het beroep niet tijdig beslissen daarom niet-ontvankelijk verklaren wegens het ontbreken van procesbelang. Omdat het beroep niet tijdig beslissen wel terecht is ingesteld, het college was immers te laat met het nemen van een beslissing op het handhavingsverzoek en [eiseres] heeft het college eerst op correcte wijze in gebreke gesteld voordat het beroep niet tijdig beslissen is ingediend, moet het college het betaalde griffierecht aan [eiseres] vergoeden.
Beroep tegen het handhavingsbesluit
5. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit richt zich op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb van rechtswege ook tegen het alsnog genomen besluit. Met de afwijzing van het handhavingsverzoek wordt namelijk niet tegemoetgekomen aan het beroep van [eiseres]. Uit vaste rechtspraak [1] van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat het tegen het bestreden besluit ingediende bezwaarschrift van 17 oktober 2024 dient te worden beschouwd als een aanvulling van de gronden van het reeds ingestelde beroep. De rechtbank zal de beroepsgronden gericht tegen het alsnog genomen handhavingsbesluit hierna inhoudelijk bespreken.
Is sprake van een openbare weg in de zin van de Wegenwet?
6. Volgens [eiseres] is de Beukenlaan een openbare weg die altijd toegankelijk is geweest. Vanaf het najaar van 2023 heeft [eiseres] hierover telefonisch en schriftelijk contact gehad met de gemeente Ommen zonder enig resultaat. In de e-mail van 22 april 2024 geeft een medewerker van de gemeente bovendien aan dat de Beukenlaan in de wegenlegger van de gemeente Ommen is opgenomen als openbare weg en dat dit maakt dat de weg (hoewel deze in particulier eigendom is) een openbare weg is.
7. Het college is van mening dat de Beukenlaan géén openbare weg in de zin van artikel 4 van Pro de Wegenwet is omdat het bord ‘eigen weg’ al meer dan één jaar ter plaatse aanwezig is. Uit het tweede lid van artikel 4 van Pro de Wegenwet volgt volgens het college dat, wanneer er gedurende een tijdvak van ten minste één jaar duidelijk ter plaatse kenbaar is gemaakt dat de weg slechts ter bede voor een ieder toegankelijk is, er niet meer kan worden gesproken van een openbare weg. Uit het controlerapport van 17 september 2024 volgt dat dit bord al meer dan één jaar aanwezig is. Van een onrechtmatige afsluiting van een openbare weg is dus geen sprake en daarmee is er ook geen sprake van een overtreding. Het college kan daarom niet handhavend optreden.
8. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
8.1.
In artikel 2:10 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening Ommen 2021 (hierna: de APV) staat de grondslag voor handhavend optreden door het college bij de afsluiting van een openbare weg. Deze bepaling moet voorkomen dat het gebruik van een weg wordt belemmerd. Op grond van artikel 1:1 van Pro de APV wordt onder het begrip “weg” verstaan: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
8.2.
In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 wordt onder wegen verstaan: alle voor het
openbaarverkeer
openstaandewegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten (…). Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een “weg” in de zin van dit artikel.
8.3.
Of er ook sprake is van een
openbareweg dient beoordeeld te worden aan de hand van de Wegenwet. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wegenwet is een weg openbaar:
I wanneer deze, na het tijdstip van dertig jaar voor de inwerkingtreding van deze wet, gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor eenieder toegankelijk is geweest;
II wanneer deze, na het tijdstip van tien jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende tien achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest en tevens gedurende dien tijd is onderhouden door het Rijk, een provincie, een gemeente of een waterschap;
III wanneer de rechthebbende daaraan de bestemming van openbaren weg heeft gegeven.
In artikel 4, tweede lid, van de Wegenwet staat dat het onder I en II bepaalde uitzondering lijdt wanneer, lopende de termijn van dertig of van tien jaren, gedurende een tijdvak van ten minste één jaar duidelijk ter plaatse is kenbaar gemaakt, dat de weg slechts ter bede voor een ieder toegankelijk is. Dat de weg slechts ter bede toegankelijk is kan bijvoorbeeld kenbaar worden gemaakt via een bord met de tekst “eigen weg”.
8.4.
Het standpunt van het college, dat artikel 4, tweede lid, van de Wegenwet maakt dat Beukenlaan geen openbare weg meer betreft en dat het college daarom niet handhavend kan optreden, volgt de rechtbank niet. Ter zitting hebben partijen namelijk aangegeven dat de Beukenlaan al ruim 50 tot 60 jaar een openbare weg is. De bordjes “eigen weg” en “privé terrein” ter hoogte van de Beukenlaan 1 zijn in 2021 of 2022 geplaatst. De plaatsing van deze bordjes is dus niet tot stand gekomen binnen de perioden van 30 of 10 jaar genoemd in artikel 4, eerste lid, van de Wegenwet. De uitzondering van artikel 4, tweede lid, van de Wegenwet is hier naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet van toepassing.
8.5.
Op grond van artikel 49 van Pro de Wegenwet wordt een weg die op de wegenlegger staat aangemerkt als openbaar, tenzij bewezen kan worden dat de weg na de vaststelling van de legger niet meer openbaar is. In artikel 7 van Pro de Wegenwet staat wanneer een weg heeft opgehouden openbaar te zijn. Een weg heeft opgehouden openbaar te zijn:
  • als hij dertig jaar achter elkaar niet voor iedereen toegankelijk is geweest; of
  • als hij door het bevoegd gezag aan de openbaarheid is onttrokken.
8.6.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de Beukenlaan op de wegenlegger staat. Daarmee wordt vermoed dat deze weg openbaar is. Dit kan alleen anders zijn als bewezen kan worden dat na vaststelling of wijziging van de desbetreffende wegenlegger, de weg heeft opgehouden openbaar te zijn zoals omschreven in artikel 7 van Pro de Wegenwet. Het college heeft in de onderhavige procedure niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat artikel 7 van Pro de Wegenwet hier van toepassing is.
8.7.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de Beukenlaan een openbare weg in de zin van de Wegenwet betreft. Belemmering van de openbaarheid van die weg vormt een overtreding van artikel 2:10 van Pro de APV. Bij een overtreding van artikel 2:10 van Pro de APV heeft het college in beginsel de plicht om handhavend op te treden. Het beroep van [eiseres] voor zover dat is gericht tegen het handhavingsbesluit is dan ook gegrond. Aan een bespreking van de overige beroepsgronden van [eiseres] komt de rechtbank niet toe. Het bestreden besluit dient, zal zover dat ziet op de afwijzing van het handhavingsverzoek, worden vernietigd. Het college moet opnieuw op het handhavingsverzoek van [eiseres] beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op het handhavingsverzoek is niet-ontvankelijk omdat [eiseres] geen belang meer heeft bij een uitspraak op dit punt. Omdat het beroep niet tijdig beslissen wel terecht is ingesteld moet het college het betaalde griffierecht aan [eiseres] vergoeden.
10. Het beroep gericht tegen het alsnog genomen handhavingsbesluit is gegrond omdat de Beukenlaan een openbare weg is waarvan het college de toegankelijkheid dient te handhaven. Dat betekent dat [eiseres] gelijk krijgt en het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover dat ziet op de afwijzing van het handhavingsverzoek. Het college dient opnieuw, binnen 4 weken, op het handhavingsverzoek van [eiseres] te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Er is in deze zaak geen griffierecht geheven dat vergoed moet worden. [eiseres] heeft geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep gericht tegen het handhavingsbesluit gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de afwijzing van het handhavingsverzoek;
  • bepaalt dat het college binnen 4 weken op het handhavingsverzoek van [eiseres] moet beslissen;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan [eiseres] moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.A.G. Bulte, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie hierover bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR4294 en van 23 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3393.